1. Anesthesie word gekenmerkt door de afwezigheid van?
Gevoel en pijn
2. Wat kenmerkt algemene anesthesie?
Afwezigheid van pijn waarneming door een gecontroleerde en omkeerbare
onderdrukking van het CZS door toediening van 1 of meerdere GM in
functie van chirurgie en/of pijnlijke procedures.
3. Wat kenmerkt sedatie?
Een lichtere onderdrukking van het CZS gemenmerkt door toestand van
weinig tot geen bewustzijn van de omgeving in functie van medische
beeldvorming, wondzorg en/of licht pijnlijke ingrepen.
4. Wat bedoelt men met pathologische slaap? Hoe verschilt het met sedatie?
Niet wakker, ook bij pijnprikkels
Sedatie ➔ wel wakker bij pijnprikkel
5. Wat zijn de 3 componenten van algemene anesthesie?
Inductiefase + intubatie
Onderhoudsfase
uitleidingsfase + extubatie
6. Wat zijn de 4 voorwaarden/doelstelling van anesthesie VOOR de chirurgie?
Wat verstaat men onder ze allen?
Mentale block (bewustloosheid + amnesie (geheugenverlies))
Motorische block (spierrelaxatie)
Sensible block (analgesie)
Autonome block (sympatisch en parasympatisch stelsel begrensd en
ondersteund)
7. Wat bedoelt men met uitgebalanceerde anesthesie? Welk effect bereikt
het?
Combinatie van meerdere methoden, meerdere geneesmiddelen om
positieve effecten te maximaliseren en negatieve effecten te
minimaliseren
8. Welke complicaties ondervind men bij matige onderdrukking van het CZS?
Hoe verkleint men de effecten van deze?
Hypotensie, hypoventilatie, hypoxie, hypothermie door onderdrukking
sympatische zenuwstelsel
➔ voorbereiding en monitoring noodzakelijk
9. Leg kort het verschil uit tussen het sympatische en parasympatische
zenuwstel en de gevolgen indien deze onderdrukt worden bij anesthesie.
Sympatische zenuwstelsel (fight or flight systeem):
- verhoogde hartslag en bloeddruk
- verhoogde ademhaling
- Vasoconstrictie (hogere bloeddruk, meer bloedcirculatie)
Parasympatische zenuwstelsel (rust en herstel systeem):
- verlaagde hartslag en bloeddruk
- vertraagde ademhaling
- vasodilatatie
➔ klachten zoals hypoventilatie en hypotensie zijn parasympatische
kernmerken. Bij een wakkere patiënt zou het sympatische zenuwstelsel
deze tegenwerken en herstellen, maar door de anesthesie is dit niet
, mogelijk omdat deze systemen onderdrukt worden.
10.Wat is het verschil tussen lokale, regionale en algemene anesthesie?
Lokaal: kleine oppervlakte
Regionaal: geheel lichaamsgebied zoals een ledemaat
Algemeen: Verdoving van het hele lichaam, inclusief bewustzijnsverlies en
pijnbestrijding
11.Welke taken typeren de dierenverpleegkundige?
Richtlijnen doorgeven aan cliënt pre-op
Vragen beantwoorden van de cliënt pre-op
Verslag geven aan de cliënt post-op
Richtlijnen doorgeven aan cliënt post-op
Goede patiëntenzorg tijdens operatie
12.Welke stadia en substadia heeft men tijdens de anesthesie? Beschrijf ze
kort.
Stadium 1: gedesoriënteerd, pijn en reflexen aanwezig
Stadium 2: verlies van bewustzijn, reflexen aanwezig
➔ premedicatie
Stadium 3: bewusteloos
sub 1 (lichte anesthesie): regelmatige ademhaling, geen beweging meer,
relfexen minder
➔ inductie + intubatie
sub 2 (ideale anesthesie): bewusteloos, karakteristieke relfexen
sub 3: (diepe anesthesie): bewusteloos, reflexen afwezig
➔ onderhoud
sub 4 (overmatig diep): verzwakte autonome functies
sub 5: geen ademhaling noch circulatie, dood
H2: DE PRE-ANESTHETISCHE PERIODE
1. Waarom doet men een evaluatie van de patiënt? Wat is het ultieme doel?
Iedere patiënt verschilt in gewicht, leeftijd, gezondheidstoestand.
➔ alle patiënten reageren verschillend op anesthesie
➔ inschatting maken indien de patiënt al dan niet een risicovolle patiënt is.
2. Uit welke delen bestaat het pre anesthetisch onderzoek? Wanneer doet
men dit? Waarom bestaat dit?
Het signalement
Algemeen onderzoek
eventueel aanvullend onderzoek
➔ Status toekennen
➔ Anesthesie Protocol maken
Dit gebeurd in theorie enkele dagen voor de operatie, maar gebeurt in de
praktijk ook vaak de dag zelf
, 3. Uit welke 3 delen bestaat het algemeen onderzoek?
anamnese
algemene indruk
Lichamelijk onderzoek
4. Waar houd je allemaal rekening mee in de anamnese?
Het moet zo gedetailleerd mogelijk zijn met speciale aandacht voor
- ziekte in heden en verleden
- medicatie patiënt
- allergische reacties
- vorige operaties
5. Waar houd je allemaal rekening mee bij de algemene indruk?
Het bewustzijnsniveau, gedrag en voeding/hydratatietoestand
➔ bepalende factoren indien anesthesie verantwoord is
6. Uit welke delen bestaat het lichamelijk onderzoek? In welke volgorde?
Ademhaling
Pols
Temperatuur
Slijmvliezen
CVT
lymfeknopen
7. Hoe classificeert men de patiënten voor de anesthesie? Wat betekenen de
verschillende niveaus?
Volgens de ASA classificatie (amarican society of anesthesiologists)
ASA 1: gezonde VOLWASSEN nuchtere patiënt
ASA 2: patiënt met lichte tot milde systemische aandoening (jonge
patient, diabetes, …)
ASA 3: patiënt met ernstige systemische aandoeningen (lever of
nierpatiënten)
ASA 4 : patiënten met levensbedrijgende systemische aandoening
(hypovolemie, hypotensie)
ASA 5: zeer zieke patiënt die waarschijnlijk binnen 24uur komt te overlijden
(maagtorsie, ernstige bloeding in buik/borst)
E/S: spoed patïenten ➔ toe te voegen aan één van bovenstaande
classificaties
8. De classificatie van je patiënt geeft antwoorden/richtlijnen op….?
Vorm van anesthesie, welke producten, welke toedieningswijze
➔ effect op gehele anesthesieprotocol
9. De anesthesieprotocol word door de arts geselecteerd op basis van…?
De risicostatus van de patiënten
Het beschikbaar materiaal
Aard van de procedure
specifieke omstandigheden
10.Welke info geeft men mee in de communicatie naar de cliënt?
Altijd een volledige, eerlijke en duidelijke communicatie over:
- uitleg procedure
- richtlijnen bij opname
- richtlijnen post-op
- technische, praktische en financiele informatie