SAMENVATTING MOTORISCH
LEREN
HOC 1 : INLEIDING
ALGEMENE INFO EN AFSPRAKEN
~ HOC waar de theorie aan bod komt. De ppt en de slides zijn telkens beschikbaar.
~ Geen wpo’s met oefeningen voor 1BARE en ook geen cursus.
~ Mededelingen komen via canvas
~ Vragen stellen mag altijd.
~ Er bestaan ook Engelstalige handboeken
EXAMENVORM:
Schriftelijk THEORIE examen(telt voor 60% v/d totaalscore)
Combinatie van multiple choicevragen (~ hogere cesuur) & open vragen met een gelijkaardige aanpak voor:
○LUIK 1 (Januari): Psychomotoriek + Observatie (K. De Rocker)
○LUIK 2 (Juni): MOTORISCH LEREN (E. D’Hondt)
Op elk examenonderdeel, dient een minimum van 10/20 behaald te worden om het gewogen gemiddelde te
maken, zo niet telt het laagste punt als eindcijfer. Overdracht van deelcijfers gebeurt enkel op niveau van
Theorie / Stage.
ZELF Stage(telt voor 40% v/d totaalscore)
Zelfreflectie en verslag, gekoppeld aan de stage opdracht per semester
SITUERING VAN HET VAKGEBIED
Motorisch leren en psychomotorische ontwikkeling is een interdisciplinair vakgebied dat recent breed en
uiteenlopend is
bij de deelcomponenten van het vak stilstaan bij basisprincipes
ML : be/bij-sturing van de menselijke beweging (CZS een belangrijke rol speelt)
PMO : ontwikkeling van bewegende mens bekijken overheen de levensloop
Studie van beweging bij normale en gezonde mens
- Fysiologisch
- Sociologisch
- Gedragsniveau
Interactie tussen perceptie en actie
DEELCOMPONENT 1
Motorische controle
= Studie v/d onderliggende en interne processen die het (bij)sturen van doelgerichte en gecoördineerde
bewegingen mogelijk maken
aandacht : factoren die ons besturingsmechanisme(n) beïnvloeden.
1
, Vraag stellen: hoe het CZS werkt om de spieren en gewrichten met beweging optimaal te activeren en
te coördineren en wat de rol van zintuigelijke informatie daarbij is
Motorisch leren
= Studie v/h (her)verwerven van motorische vaardigheden, de verbetering v/d prestatie van wat reeds is
(aan)geleerd, én de variabelen die iemands vermogen om motorische acties bekwaam uit te voeren versterken
(of afremmen)
Inzicht krijgen in geheel van processen dat onder invloed van oefening en ervaring leiden tot relatief
permanente verandering in motorische gedragsmogelijkheden
Elke beweging die we doen word door een paradox gekenmerkt
(= als mens kunnen we goed motorisch handelen maar niet beseffen hoe we dat doen)
Vb: bal vangen
DEELCOMPONENT 2 motoriek
PSYCHOMOTORISCHE ONWIKKELING
= ontwikkeling vind plaats in meerdere domeinen
Gaan elkaar onderling beïnvloeden cognitief gedrag fysiek
De evolutie in de onderliggende processen en resulterend
motorisch gedrag in de hele levensjaren psycho-
sosiaal
( gekoppeld aan leeftijd maar niet worden door gedetermineerd) affectief
Niet iedereen bevat op dezelfde leeftijd dezelfde
motorische vaardigheden
= Studie v/h levenslang proces gerelateerd aan leeftijd () waarbij sequentieel (≠ lineair) en quasi continu
veranderingen in motorisch gedrag optreden, alsook van de op elkaar inwerkende factoren die daarbij een rol
spelen
VARIATIE = DE ENIGE CONSTANTE !
THEORETISCHE CONCEPTEN
De mens ontwikkeld zich
van een hulpeloze baby
tot een zelfstandig individu die beter doelgericht kan bewegen
Als mens kunnen we als mens onze bewegingen plannen, controleren en bijsturen. We kunnen leren
en verbeteren
MATURATIE EN RIJPINGSTHEORIE
focus op het individu
~ DNA genetische factoren
~ Rijping CZS interne factoren
( ontwikkeling word bepaald door de eigenschappen waarmee het geboren is en onder controle van het
centraal zenuwstelsel )
2
, Overgang naar een andere fase komt doordat het CZS er klaar voor is
Predeterminatie = ontwikkeling is vooraf bepaald door een interne biologische klok
geen invloeden van buitenaf
A. GESELL als voortrekker van deze theorie!
~ Groei & ontwikkeling cephalo-caudaal & proximo-distaal
~ Bewegingen enkelvoudig-samengesteld & totaal-lokaal
Maturatie en leren zijn andere facetten van het fundamenteel groeiproces
INFORMATIE-THEORETISCHE BENADERING
De mens beschouwen als een infoverwerkingssysteem
Vb: de mens als een computer waarbij het CZS een belangrijke rol speelt.
Onze hersenen ontvangen info en gaan via schema’s ons bewegingsapparaat in gang zetten om gepaste
bewegingen te uitvoeren
FOCUS: op de interne organisatie bij de persoon
STADIA:
1. Stimulus identificatie
De fase waarin we ons bewust worden waarin er een prikkel is en wat deze is.
( info in ons systeem dan:
~ Is er een stimulus = stimulus detectie
(helderheid van de stimulus en de intensiteit, patroonherkenning)
~ Waaruit bestaat de stimulus
2. Respons selectie
Op basis van de stimulus die we geïdentificeerd hebben word er een keuze gemaakt in termen van welk
motorisch antwoord het meest geschikt is een bepaalde situatie
Vb: bij rood licht ga je remmen
3. Respons programering
Als je gekozen hebt voor een motorisch antwoord moet je deze respons omzetten in:
- Wanneer
- Welke deelbeweging
- Welke spiergroepen
balangrijk voor het proces
!!! CZS is onmisbaar !!!
( altijd eerst interne processen gebeuren voor we motorisch kunnen handelen)
Programmeren = vastleggen van de beweging voor het kunnen opleggen van de motorische handelingen
3
, Bijsturing = als de behandeling bezig is kan je nog correcties gaan uitvoeren aan de motorische handeling
door nieuwe info die je systeem binnenkomt.
ECOLOGISCH PERSPECTIEF
individu
HET CONSTRAINTS MODEL
= elke vorm van bewegingsgedrag is het resultaat van de interactie tussen
3 componenten
Vb: iemand is aan het lopen ( in he hoofd voorbeelden)
- Persoon die je voor u ziet is afhankelijk hoe die loopt
- De ondergrond zal effect hebben op het loopgedrag omgeving taak
- Er zullen verschillen zijn in functie van de taak
Verschillende niveaus
INDIVIDU
○ Structurele Cs : hebben betrekking op iemands unieke set van neurologische en morfologische
kenmerken.
Deze veranderen gelijdelijk aan
○ Functionele Cs : aandacht, motivatie en vermoeidheid ( deze zijn psychologisch van aard)
deze kunnen veranderlijk wijziging
OMGEVING
○ Fysische Cs : Fz, licht, textuur, temperatuur…
○ Socio-culturele Cs : aanmoedigingen, verwachtingen, leefomstandigheden….
TAAK: doel, expliciete regels, materiaal,…
Deze componenten moet je samen nemen
Directe PERCEPTIE –ACTIE koppeling! (~ GIBSON) = bij een waarneming al direct weten wat de actie ervan is
ZELFORGANISATIE op perifeer niveau (~BERNSTEIN) = onbewuste sturing zonder het CZS ertussen komt
INLEIDENDE BEGRIPPEN
BEWEGING
= een essentieel onderdeel van ons leven is en we kunnen er op verschillende manieren naar kijken en het op
verschillende manieren gaan indelen
Onderscheid tussen
Reflexen = meest elementaire bewegingen (zeer snel, onvrijwillig, zeer stereotiep en zonder hulp van
het CZS. Op 1 stimulus zal er steeds eenzelfde reflex gaan optreden vb: patellapeesreflex
vanaf de geboorte heb je veel reflexen maar deze zullen verdwijnen doorheen de levensjaren
Automatismen = de bewegingsuitvoering gebeurt automatisch. Je moet er niet echt bij nadenken.
bij eenvoudige cyclische bewegingen die repetitief zijn en weinig variatie hebben vb: wandelen
Willekeurige bewegingen = worden vooraf gegaan door een bewuste intentie. Je wil een bepaalde
handeling uitvoeren en sturen. Deze kunnen wijzigen door leer en oefenprocessen
hoe meer je deze beheert hoe makkelijker en bij het oefenen heb je veel energie nodig vb salto
(Aan)geleerde bewegingen => VAARDIGHEDEN (~“skills”) (vb. in alle sporten / contexten)
4
LEREN
HOC 1 : INLEIDING
ALGEMENE INFO EN AFSPRAKEN
~ HOC waar de theorie aan bod komt. De ppt en de slides zijn telkens beschikbaar.
~ Geen wpo’s met oefeningen voor 1BARE en ook geen cursus.
~ Mededelingen komen via canvas
~ Vragen stellen mag altijd.
~ Er bestaan ook Engelstalige handboeken
EXAMENVORM:
Schriftelijk THEORIE examen(telt voor 60% v/d totaalscore)
Combinatie van multiple choicevragen (~ hogere cesuur) & open vragen met een gelijkaardige aanpak voor:
○LUIK 1 (Januari): Psychomotoriek + Observatie (K. De Rocker)
○LUIK 2 (Juni): MOTORISCH LEREN (E. D’Hondt)
Op elk examenonderdeel, dient een minimum van 10/20 behaald te worden om het gewogen gemiddelde te
maken, zo niet telt het laagste punt als eindcijfer. Overdracht van deelcijfers gebeurt enkel op niveau van
Theorie / Stage.
ZELF Stage(telt voor 40% v/d totaalscore)
Zelfreflectie en verslag, gekoppeld aan de stage opdracht per semester
SITUERING VAN HET VAKGEBIED
Motorisch leren en psychomotorische ontwikkeling is een interdisciplinair vakgebied dat recent breed en
uiteenlopend is
bij de deelcomponenten van het vak stilstaan bij basisprincipes
ML : be/bij-sturing van de menselijke beweging (CZS een belangrijke rol speelt)
PMO : ontwikkeling van bewegende mens bekijken overheen de levensloop
Studie van beweging bij normale en gezonde mens
- Fysiologisch
- Sociologisch
- Gedragsniveau
Interactie tussen perceptie en actie
DEELCOMPONENT 1
Motorische controle
= Studie v/d onderliggende en interne processen die het (bij)sturen van doelgerichte en gecoördineerde
bewegingen mogelijk maken
aandacht : factoren die ons besturingsmechanisme(n) beïnvloeden.
1
, Vraag stellen: hoe het CZS werkt om de spieren en gewrichten met beweging optimaal te activeren en
te coördineren en wat de rol van zintuigelijke informatie daarbij is
Motorisch leren
= Studie v/h (her)verwerven van motorische vaardigheden, de verbetering v/d prestatie van wat reeds is
(aan)geleerd, én de variabelen die iemands vermogen om motorische acties bekwaam uit te voeren versterken
(of afremmen)
Inzicht krijgen in geheel van processen dat onder invloed van oefening en ervaring leiden tot relatief
permanente verandering in motorische gedragsmogelijkheden
Elke beweging die we doen word door een paradox gekenmerkt
(= als mens kunnen we goed motorisch handelen maar niet beseffen hoe we dat doen)
Vb: bal vangen
DEELCOMPONENT 2 motoriek
PSYCHOMOTORISCHE ONWIKKELING
= ontwikkeling vind plaats in meerdere domeinen
Gaan elkaar onderling beïnvloeden cognitief gedrag fysiek
De evolutie in de onderliggende processen en resulterend
motorisch gedrag in de hele levensjaren psycho-
sosiaal
( gekoppeld aan leeftijd maar niet worden door gedetermineerd) affectief
Niet iedereen bevat op dezelfde leeftijd dezelfde
motorische vaardigheden
= Studie v/h levenslang proces gerelateerd aan leeftijd () waarbij sequentieel (≠ lineair) en quasi continu
veranderingen in motorisch gedrag optreden, alsook van de op elkaar inwerkende factoren die daarbij een rol
spelen
VARIATIE = DE ENIGE CONSTANTE !
THEORETISCHE CONCEPTEN
De mens ontwikkeld zich
van een hulpeloze baby
tot een zelfstandig individu die beter doelgericht kan bewegen
Als mens kunnen we als mens onze bewegingen plannen, controleren en bijsturen. We kunnen leren
en verbeteren
MATURATIE EN RIJPINGSTHEORIE
focus op het individu
~ DNA genetische factoren
~ Rijping CZS interne factoren
( ontwikkeling word bepaald door de eigenschappen waarmee het geboren is en onder controle van het
centraal zenuwstelsel )
2
, Overgang naar een andere fase komt doordat het CZS er klaar voor is
Predeterminatie = ontwikkeling is vooraf bepaald door een interne biologische klok
geen invloeden van buitenaf
A. GESELL als voortrekker van deze theorie!
~ Groei & ontwikkeling cephalo-caudaal & proximo-distaal
~ Bewegingen enkelvoudig-samengesteld & totaal-lokaal
Maturatie en leren zijn andere facetten van het fundamenteel groeiproces
INFORMATIE-THEORETISCHE BENADERING
De mens beschouwen als een infoverwerkingssysteem
Vb: de mens als een computer waarbij het CZS een belangrijke rol speelt.
Onze hersenen ontvangen info en gaan via schema’s ons bewegingsapparaat in gang zetten om gepaste
bewegingen te uitvoeren
FOCUS: op de interne organisatie bij de persoon
STADIA:
1. Stimulus identificatie
De fase waarin we ons bewust worden waarin er een prikkel is en wat deze is.
( info in ons systeem dan:
~ Is er een stimulus = stimulus detectie
(helderheid van de stimulus en de intensiteit, patroonherkenning)
~ Waaruit bestaat de stimulus
2. Respons selectie
Op basis van de stimulus die we geïdentificeerd hebben word er een keuze gemaakt in termen van welk
motorisch antwoord het meest geschikt is een bepaalde situatie
Vb: bij rood licht ga je remmen
3. Respons programering
Als je gekozen hebt voor een motorisch antwoord moet je deze respons omzetten in:
- Wanneer
- Welke deelbeweging
- Welke spiergroepen
balangrijk voor het proces
!!! CZS is onmisbaar !!!
( altijd eerst interne processen gebeuren voor we motorisch kunnen handelen)
Programmeren = vastleggen van de beweging voor het kunnen opleggen van de motorische handelingen
3
, Bijsturing = als de behandeling bezig is kan je nog correcties gaan uitvoeren aan de motorische handeling
door nieuwe info die je systeem binnenkomt.
ECOLOGISCH PERSPECTIEF
individu
HET CONSTRAINTS MODEL
= elke vorm van bewegingsgedrag is het resultaat van de interactie tussen
3 componenten
Vb: iemand is aan het lopen ( in he hoofd voorbeelden)
- Persoon die je voor u ziet is afhankelijk hoe die loopt
- De ondergrond zal effect hebben op het loopgedrag omgeving taak
- Er zullen verschillen zijn in functie van de taak
Verschillende niveaus
INDIVIDU
○ Structurele Cs : hebben betrekking op iemands unieke set van neurologische en morfologische
kenmerken.
Deze veranderen gelijdelijk aan
○ Functionele Cs : aandacht, motivatie en vermoeidheid ( deze zijn psychologisch van aard)
deze kunnen veranderlijk wijziging
OMGEVING
○ Fysische Cs : Fz, licht, textuur, temperatuur…
○ Socio-culturele Cs : aanmoedigingen, verwachtingen, leefomstandigheden….
TAAK: doel, expliciete regels, materiaal,…
Deze componenten moet je samen nemen
Directe PERCEPTIE –ACTIE koppeling! (~ GIBSON) = bij een waarneming al direct weten wat de actie ervan is
ZELFORGANISATIE op perifeer niveau (~BERNSTEIN) = onbewuste sturing zonder het CZS ertussen komt
INLEIDENDE BEGRIPPEN
BEWEGING
= een essentieel onderdeel van ons leven is en we kunnen er op verschillende manieren naar kijken en het op
verschillende manieren gaan indelen
Onderscheid tussen
Reflexen = meest elementaire bewegingen (zeer snel, onvrijwillig, zeer stereotiep en zonder hulp van
het CZS. Op 1 stimulus zal er steeds eenzelfde reflex gaan optreden vb: patellapeesreflex
vanaf de geboorte heb je veel reflexen maar deze zullen verdwijnen doorheen de levensjaren
Automatismen = de bewegingsuitvoering gebeurt automatisch. Je moet er niet echt bij nadenken.
bij eenvoudige cyclische bewegingen die repetitief zijn en weinig variatie hebben vb: wandelen
Willekeurige bewegingen = worden vooraf gegaan door een bewuste intentie. Je wil een bepaalde
handeling uitvoeren en sturen. Deze kunnen wijzigen door leer en oefenprocessen
hoe meer je deze beheert hoe makkelijker en bij het oefenen heb je veel energie nodig vb salto
(Aan)geleerde bewegingen => VAARDIGHEDEN (~“skills”) (vb. in alle sporten / contexten)
4