Kijken naar LLN – waarnemen en observeren
DEEL I - DE BEGINSITUATIE
1. WAT IS DE BEGINSITUATIE?
DE BEGINSITUATIE = alles wat je weet van het kind: leerling kenmerken, onderwijs kenmerken,
omgevingskenmerken, …
• Elk kind is uniek → kinderen verschillen van elkaar
• Kinderen dagen de school uit → differentiatie (aanbod aanpassen aan wat ze in hun mars hebben) →
vertrek vanuit vaststellingen dat leerlingen verschillen van elkaar = beginsituatie in kaart brengen
• Leerlingen sterker motiveren → eigen mogelijkheden kunnen verwerken (→ meer betrokkenheid, meer
motivatie)
• Handelen van leerkracht en leeromgeving → voortdurend afstemmen op wat leerlingen nodig hebben om
te ontwikkelen (proberen door te hebben wat er omgaat in de leerling, probeer onder hun huid te kruipen)
• Omgeving scheppen waarin LLN volop kansen krijgen
• Essentieel voor een goede leerkracht → juiste informatie verzamelen over de LLN
2. HET BELANG VAN DE BEGINS ITUATIE
• Begeleiden van leerprocessen
- Leerling voelt zich goed in zijn vel
- Leerling is gemotiveerd → wanneer ze zich gewaardeerd voelen, sociale verbondenhied en relatie
leerling – leerkracht en kinderen onderlig = cruciaal
- Zich bekwaam voelen (‘ik kan iets’, ‘ik voel dat ik iets kan’)
- Leerling voelt zich competent → hangt samen met de mindset (zelf invloed uitoefenen op wat ze
kunnen doen)
• Weten waar het kind staat in zijn ontwikkeling en hoe het leert → daarop verder bouwen
3. ELEMENTEN VAN DE BEGINSITUATIE
• Gedifferentieerd werken → individugerichte focus (beginsituatie van het individuele kind) en de
groepsgerichte focus (beginsituatie van de klasgroep)
• Beginsituatie in kaart brengen → noteer wat de leerling kan en wat hij nodig heeft (= leerlinggerichte kant)
en de leerlijnen (leerstofgerichte kant)
• Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky)
- Hoe belangrijk de voorkennis van LLN is
- Onderscheid tussen 2 beginsituaties
1. Actuele beginsituatie = slaat op wat het kind kan zonder hulp
2. Toegekomstige beginsituatie = slaat op wat het kind onder begeleiding kan (synoniem voor
zone van de naaste ontwikkeling)
- Voorbeeldvragen:
Hoe denkt, voelt en handelt dit kind?
In welke omstandigheden groeit dit kind op?
Hoe functioneert dit kind in groep (thuis, op school, op straat, …)
Welke mogelijkheiden en beperkingen zijn er?
…
1
,Kijken naar LLN – waarnemen en observeren
DEEL II - OBSERVEREN
INLEIDING
• Alles hangt af van de intensiteit en de bedoeling waarmee men iets of iemand ‘bekijkt’
OBSERVATIE = belangrijke methode om gegeven te verzamelen en kennis te verwerven
• Essentiële kwaliteiten van een leraar → juiste informatie verzamelen over de kinderen waar ze mee
werken
• Moeilijkheid → onderscheid maken tussen wat je spontaan denkt en wat zich werkelijk voortdoet
• Leren observeren
1. WAARNEMEN
WAARNEMEN = resultaat van een (meestal onbewust) subjectief selectieproces
- Selecteren wat je op de voorgrond toelaat
- Meer bewust zijn van nieuwe of opvallende prikkels
- Onbewust → spontaan op basis van voorkennis en context
- Subjectief → vanzelfsprekend
• Waarnemen → iets opmerken van 1 of meerdere van je 5 zintuigen
- Horen
- Zien
- Ruiken
- Proeven
- Voelen
• Verschil waarnemen en observeren
- WAARNEMEN = SUBJECTIEF EN ONBEWUST
- OBSERVEREN = BEWUST UIT BEPAALDE OPDRACHTEN
2. OBSERVEREN
2.1. WAT IS OBSERVEREN?
OBSERVEREN = gaat over verwonderen, openstaan, je laten raken en begrijpen wat kinderen beweegt
- Bijzondere vorm van waarnemen:
Doelgerichte activiteit → objectief en doelgericht waarnemen van gedrag in context. Vanuit een doel
met een plan
- Bepaal vooraf:
Wat je te weten wil komen;
Wat je daartoe wil waarnemen (welke personen, welke situaties, …)
Wanneer je dat gaat doen;
Hoe je dat organiseert;
Waar je dan best kunt zitten;
Hoe je je waarnemingen het best kunt vastleggen
• Observeren doe je nooit toevallig, waarnemen wel
2
, Kijken naar LLN – waarnemen en observeren
• Essentie observeren → eerst gegevens verzamelen, geen interpretaties toelaten
• Observeren → manier van gegevens verzamelen door middel van een vraag waarop je antwoorden wilt
• Even in de klas kijken is NIET observeren (het is waarnemen)
2.2. WAAROM OBSERVEERT DE LERAAR?
• De taak van de leerkracht om een kind in goed beeld te brengen
- 2 aspecten spelen hierbij belangrijke rol (hiermee houdt de leraar rekening):
overeenkomsten tussen de kinderen;
verschillen tussen de kinderen bij de pedagogische benadering en didactische aanpak
• Elk kind is uniek, MAAR de uniciteit (uniek zijn) maakt het niet makkelijker om te observeren
• Op de verschillen en gelijkenissen van de leerling stemt de leraar het leer aanbod af
• Kern en doel van observeren:
- Gemeenschappelijke kenmerken signaleren
- Waarnemen in welke mate er sprake is van afwijkend zijn van de gangbare ontwikkeling
- Kwaliteit van het onderwijs verhogen → effectiever inspelen op de onderwijsbehoeften van LLN
• Observeren → een vorm van volgen met de bedoeling gegevens te verzamelen
• Observeren is doelgericht
• Observeren heeft alleen zin als je weet wat je ziet → vakinhoudelijke en vakdidactische kennis
- Het gaat systematisch
• Weten hoe te handelen → om invloed op het leren van de LLN uit te oefenen
• Oprecht nieuwsgierigheid als leraar hebben hoe de leerling denkt
• Belang van observeren
- Hulpmiddel om iets of iemand beter te leren kennen en als voorbereiding op latere doeleinden
- Een belangrijke inspiratiebron voor hun begeleiding
- Hulpmiddel om zicht te krijgen op eigen talenten en werkpunten
2.3. SOORTEN OBSERVATIE
• Observatie indelen in 2 hoofdvormen:
- Open observatie (ongestructureerde observatie)
- Gerichte observatie (gestructureerde observatie)
PARTICIPERENDE OBSERVATIE
• Participerende observatie = de observator is zelf betrokken binnen de context van de observatie (bv:
spelen met het kind dat je observeert)
• NADEEL → observator kan invloed uitoefenen op het gedrag van het geobserveerde kind
• Belangrijkste vorm van observeren
NIET-PARTICIPERENDE OBSERVATIE
• Observator gaat niet in interactie met geobserveerde kind
• Staat buiten de geobserveerde situatie
- Onopvallend aanwezig zijn in de klas, speelplaats, …
3
DEEL I - DE BEGINSITUATIE
1. WAT IS DE BEGINSITUATIE?
DE BEGINSITUATIE = alles wat je weet van het kind: leerling kenmerken, onderwijs kenmerken,
omgevingskenmerken, …
• Elk kind is uniek → kinderen verschillen van elkaar
• Kinderen dagen de school uit → differentiatie (aanbod aanpassen aan wat ze in hun mars hebben) →
vertrek vanuit vaststellingen dat leerlingen verschillen van elkaar = beginsituatie in kaart brengen
• Leerlingen sterker motiveren → eigen mogelijkheden kunnen verwerken (→ meer betrokkenheid, meer
motivatie)
• Handelen van leerkracht en leeromgeving → voortdurend afstemmen op wat leerlingen nodig hebben om
te ontwikkelen (proberen door te hebben wat er omgaat in de leerling, probeer onder hun huid te kruipen)
• Omgeving scheppen waarin LLN volop kansen krijgen
• Essentieel voor een goede leerkracht → juiste informatie verzamelen over de LLN
2. HET BELANG VAN DE BEGINS ITUATIE
• Begeleiden van leerprocessen
- Leerling voelt zich goed in zijn vel
- Leerling is gemotiveerd → wanneer ze zich gewaardeerd voelen, sociale verbondenhied en relatie
leerling – leerkracht en kinderen onderlig = cruciaal
- Zich bekwaam voelen (‘ik kan iets’, ‘ik voel dat ik iets kan’)
- Leerling voelt zich competent → hangt samen met de mindset (zelf invloed uitoefenen op wat ze
kunnen doen)
• Weten waar het kind staat in zijn ontwikkeling en hoe het leert → daarop verder bouwen
3. ELEMENTEN VAN DE BEGINSITUATIE
• Gedifferentieerd werken → individugerichte focus (beginsituatie van het individuele kind) en de
groepsgerichte focus (beginsituatie van de klasgroep)
• Beginsituatie in kaart brengen → noteer wat de leerling kan en wat hij nodig heeft (= leerlinggerichte kant)
en de leerlijnen (leerstofgerichte kant)
• Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky)
- Hoe belangrijk de voorkennis van LLN is
- Onderscheid tussen 2 beginsituaties
1. Actuele beginsituatie = slaat op wat het kind kan zonder hulp
2. Toegekomstige beginsituatie = slaat op wat het kind onder begeleiding kan (synoniem voor
zone van de naaste ontwikkeling)
- Voorbeeldvragen:
Hoe denkt, voelt en handelt dit kind?
In welke omstandigheden groeit dit kind op?
Hoe functioneert dit kind in groep (thuis, op school, op straat, …)
Welke mogelijkheiden en beperkingen zijn er?
…
1
,Kijken naar LLN – waarnemen en observeren
DEEL II - OBSERVEREN
INLEIDING
• Alles hangt af van de intensiteit en de bedoeling waarmee men iets of iemand ‘bekijkt’
OBSERVATIE = belangrijke methode om gegeven te verzamelen en kennis te verwerven
• Essentiële kwaliteiten van een leraar → juiste informatie verzamelen over de kinderen waar ze mee
werken
• Moeilijkheid → onderscheid maken tussen wat je spontaan denkt en wat zich werkelijk voortdoet
• Leren observeren
1. WAARNEMEN
WAARNEMEN = resultaat van een (meestal onbewust) subjectief selectieproces
- Selecteren wat je op de voorgrond toelaat
- Meer bewust zijn van nieuwe of opvallende prikkels
- Onbewust → spontaan op basis van voorkennis en context
- Subjectief → vanzelfsprekend
• Waarnemen → iets opmerken van 1 of meerdere van je 5 zintuigen
- Horen
- Zien
- Ruiken
- Proeven
- Voelen
• Verschil waarnemen en observeren
- WAARNEMEN = SUBJECTIEF EN ONBEWUST
- OBSERVEREN = BEWUST UIT BEPAALDE OPDRACHTEN
2. OBSERVEREN
2.1. WAT IS OBSERVEREN?
OBSERVEREN = gaat over verwonderen, openstaan, je laten raken en begrijpen wat kinderen beweegt
- Bijzondere vorm van waarnemen:
Doelgerichte activiteit → objectief en doelgericht waarnemen van gedrag in context. Vanuit een doel
met een plan
- Bepaal vooraf:
Wat je te weten wil komen;
Wat je daartoe wil waarnemen (welke personen, welke situaties, …)
Wanneer je dat gaat doen;
Hoe je dat organiseert;
Waar je dan best kunt zitten;
Hoe je je waarnemingen het best kunt vastleggen
• Observeren doe je nooit toevallig, waarnemen wel
2
, Kijken naar LLN – waarnemen en observeren
• Essentie observeren → eerst gegevens verzamelen, geen interpretaties toelaten
• Observeren → manier van gegevens verzamelen door middel van een vraag waarop je antwoorden wilt
• Even in de klas kijken is NIET observeren (het is waarnemen)
2.2. WAAROM OBSERVEERT DE LERAAR?
• De taak van de leerkracht om een kind in goed beeld te brengen
- 2 aspecten spelen hierbij belangrijke rol (hiermee houdt de leraar rekening):
overeenkomsten tussen de kinderen;
verschillen tussen de kinderen bij de pedagogische benadering en didactische aanpak
• Elk kind is uniek, MAAR de uniciteit (uniek zijn) maakt het niet makkelijker om te observeren
• Op de verschillen en gelijkenissen van de leerling stemt de leraar het leer aanbod af
• Kern en doel van observeren:
- Gemeenschappelijke kenmerken signaleren
- Waarnemen in welke mate er sprake is van afwijkend zijn van de gangbare ontwikkeling
- Kwaliteit van het onderwijs verhogen → effectiever inspelen op de onderwijsbehoeften van LLN
• Observeren → een vorm van volgen met de bedoeling gegevens te verzamelen
• Observeren is doelgericht
• Observeren heeft alleen zin als je weet wat je ziet → vakinhoudelijke en vakdidactische kennis
- Het gaat systematisch
• Weten hoe te handelen → om invloed op het leren van de LLN uit te oefenen
• Oprecht nieuwsgierigheid als leraar hebben hoe de leerling denkt
• Belang van observeren
- Hulpmiddel om iets of iemand beter te leren kennen en als voorbereiding op latere doeleinden
- Een belangrijke inspiratiebron voor hun begeleiding
- Hulpmiddel om zicht te krijgen op eigen talenten en werkpunten
2.3. SOORTEN OBSERVATIE
• Observatie indelen in 2 hoofdvormen:
- Open observatie (ongestructureerde observatie)
- Gerichte observatie (gestructureerde observatie)
PARTICIPERENDE OBSERVATIE
• Participerende observatie = de observator is zelf betrokken binnen de context van de observatie (bv:
spelen met het kind dat je observeert)
• NADEEL → observator kan invloed uitoefenen op het gedrag van het geobserveerde kind
• Belangrijkste vorm van observeren
NIET-PARTICIPERENDE OBSERVATIE
• Observator gaat niet in interactie met geobserveerde kind
• Staat buiten de geobserveerde situatie
- Onopvallend aanwezig zijn in de klas, speelplaats, …
3