Ontwikkelingspsychologie
INTRODUCTIE
Ontwikkelingspsychologie = studie van veranderingsprocessen en stabiliteit
bij (een) individu(en) van conceptie – geboorte op verschillende domeinen
in wisselwerking met omgeving.
Wetenschappelijke studie: vragen & verklaringen -> onderzoek
bevestigd of verwerpt
Correlationeel onderzoek: verband tss 2 zaken/gebeurtenissen->
niet per se verband maar wel evolutie of verandering ->1 oorzaak
moeilijk -> meestal 3de variabele
Experimenteel onderzoek: geen veranderingen of verschil qua
omstandigheden-> onmogelijk-> ontwikkeling bij ied verschillend
Definitie-> niet strikt gedefinieerd-> culturele, sociologische… invloeden
Ontwikkeling gebeurt op
verschillende domeinen:
- Fysiek
- Cognitief
- Socio-emotioneel
In wisselwerking met
omgeving
Basisthema’s
1. Continu of discontinu?
Continu: graduele toename van eenzelfde soort vaardigheid –
kwantitatieve verandering
Discontinu: verschillende stadia met verschillende specifieke
kenmerken – kwalitatieve verandering
Universeel of individueel?
Universeel: kritieke/gevoelige perioden- > iedereen neemt ong
zelfde stappen op zelfde moment-> 1moment beste om
vaardigheid aan te leren
1
, Individueel: verschillende contexten-> unieke combinatie van
genen en omgeving -> individuele paden van ontwikkeling met
gemeenschappelijke trends
Nature-Nurture debat
Genetische en/of omgevingsinvloeden
Bepalen beide de levensloop
Theoretische kaders
Psychoanalytische theorie – SIGMUND FREUD
De Freudiaanse verspreking: hierin wordt gezegd dat je
onderbewustzijn je eigenlijke wil aantoont
Psychoseksuele ontwikkeling
Fixatie: te weinig / te veel bevrediging tijdens
bepaalde fase
Psychosociale theorie – ERIK ERIKSON
2
,Baby (0-1 jaar): basis vertrouwen/wantrouwen.
Gehechtheid van ouders, gaat het kind het gevoel krijgen dat hij de
zorgen krijgt dat hij moet krijgen? Als je zo een kindje laat wenen en
deze stopt, dan is dat niet omdat ze gelukkig zijn maar omdat ze
het opgeven (bijvoorbeeld als hij/zij vraagt om eten). Als dit gereld
gebeurd dan gaat het kind ook een zekere vorm van wantrouwen
ontwikkelen naar de vertrouwenspersoon toe. Zo zien we meer en
meer dat dit op latere leeftijd doorspeelt door bijvoorbeeld
trustissues.
Peuter (1-3 jaar) : autonomie vs schaamte en twijfel.
De hang naar autonomie is aanwezig, gewoon omdat die de dingen
alleen willen doen/ontdekken. Soms wordt er dan gevallen maar
daar moet je als ouders een middenweg in vinden. In principe zou je
daar altijd bij kunnen zijn, maar dan leert het kind niets. Je moet er
zijn om te helpen maar het is goed om het kind af en toe eens te
laten vallen dan leert hij/zij een nieuwe les. Je moet als ouder dus
focussen op hetgeen dat wel is gelukt en niet op hetgeen dat is
mislukt, want anders ontwikkel je dus een zekere vorm van
schaamte bij het kind.
Kleuter (3-6 jaar): initiatief vs schuld.
Kinderen gaan meer initiatief nemen, meer zelf voorstellen. Er kan
hier ook wel eens iets mislopen. De schuld opnemen, bij de fouten
3
, die ze maken is in deze periode een zeer belangrijke les die ze
meenemen.
Kind (6-11 jaar): vlijt vs minderwaardigheid.
Dit is de leeftijd waarop ze heel erg hun best willen doen, deze vlijt moet
erkent worden. Als dit niet het geval is gaat er zich dus snel een
minderwaardigheidscomplex ontwikkeld worden.
Adolescentie (12-18 jaar): identiteit vs identiteitsverwarring.
De pubertijd is hét moment waarbij je jezelf leert vinden/ontdekken.
Je begint door te hebben wat je interesses zijn, dit is
identiteitsexploratie. Sommige mensen blijven hierin vast zitten en
dan komen we bij die identiteitsverwarring.
Jonge volwassenheid (18-30 jaar): intimiteit vs isolement.
Dit is de periode dat er vaak wordt doorgegaan naar het vinden van
een vaste partner, huwelijk, een huis kopen, etc. Het tegengestelde
is dan isolement, het niet hebben van deze zekerheid.
Volwassenheid (30-60 jaar): scheppend vs stagnatie.
We zitten hier bij het hebben van kinderen, rol van mentor
opnemen. Vanaf deze leeftijd moet je zogezegd iets hebben om
door te geven (levenswijsheid), heb je dit niet dan zit je bij
stagnatie.
Ouderdom (60+ jaar): ik-integriteit vs wanhoop.
Heb ik de juiste keuzes gemaakt, heb ik mijn leven voluit geleefd?
Heb ik dat niet dan zit je bij die wanhoop.
Behaviorisme – JOHN WATSON
= ontwikkeling in termen van observeerbaar gedrag & externe
stimuli die gedrag uitlokken
Geen levensfases
Kwantitatieve ontwikkeling
Inspiratie bij Pavlov -> klassieke conditionering
Klassieke conditionering: verklaart geen actief gedrag, automatisch
gedrag
Operante conditionering: BF Skinner ->gedrag aanleren door straffen
en belonen, individu passief, bepaalde stimulus leidt tot bepaald
gedrag, aangeleerd gedrag kan ook afgeleerd worden->
gedragsmodificatie
4
INTRODUCTIE
Ontwikkelingspsychologie = studie van veranderingsprocessen en stabiliteit
bij (een) individu(en) van conceptie – geboorte op verschillende domeinen
in wisselwerking met omgeving.
Wetenschappelijke studie: vragen & verklaringen -> onderzoek
bevestigd of verwerpt
Correlationeel onderzoek: verband tss 2 zaken/gebeurtenissen->
niet per se verband maar wel evolutie of verandering ->1 oorzaak
moeilijk -> meestal 3de variabele
Experimenteel onderzoek: geen veranderingen of verschil qua
omstandigheden-> onmogelijk-> ontwikkeling bij ied verschillend
Definitie-> niet strikt gedefinieerd-> culturele, sociologische… invloeden
Ontwikkeling gebeurt op
verschillende domeinen:
- Fysiek
- Cognitief
- Socio-emotioneel
In wisselwerking met
omgeving
Basisthema’s
1. Continu of discontinu?
Continu: graduele toename van eenzelfde soort vaardigheid –
kwantitatieve verandering
Discontinu: verschillende stadia met verschillende specifieke
kenmerken – kwalitatieve verandering
Universeel of individueel?
Universeel: kritieke/gevoelige perioden- > iedereen neemt ong
zelfde stappen op zelfde moment-> 1moment beste om
vaardigheid aan te leren
1
, Individueel: verschillende contexten-> unieke combinatie van
genen en omgeving -> individuele paden van ontwikkeling met
gemeenschappelijke trends
Nature-Nurture debat
Genetische en/of omgevingsinvloeden
Bepalen beide de levensloop
Theoretische kaders
Psychoanalytische theorie – SIGMUND FREUD
De Freudiaanse verspreking: hierin wordt gezegd dat je
onderbewustzijn je eigenlijke wil aantoont
Psychoseksuele ontwikkeling
Fixatie: te weinig / te veel bevrediging tijdens
bepaalde fase
Psychosociale theorie – ERIK ERIKSON
2
,Baby (0-1 jaar): basis vertrouwen/wantrouwen.
Gehechtheid van ouders, gaat het kind het gevoel krijgen dat hij de
zorgen krijgt dat hij moet krijgen? Als je zo een kindje laat wenen en
deze stopt, dan is dat niet omdat ze gelukkig zijn maar omdat ze
het opgeven (bijvoorbeeld als hij/zij vraagt om eten). Als dit gereld
gebeurd dan gaat het kind ook een zekere vorm van wantrouwen
ontwikkelen naar de vertrouwenspersoon toe. Zo zien we meer en
meer dat dit op latere leeftijd doorspeelt door bijvoorbeeld
trustissues.
Peuter (1-3 jaar) : autonomie vs schaamte en twijfel.
De hang naar autonomie is aanwezig, gewoon omdat die de dingen
alleen willen doen/ontdekken. Soms wordt er dan gevallen maar
daar moet je als ouders een middenweg in vinden. In principe zou je
daar altijd bij kunnen zijn, maar dan leert het kind niets. Je moet er
zijn om te helpen maar het is goed om het kind af en toe eens te
laten vallen dan leert hij/zij een nieuwe les. Je moet als ouder dus
focussen op hetgeen dat wel is gelukt en niet op hetgeen dat is
mislukt, want anders ontwikkel je dus een zekere vorm van
schaamte bij het kind.
Kleuter (3-6 jaar): initiatief vs schuld.
Kinderen gaan meer initiatief nemen, meer zelf voorstellen. Er kan
hier ook wel eens iets mislopen. De schuld opnemen, bij de fouten
3
, die ze maken is in deze periode een zeer belangrijke les die ze
meenemen.
Kind (6-11 jaar): vlijt vs minderwaardigheid.
Dit is de leeftijd waarop ze heel erg hun best willen doen, deze vlijt moet
erkent worden. Als dit niet het geval is gaat er zich dus snel een
minderwaardigheidscomplex ontwikkeld worden.
Adolescentie (12-18 jaar): identiteit vs identiteitsverwarring.
De pubertijd is hét moment waarbij je jezelf leert vinden/ontdekken.
Je begint door te hebben wat je interesses zijn, dit is
identiteitsexploratie. Sommige mensen blijven hierin vast zitten en
dan komen we bij die identiteitsverwarring.
Jonge volwassenheid (18-30 jaar): intimiteit vs isolement.
Dit is de periode dat er vaak wordt doorgegaan naar het vinden van
een vaste partner, huwelijk, een huis kopen, etc. Het tegengestelde
is dan isolement, het niet hebben van deze zekerheid.
Volwassenheid (30-60 jaar): scheppend vs stagnatie.
We zitten hier bij het hebben van kinderen, rol van mentor
opnemen. Vanaf deze leeftijd moet je zogezegd iets hebben om
door te geven (levenswijsheid), heb je dit niet dan zit je bij
stagnatie.
Ouderdom (60+ jaar): ik-integriteit vs wanhoop.
Heb ik de juiste keuzes gemaakt, heb ik mijn leven voluit geleefd?
Heb ik dat niet dan zit je bij die wanhoop.
Behaviorisme – JOHN WATSON
= ontwikkeling in termen van observeerbaar gedrag & externe
stimuli die gedrag uitlokken
Geen levensfases
Kwantitatieve ontwikkeling
Inspiratie bij Pavlov -> klassieke conditionering
Klassieke conditionering: verklaart geen actief gedrag, automatisch
gedrag
Operante conditionering: BF Skinner ->gedrag aanleren door straffen
en belonen, individu passief, bepaalde stimulus leidt tot bepaald
gedrag, aangeleerd gedrag kan ook afgeleerd worden->
gedragsmodificatie
4