Didactisch handelen
0. Een krachtige leeromgeving ontwerpen
0.1. Het didactisch model
0.1.1. Doelen
Geven richting aan wat of hoe je iets brengt.
Wat je met jouw les wil nastreven.
Je moet weten welke doelen ze al bereikt hebben en wat hun
voorkennis is.
Onderwijsdoelen
Vanaf 1 september 2025 komen er in het (buitengewoon) basisonderwijs
nieuwe minimumdoelen die van toepassing zijn op het einde van het
kleuteronderwijs, het 4de jaar lager onderwijs en het einde van het lager
onderwijs. Binnen deze nieuwe minimumdoelen wordt de focus gelegd op
Nederlands en wiskunde in een kennisrijk curriculum met
aandacht voor STEM.
Leerlingen krijgen een duidelijke en systematische opbouw van
kennis.
Leren verbanden leggen en werken aan diepgaande kennis.
Leer ondersteunende vaardigheden die leerlingen helpen om tot
beter leren te komen.
1
, Daarnaast vormen ze ook de basis voor het opmaak van het
individueel aangepast curriculum (IAC)
Leerplandoelen
Leerplan = beschrijft hoe een school de onderwijsdoelen probeert te
bereiken.
In het basisonderwijs worden de leerplannen ontwikkeld door het
GO! en de koepelorganisaties van de onderwijsnetten.
Hou rekening met de cultuur- en persoonsgebonden doelen
Leerdoelen
= Concrete vertaling van de leerplandoelen.
Opgesteld door de leraar.
Geeft aan wat de leerling moeten kennen en/of kunnen.
Leer(plan)doelen en beginsituatie zijn op elkaar afgestemd.
Helder en positief, concreet waarneembaar en met afgebakende
leerinhoud.
0.1.2. Beginsituatie
Beginsituatie bepaalt lesdoelen: voorkennis, interesses,
groepsdynamiek, individuele noden.
Vygotsky – zone van naaste ontwikkeling:
Actuele beginsituatie = wat een kind zelfstandig kan.
Toekomstige beginsituatie = wat een kind kan leren met hulp.
Beginsituatie concreet en volledig: niet enkel vakgebonden, ook
rekening houden met feedback, tempo, hulpmiddelen, …
Differentiatie & aanpassingen: bv. concreet materiaal,
uitdagende oefeningen → goed voor individuele leerling én klas.
UDL (Universal Design for Learning): diversiteit als
uitgangspunt, leerstof op verschillende manieren aanbieden en
verwerken → verhoogt motivatie.
Leefwereld & actualiteit betrekken: bv. thema’s als circus,
klimaat, bosbranden.
2
, Informatie verzamelen: vragen aan leerlingen én mentor om goed
zicht te krijgen op de beginsituatie.
0.1.3. EDI (Expliciete directe instructie)
= een lesmodel dat rekening houdt met verschillen in leervermogen en
leerlingen stap voor stap ondersteunt.
Doel: vertrouwen opbouwen, competentie vergroten en autonomie
stimuleren (→ zelfdeterminatietheorie).
Rol van de leraar: eerst veel sturing, daarna geleidelijk overdracht
van verantwoordelijkheid naar de leerling.
Voordeel: biedt houvast voor het ontwerpen van lessen (Cijvat &
van Dalen, 2016).
Opbouw van een les volgens EDI
Inleiding
Activeren van voorkennis.
Leerdoel bespreken.
Doel: leerlingen prikkelen, betrekken en voorbereiden.
Kern
Uitleggen, voordoen, hardop denken.
Controle van begrip → zicht op wie extra uitleg nodig heeft.
Begeleide inoefening: leerlingen oefenen met ondersteuning, leraar
houdt controle.
Feedback geven en fouten corrigeren.
Individueel inoefenen + verlengde instructie voor wie het nodig
heeft.
Herhaling als belangrijk hulpmiddel.
Slot
Terugblik op de les.
Vooruitblik naar wat volgt
3
, 4
0. Een krachtige leeromgeving ontwerpen
0.1. Het didactisch model
0.1.1. Doelen
Geven richting aan wat of hoe je iets brengt.
Wat je met jouw les wil nastreven.
Je moet weten welke doelen ze al bereikt hebben en wat hun
voorkennis is.
Onderwijsdoelen
Vanaf 1 september 2025 komen er in het (buitengewoon) basisonderwijs
nieuwe minimumdoelen die van toepassing zijn op het einde van het
kleuteronderwijs, het 4de jaar lager onderwijs en het einde van het lager
onderwijs. Binnen deze nieuwe minimumdoelen wordt de focus gelegd op
Nederlands en wiskunde in een kennisrijk curriculum met
aandacht voor STEM.
Leerlingen krijgen een duidelijke en systematische opbouw van
kennis.
Leren verbanden leggen en werken aan diepgaande kennis.
Leer ondersteunende vaardigheden die leerlingen helpen om tot
beter leren te komen.
1
, Daarnaast vormen ze ook de basis voor het opmaak van het
individueel aangepast curriculum (IAC)
Leerplandoelen
Leerplan = beschrijft hoe een school de onderwijsdoelen probeert te
bereiken.
In het basisonderwijs worden de leerplannen ontwikkeld door het
GO! en de koepelorganisaties van de onderwijsnetten.
Hou rekening met de cultuur- en persoonsgebonden doelen
Leerdoelen
= Concrete vertaling van de leerplandoelen.
Opgesteld door de leraar.
Geeft aan wat de leerling moeten kennen en/of kunnen.
Leer(plan)doelen en beginsituatie zijn op elkaar afgestemd.
Helder en positief, concreet waarneembaar en met afgebakende
leerinhoud.
0.1.2. Beginsituatie
Beginsituatie bepaalt lesdoelen: voorkennis, interesses,
groepsdynamiek, individuele noden.
Vygotsky – zone van naaste ontwikkeling:
Actuele beginsituatie = wat een kind zelfstandig kan.
Toekomstige beginsituatie = wat een kind kan leren met hulp.
Beginsituatie concreet en volledig: niet enkel vakgebonden, ook
rekening houden met feedback, tempo, hulpmiddelen, …
Differentiatie & aanpassingen: bv. concreet materiaal,
uitdagende oefeningen → goed voor individuele leerling én klas.
UDL (Universal Design for Learning): diversiteit als
uitgangspunt, leerstof op verschillende manieren aanbieden en
verwerken → verhoogt motivatie.
Leefwereld & actualiteit betrekken: bv. thema’s als circus,
klimaat, bosbranden.
2
, Informatie verzamelen: vragen aan leerlingen én mentor om goed
zicht te krijgen op de beginsituatie.
0.1.3. EDI (Expliciete directe instructie)
= een lesmodel dat rekening houdt met verschillen in leervermogen en
leerlingen stap voor stap ondersteunt.
Doel: vertrouwen opbouwen, competentie vergroten en autonomie
stimuleren (→ zelfdeterminatietheorie).
Rol van de leraar: eerst veel sturing, daarna geleidelijk overdracht
van verantwoordelijkheid naar de leerling.
Voordeel: biedt houvast voor het ontwerpen van lessen (Cijvat &
van Dalen, 2016).
Opbouw van een les volgens EDI
Inleiding
Activeren van voorkennis.
Leerdoel bespreken.
Doel: leerlingen prikkelen, betrekken en voorbereiden.
Kern
Uitleggen, voordoen, hardop denken.
Controle van begrip → zicht op wie extra uitleg nodig heeft.
Begeleide inoefening: leerlingen oefenen met ondersteuning, leraar
houdt controle.
Feedback geven en fouten corrigeren.
Individueel inoefenen + verlengde instructie voor wie het nodig
heeft.
Herhaling als belangrijk hulpmiddel.
Slot
Terugblik op de les.
Vooruitblik naar wat volgt
3
, 4