ANGSTSTOORNISSEN, DWANGSTOORNISSEN, TRAUMA- EN
STRESSGERELATEERDE STOORNISSEN
4.1 ANGSTSTOORNISSEN
4.1.1 INLEIDING
• Angst = een onaangename emotie, die optreedt wanneer mensen een situatie als
bedreigend ervaren
Ø Evolutionair: normale reactie (fight-or- flight reactie of zich doodstil
houden)
Ø Behoort bij het normale leven
Ø Alarmfunctie / beschermende functie
Ø Stimulerende functie
Ø Bestaat uit 3 componenten (Sanders-Woudstra, 1996, pp. 261-262)
Ø Psychologisch:
Ø affect (gevoel van angst, vrees of zorg)
Ø cognitie (idee dood te zullen gaan of gek te worden bij
paniekaanval)
Ø Motorisch:
Ø tremoren, hyperaciviteit, hyperreagibiliteit (overmatig
reageren op prikkels, schrikachtig gedrag)
Ø Fysiologisch:
Ø verhoogde hartslag, versneld ademhalen, zweten of andere
huidreacties, polyurie
Bij dreigend gevaar:
• Amygdala (< limbische structuren) (zie ook volgende dia: ter info)
Ø Toekennen van emotionele betekenis aan alles wat we waarnemen
Ø Activeert de verschillende stresssystemen
Ø Noradrenaline brengt lichaam in verhoogde staat van paraatheid
Ø Versnelde ademhaling en hartslag, gespannen spieren,
trillen, bleek gelaat, misselijkheid
Ø Iedereen uit zijn angst op eigen wijze
Ø De ervaring wordt opgeslagen in het geheugen -> volgende keer
adequater reageren op een bedreiging
, • Prefrontale cortex
Ø Dooft aangeleerde angstreactie uit
Reële angst = angstreactie op een werkelijk bedreigende situatie
• Positieve angst is stimulerend: aandacht en waakzaamheid↑
• Te sterke angst werkt verlammend: prestaties en concentratie↓
• Angstig persoon let zeer selectief op mogelijke bedreigende signalen
Ø Illusie = vervorming van de waarneming
= verkeerde interpreteren van bep. zintuiglijke prikkels door angst
• Groot scala van angstbelevingen: van amper voelbare, onrustige gespannenheid
tot paniek (alles overweldigende angst)
• Angst versus vrees
Ø Angst: meer algemeen karakter
Ø Vrees: gericht op een bepaald object + concrete inhoud (vb: watervrees)
• Verschillende vormen:
Ø Situationele angst
Ø Anticipatieangst / verwachtingsangst
Ø Gegeneraliseerde / veralgemeende angst
Ø Paniek
4.1.2 ANGST EN ANGSTSTOORNISSEN
• Pathologische angst = als een begrijpelijke aanleiding ontbreekt en iemand
reageert veelvuldig en/of uitzonderlijk angstig
• Angst kan als symptoom deel uitmaken van verschillende psychische stoornissen
(secundaire angst)
Ø Delier
Ø Psychose (beangstigende hallucinaties of wanen)
Ø Drugs (‘bad trip’)
Ø Depressies
Ø Bij stoppen met langdurig gebruik van alcohol of psychofarmaca
• Als de pathologische angst
, Ø geen onderdeel van een dergelijke psychische stoornis is of niet
toegeschreven kan worden aan een lichamelijke aandoening
Ø Primaire angst, i.e. angst als hoofdkenmerk van een afzonderlijke
groep syndromen → de angststoornissen
Ø (Ter info: DSM-5: angst moet minstens 6 maanden aanwezig zijn)
Verschillen en overeenkomsten tussen stoornissen waarbij angst en spanning
een grote rol spelen (van Deth, 2019, tabel 9.1., p. 189)
Paniekstoornis Gegeneraliseerde Ziekteangststoorni Depressieve stoornis
angststoornis s
lichamelij Benauwdheid, Benauwdheid, Geen of hoogstens Soms allerlei klachten
k hartkloppingen, hartkloppingen, lichte symptomen
zweten, e.d. zweten, e.d.
gedrag Soms vermijding Vermijding niet Vermijdingsgedrag in Besluiteloosheid,
van specifieke gebonden aan verband met angst passiviteit, huilbuien,
situaties specifieke situaties voor ziekte, vertraagde bewegingen
geruststelling zoeken
psychisch Paniekerig, angst Snel angstig, Aanhoudende angst Zelfverwijt,
voor paniekaanval, piekeren over voor of overtuiging besluiteloosheid,
angst om dood te alledaagse zaken van ernstige ziekte vertraagd denken,
gaan, ziek of gek te somberheid
worden
Voorkomen
• 15 à 20% van de bevolking krijgt er ooit last van
Ø Beperkt aantal zoekt professionele hulp
Ø Velen schamen zich voor hun angst of weten door vermijdingsgedrag in het
dagelijkse leven de hevigste angst te ontlopen
• Het meest tussen 25 en 45 jaar
• Vaker bij vrouwen dan bij mannen
Verschillende factoren spelen in meer/mindere mate een rol (van Deth, 2019, p.
188)
, Ø Biologische factoren
Ø genetische kwetsbaarheid, neurobiologische afwijkingen en aangeboren
angstgevoeligheid
Ø hyperactieve amygdala en hypoactieve prefrontale cortex
Ø Psychologische factoren
Ø traumatische (jeugd)ervaringen en sociaal isolement
Ø Sociale factoren
Ø gezinssituatie, opvoeding, geringe sociale vaardigheden en gepest worden
Gedragspatronen die angst kunnen versterken of in stand houden zijn:
Ø het onderdrukken of vermijden van de angst
Ø blijven piekeren
Verloop
= heel wisselend: van geheel herstel na behandeling tot terugval
4.1.3 FOBIEËN EN SOCIALE ANGSTEN
4.1.3.1 SPECIFIEKE FOBIE
Kenmerken
• “Een hevige, onredelijke angst voor een bepaald object of situatie, die
daarom zoveel mogelijk vermeden wordt. De hevige angstreactie staat niet in
verhouding tot de werkelijke dreiging” (van Deth, 2019, p. 189)
Ø Fobie = angst + vermijdingsgedrag
Ø Lichamelijke angstklachten worden niet toegeschreven aan een mogelijke
lichamelijke aandoening
Ø Overschatten het werkelijke gevaar
Ø Ernstige belemmering van het normale functioneren
Ø Patiënten beseffen de onredelijkheid van hun angst en vermijdingsgedrag
Voorkomen
• Ongeveer 9% van de bevolking
• Vaker bij vrouwen dan mannen
Verklaring
• Psychoanalytisch
STRESSGERELATEERDE STOORNISSEN
4.1 ANGSTSTOORNISSEN
4.1.1 INLEIDING
• Angst = een onaangename emotie, die optreedt wanneer mensen een situatie als
bedreigend ervaren
Ø Evolutionair: normale reactie (fight-or- flight reactie of zich doodstil
houden)
Ø Behoort bij het normale leven
Ø Alarmfunctie / beschermende functie
Ø Stimulerende functie
Ø Bestaat uit 3 componenten (Sanders-Woudstra, 1996, pp. 261-262)
Ø Psychologisch:
Ø affect (gevoel van angst, vrees of zorg)
Ø cognitie (idee dood te zullen gaan of gek te worden bij
paniekaanval)
Ø Motorisch:
Ø tremoren, hyperaciviteit, hyperreagibiliteit (overmatig
reageren op prikkels, schrikachtig gedrag)
Ø Fysiologisch:
Ø verhoogde hartslag, versneld ademhalen, zweten of andere
huidreacties, polyurie
Bij dreigend gevaar:
• Amygdala (< limbische structuren) (zie ook volgende dia: ter info)
Ø Toekennen van emotionele betekenis aan alles wat we waarnemen
Ø Activeert de verschillende stresssystemen
Ø Noradrenaline brengt lichaam in verhoogde staat van paraatheid
Ø Versnelde ademhaling en hartslag, gespannen spieren,
trillen, bleek gelaat, misselijkheid
Ø Iedereen uit zijn angst op eigen wijze
Ø De ervaring wordt opgeslagen in het geheugen -> volgende keer
adequater reageren op een bedreiging
, • Prefrontale cortex
Ø Dooft aangeleerde angstreactie uit
Reële angst = angstreactie op een werkelijk bedreigende situatie
• Positieve angst is stimulerend: aandacht en waakzaamheid↑
• Te sterke angst werkt verlammend: prestaties en concentratie↓
• Angstig persoon let zeer selectief op mogelijke bedreigende signalen
Ø Illusie = vervorming van de waarneming
= verkeerde interpreteren van bep. zintuiglijke prikkels door angst
• Groot scala van angstbelevingen: van amper voelbare, onrustige gespannenheid
tot paniek (alles overweldigende angst)
• Angst versus vrees
Ø Angst: meer algemeen karakter
Ø Vrees: gericht op een bepaald object + concrete inhoud (vb: watervrees)
• Verschillende vormen:
Ø Situationele angst
Ø Anticipatieangst / verwachtingsangst
Ø Gegeneraliseerde / veralgemeende angst
Ø Paniek
4.1.2 ANGST EN ANGSTSTOORNISSEN
• Pathologische angst = als een begrijpelijke aanleiding ontbreekt en iemand
reageert veelvuldig en/of uitzonderlijk angstig
• Angst kan als symptoom deel uitmaken van verschillende psychische stoornissen
(secundaire angst)
Ø Delier
Ø Psychose (beangstigende hallucinaties of wanen)
Ø Drugs (‘bad trip’)
Ø Depressies
Ø Bij stoppen met langdurig gebruik van alcohol of psychofarmaca
• Als de pathologische angst
, Ø geen onderdeel van een dergelijke psychische stoornis is of niet
toegeschreven kan worden aan een lichamelijke aandoening
Ø Primaire angst, i.e. angst als hoofdkenmerk van een afzonderlijke
groep syndromen → de angststoornissen
Ø (Ter info: DSM-5: angst moet minstens 6 maanden aanwezig zijn)
Verschillen en overeenkomsten tussen stoornissen waarbij angst en spanning
een grote rol spelen (van Deth, 2019, tabel 9.1., p. 189)
Paniekstoornis Gegeneraliseerde Ziekteangststoorni Depressieve stoornis
angststoornis s
lichamelij Benauwdheid, Benauwdheid, Geen of hoogstens Soms allerlei klachten
k hartkloppingen, hartkloppingen, lichte symptomen
zweten, e.d. zweten, e.d.
gedrag Soms vermijding Vermijding niet Vermijdingsgedrag in Besluiteloosheid,
van specifieke gebonden aan verband met angst passiviteit, huilbuien,
situaties specifieke situaties voor ziekte, vertraagde bewegingen
geruststelling zoeken
psychisch Paniekerig, angst Snel angstig, Aanhoudende angst Zelfverwijt,
voor paniekaanval, piekeren over voor of overtuiging besluiteloosheid,
angst om dood te alledaagse zaken van ernstige ziekte vertraagd denken,
gaan, ziek of gek te somberheid
worden
Voorkomen
• 15 à 20% van de bevolking krijgt er ooit last van
Ø Beperkt aantal zoekt professionele hulp
Ø Velen schamen zich voor hun angst of weten door vermijdingsgedrag in het
dagelijkse leven de hevigste angst te ontlopen
• Het meest tussen 25 en 45 jaar
• Vaker bij vrouwen dan bij mannen
Verschillende factoren spelen in meer/mindere mate een rol (van Deth, 2019, p.
188)
, Ø Biologische factoren
Ø genetische kwetsbaarheid, neurobiologische afwijkingen en aangeboren
angstgevoeligheid
Ø hyperactieve amygdala en hypoactieve prefrontale cortex
Ø Psychologische factoren
Ø traumatische (jeugd)ervaringen en sociaal isolement
Ø Sociale factoren
Ø gezinssituatie, opvoeding, geringe sociale vaardigheden en gepest worden
Gedragspatronen die angst kunnen versterken of in stand houden zijn:
Ø het onderdrukken of vermijden van de angst
Ø blijven piekeren
Verloop
= heel wisselend: van geheel herstel na behandeling tot terugval
4.1.3 FOBIEËN EN SOCIALE ANGSTEN
4.1.3.1 SPECIFIEKE FOBIE
Kenmerken
• “Een hevige, onredelijke angst voor een bepaald object of situatie, die
daarom zoveel mogelijk vermeden wordt. De hevige angstreactie staat niet in
verhouding tot de werkelijke dreiging” (van Deth, 2019, p. 189)
Ø Fobie = angst + vermijdingsgedrag
Ø Lichamelijke angstklachten worden niet toegeschreven aan een mogelijke
lichamelijke aandoening
Ø Overschatten het werkelijke gevaar
Ø Ernstige belemmering van het normale functioneren
Ø Patiënten beseffen de onredelijkheid van hun angst en vermijdingsgedrag
Voorkomen
• Ongeveer 9% van de bevolking
• Vaker bij vrouwen dan mannen
Verklaring
• Psychoanalytisch