3. Groepsvorming in de klas
3.1. Wat is een groep?
= Meer dan een toevallige verzameling individuen; het is een geheel van
mensen die met elkaar in interactie treden, samenwerken en een
gemeenschappelijk doel nastreven. In een klas ontstaat
groepsvorming niet vanzelf, maar vraagt ze om actieve begeleiding van
de leerkracht.
Een groep heeft enkele kenmerken:
Er is interactie en communicatie tussen de leden.
De groep heeft een gemeenschappelijk doel (leren,
samenwerken, spelen...).
Leden beïnvloeden elkaar voortdurend.
Er bestaat een groepsbewustzijn: leden weten dat ze tot de groep
behoren.
Binnen de groep ontwikkelt zich een structuur met rollen, normen
en machtsverhoudingen.
In een klascontext betekent dit dat leerlingen samen leren, elkaar
beïnvloeden en een groepsstructuur met impliciete waarden en
normen ontwikkelen. Pas wanneer leerlingen onderling betrokken zijn en
elkaar beïnvloeden, spreken we van een echte klasgroep.
3.2. Dimensies van een groep
Elke groep functioneert volgens twee belangrijke dimensies:
Taakdimensie: de manier waarop de groep omgaat met externe
opdrachten (zoals leerstof verwerken, klasafspraken volgen of
projecten uitvoeren).
Relatiedimensie: de manier waarop de leden onderling omgaan.
Hierbij spelen vertrouwen, respect, humor en communicatie een
grote rol.
Sommige groepen zijn sterk taakgericht, andere eerder sociaal-
emotioneel. Klassen worden vaak taakgericht benaderd, maar ook de
relatiedimensie is essentieel:
Een positief groepsgevoel versterkt immers de motivatie, het welzijn en
het samenwerkend leren.
Een goed evenwicht tussen beide dimensies zorgt voor een gezonde
groepsdynamiek waarin leerlingen zich veilig voelen en kunnen groeien.
1
, 3.3. Model van groepsontwikkeling volgens Tuckman
Bruce Tuckman onderscheidt vijf fasen van groepsontwikkeling:
Forming, Storming, Norming, Performing en Adjourning.
Elke fase brengt specifieke uitdagingen met zich mee voor zowel
leerlingen als leerkracht.
1. Forming – De opstartfase
De groep leert elkaar kennen, maar er is nog veel onzekerheid.
Kenmerken:
Rollen en verwachtingen zijn onduidelijk.
Leerlingen zijn beleefd en voorzichtig.
Er is een sterke afhankelijkheid van de leerkracht.
👉 Rol van de leerkracht: duidelijkheid scheppen, veiligheid bieden en
kennismakingsactiviteiten organiseren.
Voorbeelden: smartphone-ijsbreker, Aap de leider na.
2. Storming – De conflictfase
Verschillen en meningsverschillen komen naar boven. Leerlingen zoeken
hun plek.
Kenmerken:
Conflicten en machtsstrijd ontstaan.
Subgroepen kunnen zich vormen.
Leerlingen willen hun ideeën laten horen.
👉 Rol van de leerkracht: bemiddelen, conflicten begeleiden en
respectvol gedrag stimuleren.
Voorbeeldactiviteit: Stoelgewoel — om samenwerking en communicatie te
oefenen.
3. Norming – De stabilisatiefase
De groep vindt rust en stabiliteit; normen en waarden worden duidelijk.
Kenmerken:
Rollen worden geaccepteerd.
2
3.1. Wat is een groep?
= Meer dan een toevallige verzameling individuen; het is een geheel van
mensen die met elkaar in interactie treden, samenwerken en een
gemeenschappelijk doel nastreven. In een klas ontstaat
groepsvorming niet vanzelf, maar vraagt ze om actieve begeleiding van
de leerkracht.
Een groep heeft enkele kenmerken:
Er is interactie en communicatie tussen de leden.
De groep heeft een gemeenschappelijk doel (leren,
samenwerken, spelen...).
Leden beïnvloeden elkaar voortdurend.
Er bestaat een groepsbewustzijn: leden weten dat ze tot de groep
behoren.
Binnen de groep ontwikkelt zich een structuur met rollen, normen
en machtsverhoudingen.
In een klascontext betekent dit dat leerlingen samen leren, elkaar
beïnvloeden en een groepsstructuur met impliciete waarden en
normen ontwikkelen. Pas wanneer leerlingen onderling betrokken zijn en
elkaar beïnvloeden, spreken we van een echte klasgroep.
3.2. Dimensies van een groep
Elke groep functioneert volgens twee belangrijke dimensies:
Taakdimensie: de manier waarop de groep omgaat met externe
opdrachten (zoals leerstof verwerken, klasafspraken volgen of
projecten uitvoeren).
Relatiedimensie: de manier waarop de leden onderling omgaan.
Hierbij spelen vertrouwen, respect, humor en communicatie een
grote rol.
Sommige groepen zijn sterk taakgericht, andere eerder sociaal-
emotioneel. Klassen worden vaak taakgericht benaderd, maar ook de
relatiedimensie is essentieel:
Een positief groepsgevoel versterkt immers de motivatie, het welzijn en
het samenwerkend leren.
Een goed evenwicht tussen beide dimensies zorgt voor een gezonde
groepsdynamiek waarin leerlingen zich veilig voelen en kunnen groeien.
1
, 3.3. Model van groepsontwikkeling volgens Tuckman
Bruce Tuckman onderscheidt vijf fasen van groepsontwikkeling:
Forming, Storming, Norming, Performing en Adjourning.
Elke fase brengt specifieke uitdagingen met zich mee voor zowel
leerlingen als leerkracht.
1. Forming – De opstartfase
De groep leert elkaar kennen, maar er is nog veel onzekerheid.
Kenmerken:
Rollen en verwachtingen zijn onduidelijk.
Leerlingen zijn beleefd en voorzichtig.
Er is een sterke afhankelijkheid van de leerkracht.
👉 Rol van de leerkracht: duidelijkheid scheppen, veiligheid bieden en
kennismakingsactiviteiten organiseren.
Voorbeelden: smartphone-ijsbreker, Aap de leider na.
2. Storming – De conflictfase
Verschillen en meningsverschillen komen naar boven. Leerlingen zoeken
hun plek.
Kenmerken:
Conflicten en machtsstrijd ontstaan.
Subgroepen kunnen zich vormen.
Leerlingen willen hun ideeën laten horen.
👉 Rol van de leerkracht: bemiddelen, conflicten begeleiden en
respectvol gedrag stimuleren.
Voorbeeldactiviteit: Stoelgewoel — om samenwerking en communicatie te
oefenen.
3. Norming – De stabilisatiefase
De groep vindt rust en stabiliteit; normen en waarden worden duidelijk.
Kenmerken:
Rollen worden geaccepteerd.
2