• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 66 pagina's
Samenvatting

2025-Q3 Tentamen longitudinaal halen? Met deze samenvatting kan het!

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 66 pagina's

Start inschrijving 2025-september. Samenvatting om het tentamen te halen Onderzoekspracticum longitudinaal onderzoek, Op basis van de leerdoelen: • de kenmerken van longitudinaal onderzoek benoemen, dat wil zeggen beschrijven wat longitudinale data zijn en de verschillende vormen van longitudinaal onderzoek omschrijven • de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen longitudinaal en cross-sectioneel onderzoek uitleggen • de criteria die gelden voor het doen van causale uitspraken benoemen en toepassen op onderzoek met een cross-sectioneel of longitudinaal onderzoeksdesign • de beperkingen van het longitudinale onderzoeksdesign met betrekking tot causaliteit onderkennen • enige kenmerkende problemen met betrekking tot de interne/externe validiteit van onderzoek met herhaalde metingen benoemen • een conceptueel model, onderzoeksvragen en hypotheses opstellen voor een onderzoek met een cross-sectionele multilevelstructuur • een multilevelanalyse op cross-sectionele data uitvoeren (met jamovi of SPSS) en de resultaten daarvan correct interpreteren • een conceptueel model, onderzoeksvragen en hypotheses opstellen voor een onderzoek met een longitudinale multilevelstructuur • een multilevelanalyse op longitudinale data uitvoeren (met jamovi of SPSS) en de resultaten daarvan correct interpreteren • een conceptueel model opstellen voor een mediatieprobleemstelling • een mediatieanalyse uitvoeren (met jamovi of SPSS) en de resultaten daarvan correct interpreteren • een onderzoeksvraag opstellen voor de modellen die worden behandeld in deze cursus • gezamenlijk met een medestudent op basis van een verstrekt longitudinaal databestand: (a) een multilevelanalyse uitvoeren voor een casus met herhaalde metingen en (b) hierover een APA-samenvatting schrijven en (c) een inzichtelijke mondelinge presentatie geven (aan de hand van een PowerPoint) • beslissingen die tijdens de multilevelanalyse van een casus met herhaalde metingen relevant zijn kort en bondig mondeling toelichten (tijdens een mondelinge presentatie) • de basale technische kenmerken van multilevelanalyse op longitudinale data toelichten (tijdens een mondelinge presentatie), bijvoorbeeld het duiden van parameterschattingen van fixed en random effecten van een model met interactietermen, of modelvergelijkingen met behulp van fitmaten (zoals de deviance).

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting Onderzoekspracticum longitudinaal onderzoek

Na het afronden van de cursus kun je
 de kenmerken van longitudinaal onderzoek benoemen, dat wil zeggen beschrijven wat
longitudinale data zijn en de verschillende vormen van longitudinaal onderzoek
omschrijven
 de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen longitudinaal en cross-
sectioneel onderzoek uitleggen
 de criteria die gelden voor het doen van causale uitspraken benoemen en toepassen
op onderzoek met een cross-sectioneel of longitudinaal onderzoeksdesign
 de beperkingen van het longitudinale onderzoeksdesign met betrekking tot causaliteit
onderkennen
 enige kenmerkende problemen met betrekking tot de interne/externe validiteit van
onderzoek met herhaalde metingen benoemen
 een conceptueel model, onderzoeksvragen en hypotheses opstellen voor een
onderzoek met een cross-sectionele multilevelstructuur
 een multilevelanalyse op cross-sectionele data uitvoeren (met jamovi of SPSS) en de
resultaten daarvan correct interpreteren
 een conceptueel model, onderzoeksvragen en hypotheses opstellen voor een
onderzoek met een longitudinale multilevelstructuur
 een multilevelanalyse op longitudinale data uitvoeren (met jamovi of SPSS) en de
resultaten daarvan correct interpreteren
 een conceptueel model opstellen voor een mediatieprobleemstelling
 een mediatieanalyse uitvoeren (met jamovi of SPSS) en de resultaten daarvan correct
interpreteren
 een onderzoeksvraag opstellen voor de modellen die worden behandeld in deze cursus
 gezamenlijk met een medestudent op basis van een verstrekt longitudinaal
databestand: (a) een multilevelanalyse uitvoeren voor een casus met herhaalde
metingen en (b) hierover een APA-samenvatting schrijven en (c) een inzichtelijke
mondelinge presentatie geven (aan de hand van een PowerPoint)
 beslissingen die tijdens de multilevelanalyse van een casus met herhaalde metingen
relevant zijn kort en bondig mondeling toelichten (tijdens een mondelinge presentatie)
 de basale technische kenmerken van multilevelanalyse op longitudinale data
toelichten (tijdens een mondelinge presentatie), bijvoorbeeld het duiden van
parameterschattingen van fixed en random effecten van een model met
interactietermen, of modelvergelijkingen met behulp van fitmaten (zoals de deviance).

Deze cursus bestaat uit zes thema’s. Thema 1 is een puur theoretisch thema waarin
verschillende vormen van longitudinaal onderzoek worden besproken. Aan de hand van
meerdere concrete casussen wordt een indruk gegeven van wat longitudinaal onderzoek
inhoudt en wat longitudinale data zijn. Ook gaan we in op enkele methodologische problemen,
zonder dat daarbij statistische analyses aan te pas komen.
Hoewel deze cursus over longitudinaal onderzoek gaat, wordt in thema 2 – om didactische
redenen – een uitstapje gemaakt naar cross-sectioneel onderzoek. In dit thema leer je hoe
multileveldata eruitzien en hoe je een multilevelanalyse zelf kunt uitvoeren wanneer je te
maken hebt met cross-sectionele data (personen in groepen).
Thema 3 staat geheel in het teken van de analyse van longitudinale data (metingen binnen
personen), waarbij een onderscheid gemaakt wordt in (1) studies waarbij de factor tijd een
essentieel onderdeel is van de vraagstelling en (2) studies waarbij de focus veel meer ligt op
de relaties tussen twee (of meer) herhaaldelijk gemeten variabelen.
In thema 4 komt mediatieanalyse aan bod. Met dit type analyse kunnen longitudinale
onderzoeksvragen worden beantwoord, waarbij variabelen theoretisch in een sequentiële
keten worden geplaatst.
De huiswerkopdrachten van thema 5 zijn bedoeld als extra oefening in multilevelanalyse en
mediatieanalyse.
Thema 6 is de eindopdracht

Thema 1 - De factor tijd in onderzoek

Na het afronden van dit thema kun je



1

,  de kenmerken van longitudinaal onderzoek benoemen
 de verschillen benoemen tussen experimenteel longitudinaal onderzoek en
observationeel longitudinaal onderzoek
 uit de globale beschrijving van een studie opmaken of deze, qua opzet, cross-
sectioneel of longitudinaal is.

1. Kenmerken van longitudinaal onderzoek
 Definitie: Onderzoek waarin dezelfde individuen (of eenheden) meerdere keren in
de tijd worden gemeten.
 Kernidee: Het bestuderen van verandering en ontwikkeling in plaats van alleen
statische verschillen.
 Voordelen:
o Geeft inzicht in intra-individuele verandering (hoe iemand zelf verandert).
o Maakt vergelijking mogelijk van interindividuele verschillen in verandering
(hoe mensen onderling verschillen in hun ontwikkeling).
o Kan richting (causaliteit) beter benaderen dan cross-sectioneel onderzoek.
 Belangrijke concepten:
o Tijd (essentieel, meerdere meetmomenten nodig).
o Trajecten (patronen van verandering over tijd).
o Gebeurtenissen (bijvoorbeeld: moment van uitval, herstel, terugval).

2. Verschillen: experimenteel vs. observationeel longitudinaal onderzoek
 Experimenteel longitudinaal onderzoek:
o Onderzoekers manipuleren een variabele (bv. interventie, behandeling).
o Toewijzing vaak random.
o Doel: causale relaties aantonen (bijv. “Behandeling X versnelt herstel in de
tijd”).
 Observationeel longitudinaal onderzoek:
o Geen manipulatie, alleen meten/observeren.
o Doel: beschrijven van natuurlijke verandering, ontdekken van verbanden.
o Risico: alternatieve verklaringen (confounders).
Kortom:
 Experimenteel = actieve interventie → sterker bewijs voor causaliteit.
 Observationeel = passieve observatie → goed voor beschrijven & voorspellen.

3. Cross-sectioneel vs. longitudinaal opzet herkennen
 Cross-sectioneel onderzoek:
o Meet verschillende individuen op één moment in de tijd.
o Vergelijkt groepen, maar zegt weinig over verandering binnen individuen.
o Voorbeeld: een steekproef van 20-jarigen en een van 40-jarigen vergelijken op
stressniveau.
 Longitudinaal onderzoek:
o Meet dezelfde individuen herhaaldelijk.
o Kan verandering en ontwikkeling volgen.
o Voorbeeld: een groep mensen elk jaar van hun 20e tot 40e meten.
Vuistregel:
 Eén meetmoment = cross-sectioneel.
 Twee of meer meetmomenten bij dezelfde personen = longitudinaal.

✅ Samenvattend bij de leerdoelen:
 Longitudinaal onderzoek = meerdere metingen door de tijd heen, gericht op
verandering en gebeurtenissen.
 Experimenteel longitudinaal = manipulatie + herhaalde meting (causaliteit sterker).
 Observationeel longitudinaal = alleen herhaalde observatie (beschrijven/verklaren).
 Cross-sectioneel = één meetmoment, geen verandering meetbaar; longitudinaal =
meerdere meetmomenten, verandering wél zichtbaar.

1.1 Longitudinale onderzoeksdesigns

1.1.1 Experimenteel vs. observationeel longitudinaal onderzoek




2

,We spreken van experimenteel longitudinaal onderzoek als er
a. meerdere metingen in de tijd worden verricht,
b. bij verschillende interventiegroepen (condities) waarvan er minstens één wordt
blootgesteld aan een experimentele manipulatie,
c. met als doel om de effecten in verschillende condities met elkaar te vergelijken.

Observationeel longitudinaal onderzoek wordt gekenmerkt door meerdere metingen in
de tijd zonder dat er variabelen worden gemanipuleerd. Dit type onderzoek is onder andere
geschikt om patronen in de tijd te bestuderen. Dit kan worden uitgevoerd bij een enkele groep
of bij meerdere groepen.

1.1.2 Intensieve vs. extensieve longitudinale dataverzameling
Een andere manier om longitudinaal onderzoek onder te verdelen is op basis van
meetfrequentie. Een hoge meetfrequentie maakt longitudinaal onderzoek intensief: er zijn
dan vaak meerdere metingen per dag. Omdat er veelvuldig gemeten wordt, is intensieve
longitudinale dataverzameling vaak van korte duur.
Intensieve longitudinale dataverzameling kun je overigens ook tegenkomen onder de namen
experience sampling method (ESM) of ecological momentary assessment (EMA).

Daarentegen is er sprake van meer extensieve longitudinale dataverzameling als de
metingen minder vaak plaatsvinden, bijvoorbeeld één keer per week, maand of jaar.

1.1.3 Ontwikkeling over de tijd vs. fluctuaties in de tijd
Een derde manier om onderscheid te maken tussen verschillende typen longitudinaal
onderzoek is de rol van de factor tijd. Sommige studies hebben als doel om
een ontwikkeling over de tijd te laten zien.
Naast het inzichtelijk maken van ontwikkelingen over de tijd, kan longitudinaal onderzoek ook
worden gebruikt om een verband aan te tonen tussen twee patronen van fluctuaties.
e verwacht wel een verband tussen de fluctuaties: wanneer negatief affect verandert,
verandert zelfwaardering ook.

1.1.4 Specifieke vormen van observationeel longitudinaal onderzoek
Er bestaan verschillende vormen van observationeel longitudinaal onderzoek, zoals panel- en
cohortstudies. Een panelstudie is een vorm van (prospectief) longitudinaal onderzoek
waarbij gedurende langere tijd dezelfde mensen (= vast panel) meerdere keren worden
bevraagd over een onderwerp. Panelstudies zijn vaak bedoeld om (maatschappelijke)
ontwikkelingen in een brede onderzoekspopulatie te onderzoeken.
Bij longitudinaal cohortonderzoek worden mensen ook meerdere keren ondervraagd, maar
de deelnemers worden hierbij geselecteerd op basis van een gemeenschappelijk kenmerk dat
gerelateerd is aan een tijdstip of tijdsperiode. Je kunt daarbij denken aan deelnemers met
hetzelfde geboortejaar (geboortecohort),
Daarnaast zien we ook cohortstudies in de vorm van life-eventsstudies waarmee de
psychische gevolgen van (ingrijpende) veranderingen of (traumatische) gebeurtenissen
kunnen worden bestudeerd.

Opdrachten: wat voor soort onderzoek is dit, bijvoorbeeld (als antwoord):
Dit is een experimentele longitudinale studie, waarbij baby’s aselect worden toegewezen aan
twee condities (couveuse met hartslag of couveuse zonder hartslag). De onafhankelijke
variabelen zijn 'conditie' (wel of geen hartslag) en 'tijd'. De criteriumvariabele is het gewicht
van de baby. De data vertonen een longitudinale hiërarchische structuur, omdat voor elke
baby op tien meetmomenten (week 1 - week 10) het gewicht wordt geregistreerd.
of:
Dit een observationele longitudinale studie. De studie is niet experimenteel, omdat cliënten
niet aselect worden toegewezen aan een conditie, in dit geval is er geen toewijzing aan een
therapie/therapeut. De cruciale predictorvariabele in deze studie is de variabele 'tijd' en
daarnaast zijn er twee afhankelijke variabelen (levenstevredenheid en zelfwaardering). De
data zijn niet alleen longitudinaal hiërarchisch geordend (twaalf metingen van twee
afhankelijke variabelen), maar de data zijn ook hiërarchisch geclusterd binnen therapeuten. In
deze studie zijn dus drie niveaus te onderscheiden die hiërarchisch geordend zijn (metingen
binnen personen bij een specifieke therapeut).




3

, 1.2 Methodologische overwegingen

Het ontwerpen van longitudinale designs brengt ook specifieke uitdagingen met zich mee.

1.2.1 Problemen bij herhaald meten
Longitudinale studies bestuderen veranderingen over de tijd en maken per definitie gebruik
van herhaalde metingen.
Dit brengt een aantal specifieke mogelijke problemen met zich mee,
 zoals de kans op uitval,
Longitudinale studies komen in vele vormen, maar één overeenkomst hebben ze
allemaal: vanwege de duur van de dataverzamelingsperiode is uitval, ook wel attritie
of drop-out genoemd, een bedreiger voor de validiteit van een longitudinale studie.
Uitval betekent dat deelnemers hun deelname staken, vrijwillig (bijvoorbeeld vanwege
een te hoge belasting) of onvrijwillig (bijvoorbeeld vanwege tussentijds overlijden). Het
logische gevolg van uitval is een beperkter aantal observaties.
kan het lastig maken om voldoende statistische power over te houden aan het einde
van de studie,
 een zwaardere belasting voor de deelnemer,
kan mensen ervan weerhouden om aan een studie deel te nemen. Dit kan een serieus
probleem vormen voor de externe validiteit (generaliseerbaarheid) van longitudinale
studies. Wanneer de niet-deelnemers verschillen van de deelnemers op de te
onderzoeken verbanden, treedt een vorm van selectiebias op.
 het risico op reactiviteit.
Bij herhaalde metingen bestaat een reëel risico dat de participant reageert op de
metingen zelf. Allereerst is het redelijk om je af te vragen hoe serieus een deelnemer
een vragenlijst na een aantal keren nog invult, wanneer deze dezelfde vragen
herhaaldelijk – en in het geval van intensieve longitudinale data zelfs meerdere malen
per dag – krijgt aangeboden.
Ten tweede kan door het herhaald meten 'instrumentatie' optreden, waarbij
deelnemers zich in de loop van het onderzoek bewuster worden van de gemeten
variabelen.
Ten derde kan er ook een leereffect optreden, waarbij de vaardigheid op zichzelf niet
verbetert, maar waarbij mensen door het maken van een test leren om diezelfde test
beter te maken.
 ten onrechte trekken van causale conclusies
Vanwege de mogelijkheid om met behulp van herhaalde metingen psychologische
processen te onderzoeken in de dagelijkse context is niet-experimenteel longitudinaal
onderzoek aantrekkelijk voor psychologen – en niet zelden worden daar causale
conclusies uit getrokken. Ten onrechte, want longitudinaal onderzoek op zichzelf is niet
voldoende voor het doen van causale uitspraken over de relatie tussen twee
variabelen.

1.2.2 Designaspecten ter overweging
Bij het ontwerp van een longitudinale studie spelen een aantal specifieke overwegingen een
rol. Deze hebben betrekking op het bepalen van :
 de meetfrequentie,
Voor het bepalen van de meetfrequentie is het allereerst zinvol om een inschatting te
maken van het tijdsinterval waarin je een zichtbare verandering verwacht.
De processen van verandering kosten immers tijd en het volstaat vaak om relatief
stabiele eigenschappen beperkt te meten. Het is vooral zinvol om te bedenken op welk
meetmoment er een relevante (klinische) verandering te verwachten valt.
In een studie waarbij variabelen worden gemeten die regelmatig fluctueren, is het
vaak zinvoller om die fluctuaties veelvuldig, gedurende een kortere periode in kaart te
brengen,

Een andere vraag die met name voor intensieve longitudinale designs relevant is, is
met welke regelmaat er gemeten wordt. Bij ESM-data zijn er drie veelgebruikte opties.
Er kan aan deelnemers gevraagd worden om
- op vaste tijdstippen van de dag metingen te verrichten (interval-contingent
designs)




4

Inhoudsopgave

  1. 01 Opbouw en interpretatie van het model Hoofdeffecten en tweeweginteracties Vraag Toetsen bovenstaande hypotheses 1-3 hoofd- of interactie-effecten? Voor de toetsing van bovenstaande hypotheses wordt veelal een multilevel regressiemodel gebruikt, waarin alle drie de effecten gelijktijdig worden getoetst. In het model zijn – naast de predictor tijd (hypothese 1) en de interactietermen cognitieve stimulatie*tijd (hypothese 2) en emotionele steun*tijd (hypothese 3) – de predictoren cognitieve stimulatie en emotionele steun opgenomen. De hoofdeffecten van variabelen die onderdeel zijn van een interactie-effect moeten namelijk altijd worden opgenomen om interactie-effecten zuiver te kunnen interpreteren. 32
  2. 02 Lukt het je om met de kennis uit Thema 2 en met behulp van bovenstaande informatie de wiskundige vergelijking van dit model op te stellen? De multilevelstructuur mag je eenvoudig houden: gebruik alleen een random intercept. Tip: Denk ook na over subscripts. 32
  3. 03 Hoe ziet het conceptueel model van bovenstaand onderzoek eruit? 32
  4. 04 Bij longitudinaal onderzoek is het belangrijk om goed na te denken over de tijdsmaat in je model. In deze casus zijn drie variabelen beschikbaar om tijd te modelleren: het meetmoment (occasion), ruwe leeftijd (de leeftijd van het kind ten tijde van het meetmoment; kidagetv) of getransformeerde leeftijd (de leeftijd van het kind ten tijde van het meetmoment minus zes jaar; kidage6). Welke van deze variabele kies je om tijd te modelleren? 32
  5. 05 Als je alleen meetmomenten gebruikt, kun je de groei over de dataverzameling beschrijven, maar dat zegt niets over ontwikkeling over kalenderleeftijd. Je weet dus wel hoe de ontwikkeling verloopt over de zes jaren waarin het kind gevolgd is, maar de analyse geeft geen helder inzicht in het verband met de kalenderleeftijd. Zeker wanneer de leeftijd op t=0 varieert (zoals in deze dataset, waar de leeftijd op t=0 tussen 6 en 8 jaar ligt), ligt het ook in de lijn der verwachting dat de leesvaardigheid bij het eerste meetmoment verschilt mede als gevolg van het leeftijdsverschil. 33
  6. 06 Leeftijd als tijdsmaat is conceptueel beter geschikt bij ontwikkelingsvragen, omdat het aansluit bij het natuurlijke verloop van groei. Toch is ruwe leeftijd niet altijd bruikbaar, in het bijzonder wanneer je het intercept zou modelleren. De leesvaardigheid op leeftijd nul is inhoudelijk betekenisloos. We verwachten dat geen enkel kind kan lezen op leeftijd nul, dus de geschatte leesvaardigheid op t=0 is dan 0. Omdat er geen verschillen in leesvaardigheid zijn op t=0, is de variantie rondom het intercept ook 0. 33
  7. 07 Om zowel het intercept als de variantie rondom het intercept betekenis te geven, gebruik je vaak een getransformeerde leeftijd. Daarbij wordt een betekenisvol startpunt (zoals 6 jaar bij lezen) ingesteld als ‘nul’ - in dit geval variabele kidage6. Het intercept (t=0) geeft dan een schatting van de gemiddelde leesvaardigheid van een kind dat 6 jaar oud is. De random variantie van het intercept geeft dan een schatting van de verschillen in leesvaardigheid voor kinderen van 6 jaar oud. Die zal groter zijn dan 0 en is bovendien informatiever dan de verschillen in leesvaardigheid voor kinderen van 0 jaar. 33
  8. 08 Drieweginteracties 33
  9. 09 Waar een tweeweginteractie inhoudt dat de relatie tussen een predictor en een uitkomst afhangt van een derde variabele, betekent een drieweginteractie dat een interactie-effect tussen twee predictoren afhangt van de waarde van een andere variabele. In dit geval is (zijn) de sterkte en/of richting van de relatie tussen de interactie (emotionele steun × tijd) en de afhankelijke variabele (leesvaardigheid) afhankelijk van het niveau van de andere variabele (cognitieve stimulatie). Het is bij een interactie niet zo dat elk van de drie factoren (tijd, steun, stimulatie) afzonderlijk of op een optelbare manier bijdraagt aan de voorspelling van leesvaardigheid. Een consequentie van een drieweginteractie zou kunnen zijn dat de leesvaardigheid bij kinderen die zowel veel emotionele steun als veel cognitieve stimulatie krijgen, zich bijvoorbeeld sneller ontwikkelen dan je zou verwachten op basis van de hoofdeffecten of tweeweginteracties. Het geheel is dus meer dan de som der delen. 33
  10. 10 3.1.2 Tutorial – Datascreening 33
  11. 11 In het vervolg van deze tutorial ga je de opgestelde hypotheses toetsen. Je bouwt de multilevelmodellen stapsgewijs op en baseert gaandeweg je conclusies met betrekking tot de hypotheses op de resultaten die je vindt. Dit proces van modelvorming en toetsing doorloop je stap voor stap. 33
  12. 12 1. Datascreening 33
  13. 13 A. Inspecteer de data en selecteer de relevante variabelen. Wat is het meetniveau van de variabelen? 34
  14. 14 B. Bekijk de verdelingsvormen, outliers en missende waarden van de relevante variabelen die eenmalig gemeten zijn. Geven de uitkomsten aanleiding om de data op te schonen? Tip: maak een (tijdelijke) selectie van variabelen op het 1e meetmoment. 34
  15. 15 C. Bekijk de bivariate relaties (correlaties) tussen relevante variabelen op het 1e meetmoment. Controleer ook of er sekseverschillen in leesvaardigheid zijn op t=0. Waarom is het zinvol om de correlaties te bekijken? Waarom beperk je je tot de data van één meetmoment? Wat concludeer je uit dit onderdeel van de screening? Tip: maak een (tijdelijke) selectie van variabelen op het 1e meetmoment. 34
  16. 16 D. Bestudeer mogelijke outliers en de verdeling van de uitkomstvariabele read op alle meetmomenten. Check of de verdelingen bij benadering normaal zijn. Zijn er uitbijters (kinderen die op meerdere meetmomenten extreme scores hebben op leesvaardigheid)? 34
  17. 17 E. Bestudeer de gemiddelde leesvaardigheid over de tijd. Wat valt je op? 34
  18. 18 3.1.3 Tutorial – Analyse multilevelmodellen 34
  19. 19 In de tabel hieronder vind je een overzicht van de verschillende modellen die we gaan bekijken. In de eerste drie modellen (model 0, 1a en 1b) zijn geen psychologische predictorvariabelen opgenomen. Deze modellen vertonen een oplopende complexiteit en zijn bedoeld om de principes van de rekenmethode van multilevelanalyse te verduidelijken. De andere drie modellen (modellen 2, 3 en 4) vertonen eveneens een oplopende complexiteit en zijn bedoeld om de stapsgewijze procedure te illustreren waarmee uit een verzameling modellen een 'zuinig', passend model gekozen kan worden. 34
  20. 20 Vraag: Welke en hoeveel fixed en random parameters komen er in elk opeenvolgend model bij? Hoeveel vrijheidsgraden heb je dan bij het uitvoeren van een chi-kwadraattoets om die modellen te vergelijken? 34
  21. 21 Antwoord: 34
  22. 22 Model 0 - 1a: 1 fixed parameter (regressiecoëfficiënt kidage6) 34
  23. 23 Model 1a - 1b: 2 random parameters (random slope kidage6; correlatie tussen random intercept en random slope) 34
  24. 24 Model 1b - 2: 2 fixed parameters (regressiecoëfficiënten homeemo en homecog) 34
  25. 25 Model 2 - 3: 3 fixed parameters (regressiecoëfficiënten homeemo*kidage6, homecog *kidage6 en homeemo*homecog) 34
  26. 26 Model 3 - 4: 1 fixed parameter (regressiecoëfficiënt homeemo *homecog *kidage6) 34
  27. 27 Het aantal vrijheidsgraden is gelijk aan het aantal extra parameters 34
  28. 28 Vraag B. Zijn modellen 2 en 3 genest in elkaar? Zo ja, welk model is genest in welk model? En modellen 1b en 3? 35
  29. 29 Antwoord: . Zowel model 1b als model 2 is genest in model 3. 35
  30. 30 Model 0 - Intercept only model (leeg model/nulmodel) 35
  31. 31 We beginnen de analyse met een model waarin de uitkomstvariabele (read) wordt voorspeld op basis van de clustervariabele (id). Op basis van dit model bereken je de ICC. Deze vertelt je welk deel van de variantie in de uitkomstvariabele zich op persoonsniveau bevindt en welk deel van de variantie zich binnen personen bevindt. Een ICC van bijvoorbeeld 0.30 geeft aan dat 30% van de variantie zich tussen personen bevindt en 70% binnen personen. Een extreem lage ICC van 0.00 vertelt je dat er in een model zonder voorspellers geen variantie toe te schrijven is aan verschillen tussen personen. Voor deze dataset zou dat betekenen dat alle leerlingen hetzelfde gemiddelde in leesvaardigheid hebben. Hoe hoger de ICC is, hoe meer noodzaak er is om een multilevelanalyse uit te voeren. 35
  32. 32 Maar let wel: conceptueel gezien ben je sowieso verplicht om een multilevelanalyse uit te voeren vanwege de hiërarchische structuur die is opgenomen in de hypotheses (herhaalde metingen binnen personen). Waar je bij een multilevelanalyse voor cross-sectionele data nog kunt onderzoeken of de ICC een single-levelanalyse toelaat wanneer er geen variabelen op niveau 2 zijn opgenomen in de analyse, kan dat bij een multilevelanalyse voor herhaalde metingen niet. 35
  33. 33 De output van het nulmodel geeft informatie over twee relevante aspecten: modelfit en de intraklassecorrelatie. De informatie over modelfit hebben we later nodig voor een modelvergelijking: de AIC (5058), de BIC (5073) en de log-likelihood om de deviance ( -2 * -2525.915 = 5051.83) te berekenen. De ICC gebruiken we om na te gaan hoe de verschillen in leesvaardigheid verdeeld zijn over de niveaus (meetmomenten of kinderen). De output geeft aan dat zo'n 11% van de variantie in leesvaardigheid herleid kan worden tot de verschillen tussen de kinderen. 35
  34. 34 Model 1a - Fixed slope model 35
  35. 35 Het tweede model dat we bekijken is eveneens een random-interceptmodel, maar hierbij is het meetmoment (kidage6) toegevoegd als voorspeller. De variabele kidage6 is gemaakt door de variabele kidagetv te transformeren: 35
  36. 36 kidage6 = kidagetv - 6 35
  37. 37 Voor een kind dat op het eerste meetmoment precies 6 jaar oud was, is kidage6 op het eerste meetmoment gelijk aan 0, op het tweede meetmoment gelijk aan 2, enzovoort. Een kind dat 6.5 jaar oud was ten tijde van het eerste meetmoment heeft dus een score van 6.5 op kidagetv en scores van 0.5 en 2.5 op de eerste twee meetmomenten van kidage6. Zoals uitgelegd in 3.1.1 zorgt deze transformatie ervoor dat (de variantie van) het intercept zinvol interpreteerbaar is. Het intercept geeft bij gebruik van kidage6 de voorspelde leesvaardigheid voor kidage6 = 0 (een kind van 6 jaar oud dus) en de random variantie ervan geeft informatie over de verschillen in leesvaardigheid tussen kinderen op 6-jarige leeftijd. 35
  38. 38 In deze output zijn wederom twee aspecten met meest relevant: het fixed effect van tijd en de modelfit. De positieve parameterschatting voor kidage6 (b = 0.552, SE = 0.009, p < .001) geeft een stijgende trend van leesvaardigheid over de tijd weer. Dat is iets wat je kunt verwachten bij opgroeiende kinderen die les hebben in het basisonderwijs. 35
  39. 39 De AIC (3421), BIC (3442) en deviance (-2LL = -2 * -1706.960 = 3413.920) zijn duidelijk lager dan bij het nulmodel. Voor de AIC en BIC kunnen we zonder toetsen concluderen dat model 1a beter bij de data past dan model 0. Voor de deviance voeren we weer een chi-kwadraattoets uit op het verschil in deviance (Δdeviance; het verschil tussen de twee -2LL-waarden). Het verschil in degrees of freedom (Δdf) is het verschil in het aantal geschatte parameters, zoals je dat al eerder hebt berekend. De exacte p-waarde van de bijbehorende chi-kwadraattoets kun je uitrekenen, zie bijvoorbeeld deze Chi-square calculator. Uit alle gepresenteerde fitmaten kunnen we dus concluderen dat model 1a beter bij de data past dan model 0. 35
  40. 40 Bij modellen met voorspellers erin kijken we niet meer naar de ICC. Die hebben we niet meer nodig om te bepalen of we een multilevelmodel nodig hebben om standaardfouten en p-waarden op een correcte manier te berekenen. Het is ook niet zonder meer zinvol om die te vergelijken met de ICC van het nulmodel of een ander model. 36
  41. 41 In de grafieken zie je de weergave van een random intercept: alle regressielijnen liggen op een andere hoogte. 36
  42. 42 Model 1b - Random slope model 36
  43. 43 In het derde model is, net zoals in model 1a, een component opgenomen die de ontwikkeling van leesvaardigheid in de tijd vertegenwoordigt (i.e., het fixed effect kidage6). Model 1b laat daarenboven toe dat de lineaire ontwikkeling van leesvaardigheid niet voor elk kind hetzelfde is. Model 1b is dus een uitbreiding van model 1a, omdat er een random effect voor tijd is toegevoegd. Met deze zogenaamde 'random slope' sta je het model toe om voor iedere individuele deelnemer een aparte ontwikkelingslijn te specificeren. De term random slope verwijst naar het feit dat deze verschillende regressielijnen niet parallel lopen. 36
  44. 44 Hoewel er in grote lijnen een vergelijkbaar patroon in de ontwikkeling van de leesvaardigheid is (de leesvaardigheid zal naar verwachting bij alle kinderen toenemen, bijvoorbeeld), valt ook te verwachten dat verschillende kinderen zich in een ander tempo zullen ontwikkelen. Omdat je niet zeker weet of het ook nodig is om rekening te houden met random verschillen, weet je ook niet zeker of een random slope nodig is. Daarom bekijken we of een model met een random slope (significant) beter bij de data past dan het model zonder random slope. Mocht dat niet het geval zijn, dan verwijderen we de random slope in het vervolg van de modelopbouw en concluderen we dat de ontwikkeling in leesvaardigheid bij ieder kind (ongeveer) hetzelfde is. 36
  45. 45 Als we de modelfitmaten (AIC: 3239; BIC: 3270; deviance = -2 * -1613.376 = 3226.752) vergelijken met die van model 1a, concluderen we dat model 1b tot een significante verbetering leidt. Deze bevinding is een reden om in alle modellen die we in het vervolg toetsen de random slope voor kidage6 op te nemen. Onderstaande grafieken geven weer wat de verschillen zijn tussen model 1a en 1b. De (n = 405) regressielijnen in de linkergrafiek zijn allemaal parallel: er is alleen een fixed slope van kidage6). De regressielijnen in de rechtergrafiek zijn niet parallel en vertonen een divergerend patroon: er is zowel een fixed als een random slope van kidage6). 36
  46. 46 In de rechtergrafiek van model 1b is trouwens goed te zien dat naarmate kinderen een hogere leesvaardigheid hadden op 6-jarige leeftijd, de stijging in leesvaardigheid in de jaren daarna sterker is. Dit zie je ook aan de correlatie tussen intercept en slope: r(intercept,slope) = 0.878. 37
  47. 47 Ook dit is weer een reden om goed na te denken over de variabele voor tijd. Een zinvol (gekozen) intercept maakt het mogelijk om de correlatie tussen random intercept en random slope te duiden. 37
  48. 48 De positieve parameterschatting voor kidage6 (b = 0.564, SE = 0.011, p < .001) geeft ook in dit model een stijgende trend van leesvaardigheid over de tijd weer. 37
  49. 49 Vraag 37
  50. 50 Hoe zou je de correlatie tussen random intercept en random slope interpreteren wanneer je de ruwe leeftijd (kidagetv) had gekozen als variabele voor tijd? Kun je ook beredeneren hoe groot die correlatie zou zijn? 37
  51. 51 Antwoord: De correlatie tussen het random intercept en een random slope van kidagetv zou aangeven in hoeverre de stijging in leesvaardigheid sterker of zwakker is wanneer de kinderen een hogere leesvaardigheid hadden op 0-jarige leeftijd. 37
  52. 52 Omdat er geen variantie in leesvaardigheid op 0-jarige leeftijd wordt verwacht (i.e., variantie van het random intercept is 0), zal de correlatie tussen random intercept en random slope ook 0 zijn. 37
  53. 53 Model 2 - Hoofdeffectenmodel 37
  54. 54 Het vierde model is een model waarin twee psychologische predictorvariabelen zijn opgenomen, namelijk cognitieve stimulatie (homecog) en emotionele steun (homeemo). Inhoudelijk gezien is dit model slechts een tussenstation in de reeks van modelvergelijkingen, omdat de toetsing van hoofdeffecten niets zegt over de 'stijging' in de leesvaardigheid afhankelijk van cognitieve stimulatie of emotionele steun. Wij laten dit model hier wel zien, maar in een echt onderzoek zou je dit model kunnen overslaan. In dit model werken we gestandaardiseerde variabelen voor homecog en homeemo, omdat daardoor de resultaten wat beter interpreteerbaar zijn. Je zou ook kunnen kiezen voor gecentreerde variabelen. 37
  55. 55 Model 2 resulteert in een kleine, maar significante verbetering in fit in vergelijking met model 1b op basis van de chi-kwadraattoets. Ook de AIC is licht gedaald. De BIC is daarentegen hoger. 37
  56. 56 Vraag 37
  57. 57 De modelfitstatistieken geven geen consistent beeld. Wat concludeer je over de modelfit van model 2 ten opzichte van model 1b? 37
  58. 58 Antwoord: Dat kan gebeuren - en dat betekent dat de verlaging van de deviance volgens de berekening van de BIC niet opweegt tegen het aantal extra parameters. De deviance is lager, maar afhankelijk van het belang dat je zuinigheid van het model toekent, kun je concluderen of je het model beter vindt of niet. 37
  59. 59 De positieve, significante parameterschatting voor homecog (b = 0.120, SE = 0.038, p = .002) suggereert dat kinderen - gecontroleerd voor emotionele steun - een hogere leesvaardigheid op t=0 (i.e., kidage6 = 0, dus op 6-jarige leeftijd) hebben wanneer zij meer cognitief gestimuleerd zijn. 37
  60. 60 De positieve, niet-significante parameterschatting voor homeemo (b = 0.009, SE = 0.039, p = .819) suggereert dat kinderen - gecontroleerd voor cognitieve stimulatie - geen significant hogere leesvaardigheid hebben op t=0 naarmate zij thuis meer emotioneel gesteund worden. 38
  61. 61 Zoals je aan de interpretatie kunt zien, zeggen de hoofdeffecten alleen iets over t=0 en niet over de ontwikkeling over tijd. Voor onze hypotheses over de longitudinale samenhang cognitieve stimulatie/emotionele steung en leesvaardigheid zijn deze hoofdeffecten dus niet interessant. Daarvoor dien je de interactie tussen beide effecten en tijd toe te voegen, hetgeen je gaat doen in model 3. 38
  62. 62 Model 3 - Model met (alle) tweeweginteractietermen 38
  63. 63 In vergelijking met het vorige model zijn in model 3 drie tweeweg-interactietermen opgenomen, namelijk de interactie tussen cognitieve stimulatie en tijd, de interactie tussen emotionele steun en tijd en de interactie tussen cognitieve stimulatie en emotionele steun. 38
  64. 64 Voor het toetsen van hypotheses 2 en 3 heb je de interacties tussen a) cognitieve stimulatie en tijd; en b) emotionele steun en tijd nodig. 38
  65. 65 De interactie tussen cognitieve stimulatie en emotionele steun heb je niet nodig om deze hypotheses te toetsen. We voegen die interactie hier al toe om straks het model te kunnen vergelijken met een model waarin de drieweg-interactie tussen tijd, cognitieve stimulatie en emotionele steun is opgenomen. Soms is het ook beter om die hypothese weg te laten bij het toetsen van deze hypotheses. We gaan in deze cursus verder niet op die keuze in: in deze cursus mag je hem alvast toevoegen of nog weglaten. 38
  66. 66 Je hebt die interactie in ieder geval wel nodig in het model waarmee je hypothese 4 toetst (model 4). Als je hem in deze stap weglaat, zorg dan dat je hem niet vergeet bij het model met een drieweginteractie. 38
  67. 67 Uit de modelvergelijking blijkt dat model 3 ten opzichte van model 2 tot een (kleine) maar significante verbetering in fit leidt. We zien eenzelfde patroon als bij model 2 vs. model 1b: de AIC (3218) daalt, de BIC (3275) stijgt licht en de deviance (3195.602) is significant lager. 38
  68. 68 Uit de analyse van fixed effecten in model 3 komt naar voren dat er een significante, stijgende trend in leesvaardigheid over de tijd is voor kinderen die gemiddeld scoren op cognitieve stimulatie (homecog = 0) en emotionele steun (homeemo = 0). Dit is namelijk het hoofdeffect van kidage6 (b = 0.564, SE = 0.010, p < .001). Daarnaast is te zien dat meer cognitieve stimulatie significant voorspellend is voor een hogere leesvaardigheid op 6-jarige leeftijd (kidage6 = 0) bij een gemiddelde emotionele steun (homeemo = 0): het hoofeffect van homecog (b = 0.103, SE = 0.039, p = .009). Meer emotionele stimulatie is niet significant voorspellend voor leesvaardigheid op 6-jarige leeftijd (b = -0.034, SE = 0.041, p = .399). 38
  69. 69 Deze analyse geeft geen steun voor een interactie-effect tussen tijd en cognitieve stimulatie: naarmate kinderen cognitief meer gestimuleerd worden, is de stijging in leesvaardigheid niet significant sterker, wanneer gecontroleerd wordt voor emotionele steun (kidage6∗homecog: b = 0.015, SE =0.011, p = .179). Deze bevinding ondersteunt de hypothese dat er een longitudinale samenhang is tussen cognitieve stimulatie en toename van leesvaardigheid over de tijd (hypothese 2) dus niet. 38
  70. 70 Daarnaast suggereert deze analyse een positief interactie-effect tussen tijd en emotionele steun: naarmate kinderen emotioneel meer gesteund worden, is de stijging in leesvaardigheid significant sterker, wanneer gecontroleerd wordt voor cognitieve stimulatie (kidage6∗ homeemo: b = 0.038, SE =0.011, p < .001). Deze bevinding ondersteunt dus de hypothese dat er een longitudinale samenhang is tussen emotionele steun en toename van leesvaardigheid over de tijd (hypothese 3). 38
  71. 71 Model 4 - Model met extra drieweg-interactieterm 39
  72. 72 Met de analyse van dit laatste en meest complexe model willen we vooral nagaan of de combinatie van een hoge mate van cognitieve stimulatie en hoge mate van emotionele steun een sterkere stijging in leesvaardigheid over de tijd voorspelt dan je zou verwachten wanneer je alleen naar de twee tweeweginteracties met tijd kijkt. Dat doen we door na te gaan of, en zo ja, op welke manier de longitudinale relatie tussen emotionele steun en leesvaardigheid afhangt van de mate van cognitieve stimulatie (hypothese 4). In vergelijking met het vorige model is in model 4 één extra drieweg-interactieterm opgenomen, namelijk die tussen tijd, cognitieve stimulatie en emotionele steun. 39
  73. 73 Model 4 geeft geen verbetering in fit in vergelijking met model 3. Daarin zijn de fitmaten unaniem. 39
  74. 74 Vraag: Vormt model 4 een verbetering ten opzichte van model 2? Is dat een zinvolle vergelijking? 39
  75. 75 Antwoord: Ten opzichte van model 2 daalt de AIC met 3231 - 3219 = 12 eenheden. De BIC stijgt met 3282 - 3273 = 9 eenheden. De deviance daalt met 3215.059 - 3195.479 = 19.580 eenheden, terwijl het model 4 extra parameters heeft. Dat is een significante daling van de deviance (χ2 (4) = 19.580, p < .001). Het is doorgaans een vrij grote stap om in één keer van een model met alleen hoofdeffecten naar een model met zowel tweeweginteracties als een drieweginteractie te gaan. Als je er een goede reden voor hebt om dat te doen, zou het kunnen, maar eigenlijk is het zinvoller om de tweeweginteracties als tussenstap te nemen. Daar heb je immers ook vrijwel altijd een of meerdere hypotheses over. 39
  76. 76 Uit de resultaten blijkt dat die niet significant is (b = -0.003, SE = 0.010, p = .726). We concluderen dus dat er geen ondersteuning is voor hypothese 4: de relatie tussen emotionele steun en ontwikkeling van leesvaardigheid over tijd hangt niet af van de mate van cognitieve stimulatie. 39
  77. 77 CHAT vraag bij de tabel, waar kijk ik naar en hoe af te lezen? 39
  78. 78 Waar kijk je naar? 39
  79. 79 1. Modellen (0 t/m 4) 39
  80. 80 Dit zijn verschillende modellen die op dezelfde data zijn geschat. 39
  81. 81 Model 0 is meestal het nulmodel (zonder voorspellers of alleen met intercept). 39
  82. 82 Daarna worden steeds meer voorspellers of parameters toegevoegd (1a, 1b, 2, 3, 4). 39
  83. 83 2. AIC en BIC (fit-indices) 39
  84. 84 Beide zijn criteria om de model fit te beoordelen, waarbij lager beter is. 39
  85. 85 Ze houden rekening met zowel de model fit als de complexiteit (aantal parameters). 39
  86. 86 BIC straft complexiteit sterker dan AIC. 40
  87. 87 3. Deviance (-2LL) 40
  88. 88 De log-likelihood is een maat voor hoe goed het model de data verklaart. 40
  89. 89 Lagere deviance = betere fit. 40
  90. 90 4. Δdeviance (Δdf) 40
  91. 91 Dit vergelijkt twee modellen die genest zijn (het ene model is een uitbreiding van het andere). 40
  92. 92 Δdeviance volgt een χ²-toets met Δdf vrijheidsgraden. 40
  93. 93 Een significant resultaat (p < .05) betekent dat het uitgebreidere model een significant betere fit geeft. 40
  94. 94 Hoe lees je deze tabel? 40
  95. 95 Model 0 → Model 1a: Deviance daalt sterk (5051.830 → 3413.920). Verschil is 1637.91 met 1 df, p < .001 → heel sterke verbetering. 40
  96. 96 Model 1a → Model 1b: Nogmaals een flinke verbetering (Δdeviance = 187.168, p < .001). 40
  97. 97 Model 1b → Model 2: Kleinere, maar nog steeds significante verbetering (Δdeviance = 11.693, df = 2, p = .003). 40
  98. 98 Model 2 → Model 3: Weer significante verbetering (Δdeviance = 19.457, p < .001). 40
  99. 99 Model 3 → Model 4: Nauwelijks verbetering (Δdeviance = 0.123, p = ns). Model 4 is dus niet beter dan model 3. 40
  100. 100 Conclusie uit deze tabel 40
  101. 101 De modellen worden steeds beter tot en met Model 3. 40
  102. 102 Model 4 levert geen significante verbetering meer op en is dus niet te verkiezen boven Model 3. 40
  103. 103 Je zou dus zeggen: Model 3 is het beste model, omdat het de beste balans heeft tussen fit en eenvoud. 40
  104. 104 Je kunt AIC/BIC erbij gebruiken om de keuze te onderbouwen (ook daar zie je dat Model 3 laag scoort). 40
  105. 105 ? Samengevat: Je leest van boven naar beneden hoe elk model de fit verbetert ten opzichte van het vorige. Je kiest uiteindelijk het best passende en nog niet te complexe model (hier: Model 3). 40
  106. 106 3.1.4 Tutorial – Grafieken maken 40
  107. 107 Om de resultaten van een analyse van longitudinale data inzichtelijk te maken (voor een lezer) worden vaak grafische weergaven gebruikt. Met name als er een model is opgesteld om een interactiehypothese te toetsen, zijn grafieken uitermate behulpzaam om een inzichtelijke presentatie van relaties tussen variabelen te geven. 40
  108. 108 Als je grafieken aan APA-normen moeten voldoen, zijn zowel jamovi als SPSS niet altijd een goede keus. Hoewel we in deze cursus geen andere softwareprogramma's onderwijzen, kunnen ook Excel (soms) of R (meestal) meer flexibiliteit bieden in het maken van grafieken. 40
  109. 109 3.1.5 Verwerkingsopdracht - analyse van ontwikkelingen over de tijd 40
  110. 110 wordt verwacht dat je de analyses zelfstandig kunt uitvoeren en tussentijds de juiste beslissingen kunt nemen. 40
  111. 111 Opdracht - De rol van sekse en leeftijd van de moeder 40
  112. 112 A. Formuleer een vraagstelling en vier bijbehorende hypotheses 40
  113. 113 B. Voer een datascreening uit met behulp van de gegevens in het geaggregeerde databestand Maak tevens een scatterplot om de samenhang te visualiseren. Vind je dat hier sprake is van een 'lineaire' samenhang? 40
  114. 114 C. Maak meerdere multilevel modellen waarmee de vier hypotheses getoetst kunnen worden. Bouw daarbij de modellen stapsgewijs op. Neem dus beginnend met het 0-model stapsgewijs steeds meer componenten op en besluit de reeks van modelvergelijkingen met een model waarin een drieweg-interactiecomponent is opgenomen. Welk model is het meest geschikt om de relaties in de data adequaat te beschrijven en wat zeggen deze resultaten over de hypotheses die je eerder hebt geformuleerd? 40
  115. 115 D. Maak eventueel één of meerdere grafieken voor een inzichtelijke visuele representatie van de relaties tussen de variabelen. 41
  116. 116 3.2 Analyse van ESM-data 41
  117. 117 3.2.1 Tutorial - Introductie 41
  118. 118 In deze tutorial nemen we je stap-voor-stap mee door een multilevelanalyse van longitudinale data, waarbij we geïnteresseerd zijn in fluctuaties in de tijd. 41
  119. 119 In deze studie wordt gebruik gemaakt van de experience sampling method (ESM). Met deze intensieve methode van dataverzameling wordt verondersteld dat zogenaamde recall bias vermeden wordt door deelnemers te vragen hoe zij zich op dat moment – het moment van de meting – voelen. 41
  120. 120 In de dataset zijn er twee niveaus te onderscheiden: 41
  121. 121 Niveau 1 (binnen personen): meetmomenten (herhaalde metingen per persoon). Deze variabelen kunnen per meetmoment verschillen: bv: beepnr – meetmoment per dag 41
  122. 122 Niveau 2 (tussen personen): de individuele volwassenen. Deze variabelen zijn slechts eenmaal gemeten: Bv: subjnr – uniek respondentnumme 41
  123. 123 Voorbeeld: Hypotheses 41
  124. 124 Ten aanzien van de relatie tussen negatief affect en seksueel verlangen zijn op basis van de literatuur (onder andere Van Tuijl et al., 2022) de volgende hypotheses opgesteld: 41
  125. 125 1. Momentaan negatief affect (NA) hangt negatief samen met momentaan seksueel verlangen (SV). 41
  126. 126 2. De momentane negatieve relatie tussen NA en SV is negatiever bij vrouwen dan bij mannen. 41
  127. 127 3. De momentane negatieve relatie tussen NA en SV is minder negatief naarmate personen meer seksuele excitatie ervaren. 41
  128. 128 4. De relatie tussen seksuele excitatie en de momentane relatie tussen NA en SV wordt gemodereerd door sekse. [NB Dit is een meer exploratieve hypothese, omdat hierbij geen richting van het effect wordt geformuleerd.] 41
  129. 129 Opbouw en interpretatie van het model 41
  130. 130 Hoofd- en interactie-effecten 41
  131. 131 Vraag 41
  132. 132 Toetsen bovenstaande hypotheses 1-4 hoofd- of interactie-effecten? 41
  133. 133 Hypothese 1 betreft het hoofdeffect van negatief affect. Hiervoor neem je niet 'tijd' op als een voorspeller in je model, maar alleen NegatiefAffect zoals gemeten op de verschillende tijdstippen. 41
  134. 134 Hypotheses 2 en 3 betreffen tweeweginteracties. Je onderzoekt of het (beepleveleffect) tussen NegatiefAffect en SeksueelVerlangen anders is voor verschillende niveaus van seksuele excitatie (SES), respectievelijk anders is voor vrouwen dan mannen (sekse). 41
  135. 135 Hypothese 4 betreft een drieweginteractie. Je onderzoekt of de interactie tussen predictor (NA) en primaire moderator (SES) anders is voor mannen dan voor vrouwen (i.e., gemodereerd wordt door secundaire moderator sekse). 41
  136. 136 Vraag : Stel dat we voor iedere hypothese een apart model zouden maken. Maak met behulp van bovenstaande informatie voor iedere hypothese de wiskundige vergelijkingen van de model 41
  137. 137 Vraag 42
  138. 138 Hoe kun je nagaan of de relaties tussen negatief affect en seksueel verlangen verschillen tussen personen? 42
  139. 139 Antwoord: Of er verschillen bestaan tussen de deelnemers in de beeplevelassociatie tussen NegatiefAffect en SeksueelVerlangen, toets je door in het model random slopes toe te staan. Hiermee sta je het model toe om voor iedere deelnemer een eigen associatie te specificeren. 42
  140. 140 Wanneer het model met random slopes een significante verbetering is van het model waarin die variatie in beeplevelassociatie niet is toegestaan, dan neem je die random slopes in je model blijvend opnemen. Dit alles doe je voordat je hypothese 2 en 3 – de interactiehypotheses – gaat toetsen. 42
  141. 141 Drieweginteractie 42
  142. 142 Omdat je ook een drieweg-interactie (hypothese 4: NegatiefAffect*sekse*SES) wilt toetsen, heb je het model met alleen de drie tweeweg-interacties (NegatiefAffect* SES, NegatiefAffect*sekse en SES*sekse) nodig om mee te kunnen vergelijken. Naast de drieweg-interactie neem je dus ook de tweeweg-interactie tussen SES en sekse zelf op. 42
  143. 143 3.2.2 Tutorial - Datascreening 42
  144. 144 In het vervolg van deze opdracht ga je de opgestelde hypotheses toetsen. Je bouwt de multilevel modellen stapsgewijs op en baseert gaandeweg je conclusies met betrekking tot de hypotheses op de resultaten die je vindt. Dit proces van modelvorming en toetsing doorloop je stap voor stap aan de hand van de onderstaande tekst en uitwerkingen. 42
  145. 145 1. Datascreening 42
  146. 146 A. Inspecteer de data en selecteer de relevante variabelen. Wat is het meetniveau van de variabelen? 42
  147. 147 B. Bekijk de verdelingsvormen, outliers en missende waarden van de relevante variabelen die eenmalig gemeten zijn. Geven de uitkomsten aanleiding om de data op te schonen? Tip: maak een (tijdelijke) selectie van variabelen op het 1e meetmoment. 42
  148. 148 C. Bekijk de bivariate relaties (correlaties) tussen relevante variabelen. Wat concludeer je uit dit onderdeel van de screening? Tip: gebruik hiervoor het geaggregeerde databestand. 42
  149. 149 D. Bestudeer mogelijke outliers en de verdeling van de uitkomstvariabele SeksueelVerlangen. Check of de verdelingen bij benadering normaal zijn. Zijn er uitbijters? Zijn er personen die systematisch (op meerdere meetmomenten) extreme scores hebben op seksueel verlangen? 42
  150. 150 E. Bekijk de gemiddelde mate van SeksueelVerlangen over de verschillende meetmomenten. Wat valt je op? 42
  151. 151 3.2.3 Tutorial - Analyse van multilevelmodellen 43
  152. 152 Model 0 - Intercept only model (leeg model) 43
  153. 153 We beginnen de analyse met een model waarin de uitkomstvariabele (SeksueelVerlangen) wordt 'voorspeld' op basis van de (random) clustervariabele (subjnr). 'Voorspeld' staat tussen aanhalingstekens, omdat de clustervariabele géén voorspeller is, maar helpt wel om te schatten hoe veel variantie zich bevindt op het niveau van personen en hoe veel variantie zich bevindt op het niveau van meetmomenten. Dat geeft een indicatie van de hoeveelheid variantie die we in complexere modellen kunnen proberen te verklaren met voorspellers op respectievelijk niveau 2 en niveau 1. Het nulmodel is de start van je multilevelanalyse en is tegelijk ook een onderbouwing voor het gebruik ervan. Hoe hoger de ICC, des te meer reden om een multilevelanalyse uit te voeren. Door geen voorspeller op te nemen in het model ('empty model') wordt voor iedere persoon één (voorspelde) score op SeksueelVerlangen berekend wat een afspiegeling is van het gemiddelde van alle 70 metingen. Dat zal natuurlijk geen optimale voorspelling zijn en de latere toevoeging van daadwerkelijke voorspellers verbetert het model waarschijnlijk aanzienlijk. 43
  154. 154 Om vergelijking met complexere modellen te kunnen maken, noteren we de modelfitmaten van het nulmodel: AIC (36664), BIC (36684) en deviance (-2LL = -2 * -18328.871 = 36657.741). 43
  155. 155 Bovenstaande grafiek is gemaakt om voor een kleine selectie van respondenten te tonen welke informatie wel en niet uit het nulmodel gehaald kan worden. De horizontale lijnen geven de gemiddelde scores van de respondenten over alle meetmomenten weer. Er is geen relatie tussen negatief affect en seksueel verlangen zichtbaar. Dat is ook logisch, want negatief affect is niet opgenomen in dit model. Het nulmodel “voorspelt” voor alle waarden van negatief affect (en elke andere voorspeller die niet in het model is opgenomen) dezelfde waarde. Omdat er een random intercept aan het model is toegevoegd, is het nog wel mogelijk om het gemiddelde per persoon te berekenen. Bij een model zonder random intercept (single-level regressieanalyse dus) is ook dat niet het geval en zou er maar één horizontale lijn geplot worden, namelijk ter hoogte van het steekproefgemiddelde - het fixed intercept van 5.73. 44
  156. 156 Model 1a - Fixed slope model 44
  157. 157 Het tweede model dat we bekijken is eveneens een random-interceptmodel, maar hierbij is NegatiefAffect toegevoegd als voorspeller van SeksueelVerlangen. 44
  158. 158 Centreren bij ESM-data 44
  159. 159 Tot nu toe hebben we je steeds geleerd om continue variabelen te centreren wanneer ze voorkomen in een interactie. Bij ESM-data levert dat extra complexiteit op, waar we in deze cursus verder niet op in zullen gaan. Daarom gebruiken we bij predictorvariabele bij ESM-data een ongecentreerde predictorvariabele, zoals je bij het runnen van model 1a hebt gebruikt. De moderatoren zijn wel gestandaardiseerd (en daarmee dus automatisch gecentreerd rondom het gemiddelde). Dat helpt verderop bij verwerkingsopdracht 3.2.5 weer om regressievergelijken en grafieken makkelijker te kunnen koppelen aan elkaar. Binnen deze cursus kun je dat voorbeeld volgen: bij ESM-data hoef je een continue predictor niet te centreren en een continue moderatorvariabele kun je standaardiseren. 44
  160. 160 Model 1a past op basis van alle drie de fit indices beter bij de data dan model 0. De exacte p-waarde van de bijbehorende chi-kwadraattoets kun je uitrekenen 44
  161. 161 Model 1b - Random slope model 44
  162. 162 In model 1b is het random effect voor de voorspeller NegatiefAffect toegevoegd. Dit is een belangrijk detail, want met deze zogenaamde 'random slope' sta je het model toe om voor iedere individuele deelnemer een aparte regressielijn te specificeren die het verband weergeeft voor alleen die deelnemer. Je verwacht namelijk dat verschillende deelnemers een verschillend verband tussen NegatiefAffect en SeksueelVerlangen laten zien. 44
  163. 163 Echter, je weet niet zeker of dit ook zo is. Als het model met 'random slopes' een significante verbetering oplevert ten opzichte van het model zonder 'random slopes', dan is het nodig dit aspect op te nemen in je model. Mocht het niet nodig zijn, dan zegt dat dat de samenhang tussen NegatiefAffect en SeksueelVerlangen voor iedere persoon (nagenoeg) hetzelfde is. 44
  164. 164 In vergelijking met model 1a zijn er twee extra parameters bijgekomen: (1) een extra parameter die de variantie schat van de regressiecoëfficiënten van de regressielijnen die bij de individuele deelnemers horen en (2) de correlatie tussen de random intercepts en de regressiecoëfficiënten. 44
  165. 165 Uit de modelvergelijking blijkt dat op basis van de deviance model 1b significant beter bij de data past dan model 1a. Ook de AIC en BIC zijn gedaald. Daarom nemen we in de volgende modellen naast een random intercept tevens een random slope op voor NegatiefAffect. 45
  166. 166 Onderstaande grafieken (gemaakt met jamovi) geven treffend weer wat de verschillen zijn tussen model 1a en 1b. De (n = 133) regressielijnen in de linkergrafiek zijn allemaal parallel (dat wil zeggen, fixed slope van NegatiefAffect). De regressielijnen in de rechtergrafiek zijn niet parallel (dat wil zeggen, random slope van NegatiefAffect). Voor de meeste personen in de rechtergrafiek is er een negatieve samenhang tussen NegatiefAffect en SeksueelVerlangen, maar er zijn ook enkele personen bij wie een positieve samenhang waarneembaar is. 45
  167. 167 De rechtergrafiek geeft goed weer dat door het opnemen van een random slope de lijnen nog steeds redelijk parallel lopen, op enkele (stijgende) lijnen na, die duiden op een positieve samenhang tussen negatief affect en seksueel verlangen (voor die personen). 45
  168. 168 De overall negatieve samenhang tussen NegatiefAffect en SeksueelVerlangen is de te zien in de parameterschatting voor NegatiefAffect (b = -0.270, SE = 0.061, p < .001) geeft een negatieve associatie weer tussen NegatiefAffect en SeksueelVerlangen. Een hoger negatief affect gaat over het algemeen samen met een lager seksueel verlangen. 45
  169. 169 Model 2 - Hoofdeffectenmodel 45
  170. 170 Het vierde model is een model waarin twee extra predictorvariabelen zijn opgenomen, namelijk seksuele excitatie (SES) en sekse. Inhoudelijk gezien is dit model slechts een tussenstation in de reeks van modelvergelijkingen, omdat de toetsing van hoofdeffecten niets zegt over de relatie tussen NegatiefAffect en SeksueelVerlangen per persoon. Belangrijk hierbij is dat SES en sekse persoonsvariabelen zijn en dat het effect dat je zult kunnen afleiden uit de tabel met Fixed Effects het effect is van SES en sekse op het gemiddelde van SeksueelVerlangen per cluster (in dit geval, per persoon). Overigens werken we hier met een gestandaardiseerde variabele voor SES, omdat daardoor de resultaten wat beter interpreteerbaar zijn. 45
  171. 171 Uit AIC, BIC en deviance kunnen we concluderen dat model 2 in een verbetering in fit resulteert in vergelijking met model 1b. 46
  172. 172 De hoofdeffecten zijn alle drie significant. NegatiefAffect heeft (ook in dit model) een negatieve relatie met SeksueelVerlangen (b = -0.272, SE = 0.061, p < .001). Op momenten waarop iemand meer negatief affect ervaart, zal diegene minder seksueel verlangen voelen. Een toename van 1 punt NegatiefAffect hangt samen met een afname van 0.27 punt SeksueelVerlangen, gecontroleerd voor SES en sekse. SES hangt positief samen met SeksueelVerlangen (b = 1.257, SE = 0.219, p < .001): meer seksuele opwinding voorspelt gemiddeld meer seksueel verlangen, gecontroleerd voor NegatiefAffect en sekse. Verder zien we dat vrouwen een significant lagere voorspelde score hebben op seksueel verlangen dan mannen (b = -1.023, SE = 0.455, p = .026), gecontroleerd voor NegatiefAffect en sekse. 46
  173. 173 Model 3 - Model met (alle) tweeweg-interactietermen 46
  174. 174 In model 3 toetsen we hypotheses 2 en 3 door de tweeweg-interacties tussen SES en NegatiefAffect en tussen sekse en NegatiefAffect toe te voegen. In totaal zijn er in model 3 in vergelijking met het vorige model drie extra tweeweg-interactietermen opgenomen. Naast de interactie tussen negatief affect en seksuele excitatie, de interactie tussen negatief affect en sekse is ook de interactie tussen seksuele excitatie en sekse toegevoegd. De laatste interactie voeg je vooral toe om straks het model te kunnen vergelijken met een model waarin de drieweg-interactie tussen negatief affect, seksuele excitatie en sekse is opgenomen. 46
  175. 175 Uit alle fitmaten in de modelvergelijking blijkt dat model 3 ten opzichte van model 2 niet tot een verbetering in fit leidt. 46
  176. 176 Uit de analyse van de fixed effects van model 3 komt naar voren dat de drie hoofdeffecten qua richting en nog steeds 'redelijk intact' zijn, maar de effecten van SES en sekse zijn niet meer significant (p > 0.05) wanneer de tweeweginteracties worden toegevoegd. 46
  177. 177 Op basis van de statistische toetsing van de interactietermen NegatiefAffect∗SES (b = 0.061, SE = 0.068, p = 0.376) en NegatiefAffect∗sekse (b = 0.096, SE = 0.137, p = 0.484) kunnen we beslissen dat hypotheses 2 en 3 niet houdbaar zijn. 46
  178. 178 De modelfitstatistieken en de significantieniveaus van de afzonderlijke interactietermen geven voldoende statistische argumenten om model 2 te verkiezen boven model 3. 46
  179. 179 Model 4 - Model met extra drieweg-interactieterm 46
  180. 180 Met de analyse van dit laatste en meest complexe model willen we nagaan of de (modererende) rol van seksuele excitatie in de relatie tussen (momentaan) negatief affect en seksueel verlangen voor mannen anders is dan voor vrouwen. Mogelijk is er alleen zo'n (modererend) effect voor mannen (hypothese 4). In vergelijking met het vorige model is in model 3 daarom één extra drieweg-interactieterm opgenomen, namelijk die tussen sekse, negatief affect en seksuele excitatie. 47
  181. 181 Model 4 geeft geen verbetering in fit in vergelijking met model 3. Uit de resultaten blijkt ook dat er geen significante drieweg-interactie is (b = -0.272, SE = 0.156, p = .085). We kunnen dus concluderen dat er ook geen ondersteuning is voor hypothese 4. 47
  182. 182 De modelfitstatistieken en de significantieniveaus van de afzonderlijke interactietermen geven ook hier voldoende statistische argumenten om model 2 te verkiezen boven model 4. Overall kunnen we concluderen dat er alleen voldoende ondersteuning is voor hypothese 1: op momenten waarop negatief affect hoger is, is het seksueel verlangen lager. 47
  183. 183 3.2.4 Tutorial - Grafieken maken 47
  184. 184 Ook voor de ESM-data maken we weer een grafiek. Hiervoor geldt hetzelfde als voor de grafieken over ontwikkelingen over tijd: bedenk eerst welke boodschap je wilt overbrengen en kies op basis daarvan informatieve variabelen en componenten. 47
  185. 185 In de twee grafieken is te zien dat alle lijnen een dalende trend vertonen. Daaruit kun je afleiden dat er een hoofdeffect van NegatiefAffect is. Daarnaast geven de figuren aan dat voor mannen een iets ander patroon voorspeld is voor de relatie tussen NegatiefAffect en Seksueel Verlangen, wanneer deze is uitgesplitst naar drie niveaus van seksuele excitatie. Voor mannen is er wel een interactie waarneembaar tussen NegatiefAffect en SES en voor vrouwen niet. Deze verschillende tweeweginteracties voor mannen en vrouwen wijzen op een drieweginteractie. Inspectie van de tabel met Fixed effects laat zien dat deze niet significant is. 47
  186. 186 3.2.5 Verwerkingsopdracht - analyse van ESM-data 47
  187. 187 In deze verwerkingsopdracht ga je een multilevelanalyse uitvoeren met het databestand dat centraal stond in tutorial 3.2.1: SexESM.sav. Anders dan in de tutorial, wordt je niet stap-voor-stap begeleid bij de analyse, maar wordt verwacht dat je de analyses zelfstandig kunt uitvoeren en tussentijds de juiste beslissingen kunt nemen. 47
  188. 188 Opdracht - De rol van seksueel remmende gedachten 47
  189. 189 A. Formuleer een vraagstelling en vier bijbehorende hypotheses. 47
  190. 190 B. de datascreening (bijvoorbeeld de correlaties op aggregaat niveau), maar SIS2 is nog niet in detail bekeken. Bekijk de verdeling van deze variabele en check of er outliers zijn. Maak tevens een scatterplot om de samenhang tussen SIS2 en seksueel verlangen te visualiseren. Vind je dat hier sprake is van een 'lineaire' samenhang? 47
  191. 191 C. Maak meerdere multilevelmodellen waarmee de vier hypotheses getoetst kunnen worden. Bouw daarbij de modellen stapsgewijs op. Neem dus beginnend met het nulmodel stapsgewijs steeds meer componenten op en besluit de reeks van modelvergelijkingen met een model waarin een drieweg-interactiecomponent is opgenomen. Welk model is het meest geschikt om de relaties in de data adequaat te beschrijven en wat zeggen deze resultaten over de hypotheses die je eerder hebt geformuleerd? 47
  192. 192 D. Maak eventueel één of meerdere grafieken voor een inzichtelijke visuele representatie van de relaties tussen de variabelen. 48
  193. 193 Thema 4 - Mediatie 48
  194. 194 In dit thema leer je wat het begrip statistische mediatie betekent en hoe je een mediatieanalyse zelf kunt uitvoeren. In de casus behorend bij dit thema voer je een klein onderzoek uit op basis van een databestand. Je voert een mediatieanalyse uit waarbij je nagaat of contraproductief gedrag op het werk samenhangt met de perceptie van een vorm van rechtvaardigheid in de werksituatie. Daarnaast onderzoek je of deze relatie wordt gemedieerd door andere variabelen, in de eerste plaats door vertrouwen in de leiding en later in dit thema door cynisme ten opzichte van de organisatie. 48
  195. 195 Dit model is in principe een longitudinaal model, omdat de predictor gemeten is voor de mediator en de mediator weer voor de afhankelijke variabele. 48
  196. 196 Leerdoelen 48
  197. 197 Na het afronden van dit thema kun je 48
  198. 198 een conceptueel model opstellen voor mediatieprobleemstellingen 48
  199. 199 een mediatieanalyse uitvoeren en de resultaten daarvan correct interpreteren. 48
  200. 200 Samenvatting Thema 4 – Mediatie 48
  201. 201 1. Wat is statistische mediatie? 48
  202. 202 Definitie: Mediatie treedt op wanneer de relatie tussen een onafhankelijke variabele (X) en een afhankelijke variabele (Y) (gedeeltelijk) verloopt via een derde variabele (M). 48
  203. 203 In plaats van een direct effect X → Y, bekijk je of er een indirect pad is: 48
  204. 204 X → M (a-pad) 48
  205. 205 M → Y (b-pad) 48
  206. 206 Het indirect effect is: a × b 48
  207. 207 Het directe effect (c’-pad) blijft over nadat M is meegenomen. 48
  208. 208 Het totale effect is: c = c’ + (a × b). 48
  209. 209 2. Conceptueel model opstellen 48
  210. 210 Een mediatiemodel wordt vaak weergegeven in een padendiagram: 48
  211. 211 Predictor (X) → Mediator (M) → Afhankelijke variabele (Y) 48
  212. 212 Er is ook een directe pijl van X → Y. 48
  213. 213 Voorbeeld uit de casus: 48
  214. 214 X = perceptie van rechtvaardigheid 48
  215. 215 M = vertrouwen in de leiding (en later: cynisme) 48
  216. 216 Y = contraproductief werkgedrag 48
  217. 217 3. Longitudinaal aspect 48
  218. 218 In deze cursuscasus wordt gewerkt met een longitudinaal design: 48
  219. 219 Predictor (X) is eerder in de tijd gemeten dan de mediator (M). 48
  220. 220 Mediator (M) is eerder gemeten dan de afhankelijke variabele (Y). 48
  221. 221 Dit versterkt de mogelijkheid om een causale volgorde te veronderstellen (al blijft het statistisch gezien nog steeds associatief). 48
  222. 222 4. Hoe voer je een mediatieanalyse uit? 48
  223. 223 Meestal via regressiemodellen (of SEM). 48
  224. 224 Stappen: 48
  225. 225 1. X → M (a-pad: voorspelt de predictor de mediator?) 48
  226. 226 2. M → Y met controle voor X (b-pad: voorspelt mediator de afhankelijke variabele?) 48
  227. 227 3. X → Y (c-pad: totaal effect). 48
  228. 228 4. X → Y met M toegevoegd (c’-pad: direct effect). 48
  229. 229 Bereken het indirecte effect (a × b). 48
  230. 230 Betrouwbaarheidsintervallen (bv. via bootstrapping) bepalen of het indirecte effect significant is. 48
  231. 231 5. Resultaten interpreteren 48
  232. 232 Volledige mediatie: Het directe effect (c’) wordt niet meer significant wanneer de mediator wordt toegevoegd. 48
  233. 233 Partiële mediatie: Zowel het directe als indirecte effect zijn significant. 48
  234. 234 Geen mediatie: Het indirecte effect is niet significant. 49
  235. 235 6. Specifiek in deze casus 49
  236. 236 Onderzocht wordt of de relatie tussen rechtvaardigheid en contraproductief gedrag gemedieerd wordt door: 49
  237. 237 Vertrouwen in de leiding 49
  238. 238 Later: Cynisme 49
  239. 239 Conceptueel model: rechtvaardigheid → vertrouwen/cynisme → contraproductief gedrag. 49
  240. 240 ✅ Leerdoelen behaald als je: 49
  241. 241 1. Zelf een mediatiemodel kunt tekenen en de hypothesen formuleren. 49
  242. 242 2. Een mediatieanalyse kunt uitvoeren (in SPSS, R of een ander pakket). 49
  243. 243 3. De directe, indirecte en totale effecten correct kunt rapporteren en interpreteren. 49
  244. 244 Visueel: 49
  245. 245 Hier is een visueel schema van het mediatiemodel: 49
  246. 246 X (Predictor: Rechtvaardigheid) beïnvloedt M (Mediator: Vertrouwen/Cynisme) via pad a. 49
  247. 247 M beïnvloedt vervolgens Y (Contraproductief gedrag) via pad b. 49
  248. 248 Er blijft ook een directe route van X naar Y over (c’). 49
  249. 249 Het indirecte effect wordt berekend als a × b. 49
  250. 250 4.1 Theoretisch kader en conceptueel model 49
  251. 251 Waarom is een surveyonderzoek minder geschikt voor het doen van een mediatieanalyse? 49
  252. 252 Antwoord: Bij een survey wordt niet voldaan aan twee van de drie voorwaarden die gelden bij causaliteit. De predictor wordt niet eerder gemeten dan de afhankelijke variabelen en de storende invloed van andere variabelen kan niet worden uitgesloten. 49
  253. 253 Een mediator geeft inzicht in het causale proces tussen predictor en afhankelijke variabele. De aanwezigheid van een mediator geeft een mogelijke verklaring van dit proces. 49
  254. 254 Een moderator geeft aan onder welke voorwaarden er een bepaald effect van predictor op de afhankelijke variabele is. We spreken daarom ook wel van conditionele effecten: effecten onder bepaalde voorwaarden. 49
  255. 255 4.2 Mediatieanalyse met één mediator 49
  256. 256 De gedachtegang in deze casus is dat ervaren onrechtvaardigheid kan leiden tot meer contraproductief gedrag. Je kunt je dan afvragen waarom onrechtvaardigheid tot contraproductief gedrag zal leiden. Een mogelijkheid is dat onrechtvaardigheid het vertrouwen in het management ondermijnt en dat gebrek in vertrouwen zal leiden tot meer contraproductief gedrag. Omgekeerd zal het ervaren van bijvoorbeeld procedurele rechtvaardigheid (PR) het vertrouwen (Trust) kunnen verhogen waardoor contraproductief gedrag (CG) afneemt. Het mediatiemodel bij deze redenering ziet er als volgt uit. 49
  257. 257 Een hypothese bij dit model luidt als volgt: 50
  258. 258 Het effect van procedurele rechtvaardigheid op contraproductief gedrag wordt gemedieerd door het vertrouwen in het management. 50
  259. 259 Een mediatieanalyse kan zowel met jamovi als met SPSS efficiënt worden uitgevoerd. 50
  260. 260 Opdracht 50
  261. 261 Bekijk de beschrijvende statistieken van de rechtvaardigheidsvariabelen, vertrouwen, cynisme en contraproductief gedrag. 50
  262. 262 Maak ook een correlatietabel van deze variabelen. 50
  263. 263 Beschrijf de resultaten en eventueel opvallende uitkomsten. 50
  264. 264 Voer een mediatieanalyse uit om het hierboven beschreven mediatiemodel 1 te toetsen: PR → Trust → CG. 50
  265. 265 Wat zijn de conclusies? 50
  266. 266 Online uitleg: Voordat we kijken of er sprake is van mediatie, kijken we eerst of er in een model zonder mediator een relatie tussen predictor (procedurele rechtvaardigheid) en uitkomstmaat (contraproductief gedrag) is. Deze relatie vinden we bij Total. Daaruit concluderen we dat procedurele rechtvaardigheid significant minder contraproductief gedrag voorspelt (b = -0.73 [-0.85,-0.61], z = -11.95, p < .001). 50
  267. 267 Om te schatten of een deel van die relatie verklaard kan worden door vertrouwen, kijken we naar het indirecte effect. In dit geval is het indirecte effect negatief en significant (b = -0.56 [-0.72,-0.41], z = -7.07, p < .001). Het gestandaardiseerde indirecte effect (bèta) is -0.43. Om de richting van die indirecte relatie beter te duiden, kijken we naar de individuele componenten van de mediatie. We zien dat procedurele rechtvaardigheid significant meer vertrouwen voorspelt (b = 1.10 [1.01, 1.20], z = 24.04, p < .001) en dat meer vertrouwen significant minder contraproductief gedrag voorspelt (b = -0.51 [-0.64,-0.37], z = -7.40, p < .001). 50
  268. 268 Verder kun je ook informatie over de verklaarde variantie uit de output halen. In de uitwerking in jamovi vind je onder tabel met Indirect and Total effects tabellen met daarin de afzonderlijke regressieresultaten (Regression results) van deze analyse. Bij Total effects valt af te lezen dat procedurele rechtvaardigheid 30.9% van de variantie van contraproductief gedrag verklaart als deze voorspeller als enige in het model is opgenomen. Onder Full model effects staat dat de verklaarde variantie stijgt naar 41.0%, wanneer vertrouwen wordt toegevoegd als mediator. 50
  269. 269 Chat uitleg: 50
  270. 270 1. Structuur van de tabel 51
  271. 271 De tabel laat de indirecte, directe en totale effecten zien van een mediatiemodel. 51
  272. 272 PR = Perceived Justice (perceptie van rechtvaardigheid) 51
  273. 273 Trust = Vertrouwen in leidinggevende (mediator) 51
  274. 274 CG = Contraproductief gedrag (afhankelijke variabele) 51
  275. 275 2. Belangrijkste kolommen 51
  276. 276 Effect: de geschatte sterkte van de relatie (ongeveer de regressiecoëfficiënt). 51
  277. 277 SE: standaardfout (mate van onzekerheid). 51
  278. 278 95% C.I. (Lower – Upper): betrouwbaarheidsinterval; als dit interval 0 niet bevat, is het effect significant. 51
  279. 279 β (beta): gestandaardiseerd effect (vergelijkbaar met een regressie β; maakt vergelijking tussen variabelen mogelijk). 51
  280. 280 z: toetsingsstatistiek (effect / SE). 51
  281. 281 p: significantieniveau. 51
  282. 282 3. Interpretatie van de effecten 51
  283. 283 Indirect effect 51
  284. 284 PR ⇒ Trust ⇒ CG: Estimate = -0.56, p < .001 51
  285. 285 Betekent dat rechtvaardigheid indirect leidt tot minder contraproductief gedrag, via vertrouwen. 51
  286. 286 Negatief teken = hoe meer rechtvaardigheid, hoe lager CG, via hoger vertrouwen. 51
  287. 287 Significant → het mediatie-effect is aanwezig. 51
  288. 288 Componenten van het indirecte effect 51
  289. 289 PR ⇒ Trust: 1.10, p < .001 51
  290. 290 Rechtvaardigheid hangt sterk positief samen met vertrouwen. 51
  291. 291 Meer rechtvaardigheid → meer vertrouwen. 51
  292. 292 Trust ⇒ CG: -0.51, p < .001 51
  293. 293 Vertrouwen hangt negatief samen met contraproductief gedrag. 51
  294. 294 Meer vertrouwen → minder contraproductief gedrag. 51
  295. 295 ? Samen geven deze componenten het indirecte effect (1.10 × -0.51 ≈ -0.56). 51
  296. 296 Direct effect 51
  297. 297 PR ⇒ CG: -0.17, p = .073 (ns) 51
  298. 298 Rechtvaardigheid heeft geen significant direct effect op contraproductief gedrag, zodra vertrouwen is meegenomen. 51
  299. 299 Dit suggereert dat de relatie vrijwel volledig via de mediator loopt. 51
  300. 300 Total effect 51
  301. 301 PR ⇒ CG: -0.73, p < .001 51
  302. 302 Zonder de mediator meegerekend is er een sterk negatief verband: meer rechtvaardigheid → minder contraproductief gedrag. 51
  303. 303 Zodra vertrouwen wordt toegevoegd, verdwijnt dit effect grotendeels (volledige mediatie). 51
  304. 304 4. Conclusie uit deze tabel 51
  305. 305 Volledige mediatie: Rechtvaardigheid beïnvloedt contraproductief gedrag volledig via vertrouwen. 51
  306. 306 Mechanisme: Rechtvaardigheid → meer vertrouwen in leiding → minder contraproductief gedrag. 51
  307. 307 Dit is precies wat mediatieanalyse wil aantonen: de verklaring (M) voor het verband tussen X en Y. 51
  308. 308 ? Ezelsbruggetje voor interpretatie: 51
  309. 309 1. Kijk eerst naar componenten (a en b-paden): zijn die significant? 51
  310. 310 2. Kijk dan naar het indirect effect (a × b): is dat significant? 51
  311. 311 3. Kijk naar het directe effect (c’): significant of niet? 51
  312. 312 Ja → partiële mediatie 51
  313. 313 Nee → volledige mediatie 51
  314. 314 Checklist Mediatie-analyse interpreteren 51
  315. 315 Stap 1: Check de componentpaden 52
  316. 316 X → M (a-pad): is de predictor significant gerelateerd aan de mediator? 52
  317. 317 M → Y (b-pad): is de mediator significant gerelateerd aan de afhankelijke variabele (met X in het model)? 52
  318. 318 ? Beide moeten significant zijn om mediatie aannemelijk te maken. 52
  319. 319 Stap 2: Bereken of bekijk het indirecte effect (a × b) 52
  320. 320 Staat meestal apart in de output. 52
  321. 321 Controleer of het betrouwbaarheidsinterval (95% CI) 0 niet bevat en de p-waarde < .05 is. 52
  322. 322 Significant? → er is mediatie. 52
  323. 323 Stap 3: Check het directe effect (c’-pad) 52
  324. 324 X → Y met M in het model. 52
  325. 325 Vraag: blijft er nog een significant verband over? 52
  326. 326 ? Twee scenario’s: 52
  327. 327 Niet significant → Volledige mediatie (relatie loopt helemaal via M). 52
  328. 328 Nog steeds significant → Partiële mediatie (zowel direct als via M). 52
  329. 329 Stap 4: Kijk naar het totale effect (c-pad) 52
  330. 330 X → Y zonder mediator. 52
  331. 331 Dit geeft de “ruwe” relatie weer. 52
  332. 332 Handig om te vergelijken met het directe effect om te zien hoeveel van het verband via M verloopt. 52
  333. 333 Stap 5: Rapporteren 52
  334. 334 Schrijf altijd over: 52
  335. 335 De richting en grootte van de effecten (positief/negatief, sterk/zwak). 52
  336. 336 Of de mediatie volledig of partieel is. 52
  337. 337 Het mechanisme: “X beïnvloedt Y doordat X leidt tot meer/ minder M, wat op zijn beurt leidt tot meer/ minder Y.” 52
  338. 338 ✅ Kort ezelsbruggetje: 52
  339. 339 1. a-pad check 52
  340. 340 2. b-pad check 52
  341. 341 3. a × b significant? 52
  342. 342 4. c’ check → partiële of volledige mediatie? 52
  343. 343 4.3 Mediatieanalyse met meerdere mediatoren en verslaglegging 52
  344. 344 In deze studietaak ga je aan de slag met een mediatieanalyse waarbij er meerdere mediatoren en covariaten zijn. Ook bespreken we kort hoe je een mediatieanalyse kunt rapporteren in een onderzoeksverslag of wetenschappelijk artikel. 52
  345. 345 CHAT: dezelfde basisaanpak en checklist geldt ook bij meerdere mediatoren – maar er komen wat extra’s bij kijken. Ik leg het even helder uit: 52
  346. 346 ? Mediatie met meerdere mediatoren 52
  347. 347 1. Parallelle mediatie 53
  348. 348 Je hebt meerdere mediatoren (M1, M2, …) die tegelijk in het model worden gezet. 53
  349. 349 Voorbeeld: 53
  350. 350 X = rechtvaardigheid 53
  351. 351 M1 = vertrouwen in leiding 53
  352. 352 M2 = cynisme 53
  353. 353 Y = contraproductief gedrag 53
  354. 354 Analyse: 53
  355. 355 Schat elk indirect pad afzonderlijk (X → M1 → Y en X → M2 → Y). 53
  356. 356 Het totaal indirect effect is de som van de afzonderlijke indirecte effecten. 53
  357. 357 ? Interpretatie: je kunt zeggen hoeveel van het effect van X via M1 loopt, hoeveel via M2, en of er nog een direct effect overblijft. 53
  358. 358 2. Sequentiële (seriële) mediatie 53
  359. 359 Mediatoren volgen elkaar in een keten: X → M1 → M2 → Y. 53
  360. 360 Je test dan meerdere indirecte paden: 53
  361. 361 X → M1 → Y 53
  362. 362 X → M2 → Y 53
  363. 363 X → M1 → M2 → Y 53
  364. 364 Dit laat zien of er een proces in stappen is. 53
  365. 365 ? Verslaglegging bij meerdere mediatoren 53
  366. 366 Bij het rapporteren hou je dezelfde structuur aan als bij één mediator, maar specifieker: 53
  367. 367 1. Conceptueel model tekenen (met alle mediatoren en pijlen). 53
  368. 368 2. Resultaten rapporteren per pad: 53
  369. 369 Effect X → M1, X → M2, enz. 53
  370. 370 Effecten van M1 en M2 op Y. 53
  371. 371 3. Indirecte effecten: 53
  372. 372 Rapporteer per mediator (bv. indirect effect via vertrouwen, via cynisme). 53
  373. 373 Geef ook het totaal indirect effect. 53
  374. 374 4. Direct en totaal effect: 53
  375. 375 Zeg of de mediatoren samen het verband volledig of partieel verklaren. 53
  376. 376 5. Interpretatie: beschrijf welk mechanisme het sterkst lijkt. 53
  377. 377 ✅ Checklist uitgebreid voor meerdere mediatoren 53
  378. 378 1. Zijn de afzonderlijke a-paden (X → Mi) significant? 53
  379. 379 2. Zijn de afzonderlijke b-paden (Mi → Y) significant? 53
  380. 380 3. Zijn de indirecte effecten (a × b per mediator) significant? 53
  381. 381 4. Is het directe effect (c’) nog significant nadat alle mediatoren zijn meegenomen? 53
  382. 382 5. Welke mediator(en) verklaren het grootste deel van het verband? 53
  383. 383 ? Dus: ja, je kunt exact dezelfde logica gebruiken, maar je kijkt nu per mediator én gezamenlijk naar de indirecte effecten. 53
  384. 384 Online: 53
  385. 385 Rapportage van een mediatieanalyse 53
  386. 386 De resultaten van een mediatieanalyse zijn uitgebreider en complexer dan bij een gewone regressieanalyse. Het is daarom lastig om de resultaten in een enkele tabel samen te vatten. 53
  387. 387 Een meer compacte presentatie door middel van een figuur is soms heel inzichtelijk. 53
  388. 388 De regressiecoëfficiënten van alle afzonderlijke paden (pijlen) staan vermeld, samen met hun standard error tussen haakjes. De rechte pijl in het midden geeft het directe effect aan. De getallen in de blokjes van de mediatoren geven het indirecte effect aan. In het bijschrift onder de figuur wordt daarbij het betrouwbaarheidsinterval genoemd. In het blokje van de afhankelijke variabele wordt de verklaarde variantie van het volledige model gegeven. 54
  389. 389 Een covariaat of controlevariabele is een variabele die geen primair onderwerp van onderzoek is, maar die wel invloed kan hebben op de resultaten van een analyse omdat deze mogelijk samenhangt met de afhankelijke variabele in de analyse. Een covariaat kan de niet-verklaarde variantie van de afhankelijke variabelen verkleinen, waardoor een predictor relatief meer kan verklaren. 54
  390. 390 Er kan sprake zijn van significante (multiple) mediatie-effecten wanneer het totale effect van de predictor op de afhankelijke variabele niet significant is. Dit kan zich voordoen wanneer er verschillende tegengestelde causale mechanismen aan het werk zijn: het ene mechanisme versterkt het effect tussen de predictor en de afhankelijke variabele en het andere mechanisme verzwakt het effect, waardoor het resultaat op nul uit kan komen. 54
  391. 391 Voorbeeld rapportage: 54
  392. 392 Een resultatenparagraaf kan als volgt geschreven worden. In plaats van de figuur kun je ook een tabel presenteren met alle coëfficiënten. Merk op dat in jamovi geen schatting en betrouwbaarheidsinterval van het totale indirecte effect gegeven is bij het model met meerdere mediatoren. De rapportage daarvan in onderstaande tekst is afkomstig uit SPSS. Als je over de informatie beschikt, is het volledig om deze wel te rapporteren. Heb je de informatie niet, dan hoef je het totale indirecte effect niet te rapporteren in het geval van meerdere mediatoren. 54
  393. 393 Resultaten Een multiple-mediatieanalyse is uitgevoerd met behulp van jamovi (versie 2.3.38)/SPSS 29. In deze analyse zijn de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van het indirecte effect geschat door middel van de bootstrap methode (N = 1000). Leeftijd en sekse zijn als controlevariabelen in de analyse meegenomen. 54
  394. 394 Het model verklaart in totaal circa 48% van de variantie in contraproductief gedrag. De regressiecoëfficiënt voor het totale effect van distributieve rechtvaardigheid op contraproductief gedrag is b = -.75 (SE = 0.07, t = -11.63, p < 0.001). Meer distributieve rechtvaardigheid lijkt samen te hangen met minder contraproductief gedrag, hetgeen een bevestiging is van hypothese 1. 54
  395. 395 Negatief affect is een mediator van dit verband met een indirect effect van z = -0.29 (95%-CI = -0.39, -0.20), evenals cynisme, z = -0.33 (95%-CI = -0.56, -0.14). Het totale indirecte effect komt daarmee op z = -0.63 (95%-CI = -0.83, -0.44). Zowel hypothese 2 als 3 worden hiermee bevestigd. Het directe effect van distributieve rechtvaardigheid op contraproductief gedrag is b = -.13 (SE = 0.10, t = -1.25, p = 0.21) en is dus niet significant. 54
  396. 396 Leeftijd en sekse hebben vrijwel geen relatie met contraproductief gedrag. 54
  397. 397 Figuur 1 geeft een overzicht van de resultaten. De multiple-mediatieanalyse laat zien dat het effect van distributieve rechtvaardigheid op contraproductief gedrag (vrijwel) volledig wordt gemedieerd door negatief affect en cynisme. 54
  398. 398 Thema 5 - Huiswerkopdrachten 55
  399. 399 Als extra oefening kun je je in thema 5 nogmaals verdiepen in de statistische technieken van deze cursus: multilevelanalyse en mediatieanalyse. 55
  400. 400 Leerdoelen 55
  401. 401 Na het afronden van dit thema 55
  402. 402 ben je meer bekwaam in het uitvoeren van de analyses die in deze cursus worden onderwezen 55
  403. 403 heb je meer inzicht in de verschillen tussen moderatie-, mediatie- en multilevelanalyse. 55
  404. 404 Opdracht 5.1.1 Random-interceptmodel 55
  405. 405 Bij het analyseren van multilevelmodellen is het gebruikelijk om verschillende (geneste) modellen met elkaar te vergelijken om zo al explorerend te komen tot een model waarmee de data adequaat beschreven kunnen worden. Het is een goede gewoonte om daarbij als startpunt een multilevelmodel te nemen waarbij geen level-1 predictoren zijn opgenomen. Dit model wordt gewoonlijk omschreven als 'random-interceptmodel' en ook wel met de toepasselijke naam 'empty model' (leeg model) (Snijders & Bosker, 2012). 55
  406. 406 Opdracht 5.1.2 Multilevel regressiemodel 55
  407. 407 Aangezien het random-interceptmodel het meest eenvoudige multilevelmodel is, past dit model meestal het minst goed bij de data (met andere woorden, de -2LL is het hoogst). Met dit model als uitgangspunt kun je bijvoorbeeld nagaan of door het stapsgewijs opnemen van extra predictoren de overall fit van het model verbeterd kan worden. 55
  408. 408 Opdracht 5.1.3 Multilevel ANOVA met random intercept 55
  409. 409 Het doel van het onderzoek is natuurlijk om eventuele interventie-effecten van fitness en yoga op burn-outklachten vast te stellen. De variabele Conditie geeft aan welke interventie is toegepast (1 = Fitness, 2 = Yoga, 3 = Controle). De drie modellen in Tabel 3 zijn gemaakt om het effect van Conditie op Post_Burnout te onderzoeken, maar ze vertonen een oplopende complexiteit: model 5 is iets uitgebreider dan model 4 en model 6 is beduidend complexer dan de twee andere modellen. 55
  410. 410 Met aanwijzingen in de opdracht kunnen Bonferroni-gecorrigeerde post-hoctoetsen worden verkregen en een enkele of meerdere grafieken worden gemaakt (afhankelijk van de complexiteit van het model). Door de laatste stap (Estimated marginal means) verschijnt in de output een tabel met de verwachte gemiddelden op Post_Burnout voor de drie condities (zie tabel Estimated Marginal Means), waarbij tevens rekening wordt gehouden met een eventuele covariaat (voor model 5 en 6). 55
  411. 411 CHAT: 55
  412. 412 Bonferroni-gecorrigeerde post-hoctoetsen 55
  413. 413 1. Situatie 55
  414. 414 Stel: je doet een ANOVA en vindt een significant verschil tussen groepen. 55
  415. 415 ANOVA zegt: er is ergens een verschil, maar niet waar dat verschil zit. 55
  416. 416 Daarom doe je post-hoc toetsen: paren van groepen met elkaar vergelijken. 55
  417. 417 2. Het probleem 55
  418. 418 Hoe meer toetsen je doet, hoe groter de kans op een Type I-fout (ten onrechte iets significant vinden). 56
  419. 419 Voorbeeld: bij 5 groepen heb je 10 paren → kans op een fout stijgt snel. 56
  420. 420 3. De oplossing: Bonferroni-correctie 56
  421. 421 Bonferroni is een eenvoudige manier om de kans op Type I-fouten te controleren. 56
  422. 422 Werkwijze: deel het gekozen α-niveau (meestal .05) door het aantal toetsen. 56
  423. 423 Stel: α = .05 en je doet 10 toetsen → nieuwe grens = .05 / 10 = .005. 56
  424. 424 Alleen p-waarden die kleiner zijn dan deze aangepaste grens worden als significant beschouwd. 56
  425. 425 4. Toepassing in post-hoc toetsen 56
  426. 426 In software (SPSS, R, JASP, etc.) kun je kiezen voor Bonferroni post-hoc. 56
  427. 427 Het programma past automatisch de correctie toe op de p-waarden. 56
  428. 428 Je kunt dus veilig zeggen welke groepen echt van elkaar verschillen, zonder te veel kans op valse positieven. 56
  429. 429 ✅ Kort samengevat 56
  430. 430 Post-hoc toetsen: vergelijk groepen na een significante ANOVA. 56
  431. 431 Probleem: meer vergelijkingen = meer kans op toevallig significante resultaten. 56
  432. 432 Bonferroni-correctie: verlaagd α (bv. .05/ aantal toetsen) zodat je strenger toetst. 56
  433. 433 Nadeel: erg conservatief → kans op Type II-fouten (echte verschillen missen) wordt groter. 56
  434. 434 ? Ezelsbruggetje: Bonferroni = strenger rekenen. Je moet méér “verdienen” om significant te zijn. 56
  435. 435 Opdracht 5.1.4 Multilevel ANCOVA met random intercept 56
  436. 436 Als in aanvulling op de nominale variabele Conditie een extra numerieke predictor of covariaat wordt opgenomen, spreken we van een multilevel ANCOVA-model (zie Tabel 3, model 5). Zo’n covariaat wordt bij voorkeur gecentreerd, omdat daardoor de interpretatie vergemakkelijkt wordt. 56
  437. 437 CHAT: Multilevel ANCOVA met random intercept 56
  438. 438 1. Multilevel 56
  439. 439 Waarom multilevel? In longitudinale data worden metingen herhaald binnen dezelfde persoon. → Metingen zijn dus genest: meetmomenten (niveau 1) zitten binnen personen (niveau 2). 56
  440. 440 Klassieke ANOVA/ANCOVA gaat uit van onafhankelijke observaties, maar bij longitudinaal onderzoek zijn metingen van dezelfde persoon juist afhankelijk. 56
  441. 441 Multilevel analyse houdt rekening met die clustering. 56
  442. 442 2. ANCOVA 56
  443. 443 ANalysis of COVAriance: een ANOVA waarin je, naast categorische factoren (zoals Conditie), ook een numerieke covariaat/predictor opneemt. 56
  444. 444 Voorbeeld: je onderzoekt het effect van Conditie (behandelgroep vs. controle) op een uitkomst (bijv. stress), en je neemt leeftijd of baseline score mee als covariaat. 56
  445. 445 Door de covariaat te gebruiken, corrigeer je de groepsvergelijking voor verschillen die al door die variabele worden verklaard. 56
  446. 446 3. Random intercept 56
  447. 447 In een multilevel model voeg je vaak een random intercept toe. 56
  448. 448 Betekenis: elke persoon krijgt zijn eigen “startpunt” (eigen gemiddelde niveau van de afhankelijke variabele). 56
  449. 449 Daarmee corrigeer je voor het feit dat sommige mensen structureel hoger of lager scoren dan anderen, onafhankelijk van conditie of covariaat. 56
  450. 450 Technisch: het intercept (snijpunt) wordt niet als vast gezien, maar als een toevallig effect dat per individu kan variëren. 56
  451. 451 4. Gecentreerde covariaat 56
  452. 452 Covariaten worden vaak gecentreerd (bv. grand mean centering of group mean centering). 56
  453. 453 Waarom? 57
  454. 454 Interpretatie van het intercept wordt duidelijker: het staat dan voor de verwachte score bij de gemiddelde waarde van de covariaat. 57
  455. 455 Collineariteit wordt verminderd, vooral als je interacties gaat bekijken. 57
  456. 456 ✅ Samengevat 57
  457. 457 Een multilevel ANCOVA met random intercept is een model dat: 57
  458. 458 rekening houdt met de herhaalde metingen per persoon (multilevel), 57
  459. 459 een categorische voorspeller (Conditie) en een numerieke covariaat combineert (ANCOVA), 57
  460. 460 toelaat dat elk individu zijn eigen gemiddelde startniveau (random intercept) heeft. 57
  461. 461 ? Voorbeeld in jouw context 57
  462. 462 Stel: 57
  463. 463 Y = stressniveau (herhaald gemeten op 3 tijdstippen) 57
  464. 464 Conditie = interventie vs. controle 57
  465. 465 Covariaat = leeftijd 57
  466. 466 → Model: Stress ~ Conditie + Leeftijd + (1|Persoon) 57
  467. 467 Conditie: test of de groepen verschillen. 57
  468. 468 Leeftijd: corrigeert voor leeftijdsverschillen. 57
  469. 469 (1|Persoon): random intercept, zodat iedereen een eigen basisniveau van stress mag hebben. 57
  470. 470 Opdracht 5.1.5 Multilevel ANCOVA met interactie tussen twee level-1 variabelen (random intercept) 57
  471. 471 Model 6 is eveneens gemaakt om het effect van Conditie op Post_Burnout te onderzoeken, maar het is aanmerkelijk complexer dan alle voorgaande modellen. 57
  472. 472 Multilevel ANCOVA met interactie tussen twee level-1 variabelen (random intercept) 57
  473. 473 Hier voeg je een interactieterm toe: je onderzoekt of het effect van de ene variabele afhangt van de waarde van een andere variabele. 57
  474. 474 Belangrijk: beide voorspellers liggen op niveau 1 (binnen personen, dus variëren over de tijd of per meetmoment). 57
  475. 475 Voorbeeld: 57
  476. 476 Covariaat = “werkdruk” (per meetmoment) 57
  477. 477 Tweede level-1 predictor = “dagdeel” (ochtend vs. middag) 57
  478. 478 Interactie = Werkdruk × Dagdeel → test of het effect van werkdruk op de uitkomst verschilt tussen dagdelen. 57
  479. 479 Formuleachtig: 57
  480. 480 Kern van het verschil 58
  481. 481 Eerste model, ANCOVA met random intercept: je kijkt naar hoofdeffecten van conditie (niveau 2) en een covariaat (niveau 1). 58
  482. 482 Tweede model, ANCOVA met interactie (level-1 × level-1): je bekijkt daarnaast of twee level-1 variabelen elkaar beïnvloeden in hun relatie tot de uitkomst (een interactie-effect). 58
  483. 483 ? Ezelsbruggetje 58
  484. 484 ANCOVA met random intercept = “individuen hebben een eigen startpunt, maar effecten zijn gelijk voor iedereen.” 58
  485. 485 ANCOVA met interactie (level-1 × level-1) = “het effect van de ene binnen-persoonsvariabele hangt af van de andere binnen-persoonsvariabele.” 58
  486. 486 5.2 Casus actief bewegen 58
  487. 487 Opdracht 5.2.1 Oriëntatie op de casus In deze eindopdracht breng je de opgedane kennis in de praktijk aan de hand van een onderzoekscasus. 58
  488. 488 Pijlenschema 58
  489. 489 Opdracht 5.2.2 Enkelvoudig en multiple mediatiemodel voor beweeggedrag 58
  490. 490 Opdracht 5.2.3 Multiple mediatiemodel voor fysiek welbevinden 59
  491. 491 Opdracht 5.2.4 Mediatieanalyse met covariaten 59
  492. 492 Extra uitleg bij tentamenvragen 60
  493. 493 Niveau 60
  494. 494 Wat betekent het? 60
  495. 495 Voorbeeldvariabele 60
  496. 496 Wat doet het in dit onderzoek? 60
  497. 497 Niveau 1 60
  498. 498 Dingen die per dag kunnen veranderen binnen één persoon 60
  499. 499 Dagelijks ervaren conflict 60
  500. 500 Verklaart dagelijkse schommelingen in intimiteit 60
  501. 501 Niveau 2 60
  502. 502 Dingen die tussen mensen verschillen maar per persoon constant zijn 60
  503. 503 Algemene relatietevredenheid 60
  504. 504 Verklaart waarom het verband verschilt tussen mensen 60
  505. 505 Niveau 60
  506. 506 Wat betekent het? 60
  507. 507 Voorbeeld in dit onderzoek 60
  508. 508 Niveau 1 60
  509. 509 Eigenschappen die per leerling verschillen 60
  510. 510 Leerresultaten 60
  511. 511 Niveau 2 60
  512. 512 Eigenschappen die per klas verschillen 60
  513. 513 Klasgrootte 60
  514. 514 Bijvoorbeeld: 60
  515. 515 Niveau 1 = dagelijks niveau (binnen één persoon) 60
  516. 516 Dit zijn metingen die per dag veranderen. Bijv.: 60
  517. 517 Maandag: 3 conflicten, 4 intimiteit 60
  518. 518 Dinsdag: 1 conflict, 7 intimiteit 60
  519. 519 Woensdag: 0 conflicten, 8 intimiteit 60
  520. 520 ? Dat is niveau 1: het dagelijkse of within-person niveau. Dus: dagelijks ervaren conflicten is niveau 1. Het verschilt per dag binnen dezelfde persoon. 60
  521. 521 ? Niveau 2 = persoon-niveau (tussen personen) 60
  522. 522 Dit zijn kenmerken die niet veranderen per dag, maar typisch zijn voor die persoon. Bijv.: 60
  523. 523 Jan: relatietevredenheid = 8 60
  524. 524 Marie: relatietevredenheid = 5 60
  525. 525 Kees: relatietevredenheid = 9 60
  526. 526 ? Dat is niveau 2: het between-person niveau. Dus: algemene relatietevredenheid is niveau 2. Het verschilt tussen personen, maar blijft binnen één persoon constant. 60
  527. 527 ❤️ En de uitkomst (DV)? 60
  528. 528 De dagelijks ervaren intimiteit is ook per dag gemeten → dus niveau 1 (dagelijks). 60
  529. 529 ? En wat doet het model? 60
  530. 530 Het model kijkt: 60
  531. 531 Binnen elke persoon: “Op dagen met meer conflict dan normaal, voelt iemand dan minder intimiteit?” 60
  532. 532 Tussen personen: “Verschilt dat verband tussen mensen met hoge vs. lage relatietevredenheid?” 60
  533. 533 Oftewel: 60
  534. 534 Voor mensen met lage relatietevredenheid (niveau 2-kenmerk) is het negatieve verband tussen dagelijks conflict en intimiteit (niveau 1-variabelen) sterker. 60
  535. 535 Let OP: 60
  536. 536 De interactie vindt altijd plaats tussen de voorspellers. 60
  537. 537 Tweeweg-interactie → de interactie is tussen twee variabelen, meestal: 60
  538. 538 tijd en een andere variabele, of 60
  539. 539 twee voorspellende variabelen. 60
  540. 540 De situatie: 60
  541. 541 Er zijn meerdere metingen per eigenaar (per activiteit). → Dus: activiteit = niveau 1, eigenaar = niveau 2. 61
  542. 542 De afhankelijke variabele: zelfgerapporteerde zelfstandigheid per activiteit (1–10). 61
  543. 543 Model: 61
  544. 544 Random intercept 61
  545. 545 3 voorspellers: 61
  546. 546 1. Moeilijkheidsgraad van de activiteit 61
  547. 547 2. Ervaring van de hond 61
  548. 548 3. Drukte van de omgeving 61
  549. 549 ? Wat betekent “random intercept”? 61
  550. 550 Een random intercept model betekent dat: 61
  551. 551 Elke eigenaar zijn/haar eigen gemiddelde (intercept) mag hebben. 61
  552. 552 De hellingen (slopes) van de voorspellers zijn niet random (die zijn vast = fixed effects). 61
  553. 553 ⚙️ Wat zijn “random parameters” precies? 61
  554. 554 Random parameters = de parameters die te maken hebben met de toevallige (random) delen van het model, dus: 61
  555. 555 1. De variantie van de random intercepts (hoeveel individuen verschillen in hun gemiddelde). 61
  556. 556 2. De residuele variantie op niveau 1 (hoeveel variatie er nog overblijft binnen individuen). 61
  557. 557 ? In een model met alleen een random intercept geldt: 61
  558. 558 Je hebt: 61
  559. 559 1. 1 random intercept-variantie (tussen personen) 61
  560. 560 2. 1 residuele variantie (binnen personen) 61
  561. 561 ➡️ Totaal: 2 random parameters 61
  562. 562 Type parameter 61
  563. 563 Uitleg 61
  564. 564 Aantal 61
  565. 565 Random intercept variance 61
  566. 566 Verschil tussen eigenaren in hun gemiddelde zelfstandigheid 61
  567. 567 1 61
  568. 568 Residual variance 61
  569. 569 Verschil binnen dezelfde eigenaar tussen activiteiten 61
  570. 570 1 61
  571. 571 Random slopes 61
  572. 572 Niet aanwezig (alle slopes zijn fixed) 61
  573. 573 0 61
  574. 574 Een cross-level interactie betekent dat een niveau-2-variabele (zoals steun van leidinggevenden) het verband beïnvloedt tussen twee niveau-1-variabelen (zoals piekeren en stressklachten). 61
  575. 575 ICC = 15% 61
  576. 576 Antwoordoptie 61
  577. 577 Betekenis 61
  578. 578 Juist? 61
  579. 579 Waarom 61
  580. 580 1. 15% op afdelingsniveau → meer overeenkomst binnen afdelingen 61
  581. 581 ICC = 0.15 61
  582. 582 ✅ 61
  583. 583 ICC beschrijft variantie op groepsniveau 61
  584. 584 2. 15% op werknemerniveau → meer overeenkomst tussen afdelingen 61
  585. 585 Onjuist 61
  586. 586 ❌ 61
  587. 587 ICC gaat over groepsvariantie, niet individuele variantie 61
  588. 588 het random intercept-variance (tussen hackers) is 156.7 en de residuele (binnen-hacker) variantie is 89.4. Omdat 156.7 > 89.4, is de onverklaarde variantie tussen hackers groter dan de onverklaarde variantie binnen hackers (gegeven de voorspellers). De tweede optie gaat over verklaarde variantie per niveau; dat kun je uit deze random-effecten-tabel niet afleiden. 62
  589. 589 Effect 62
  590. 590 Variance 62
  591. 591 Betekenis 62
  592. 592 Intercept (156.7) 62
  593. 593 → Verschillen tussen hackers in gemiddelde hacktijd 62
  594. 594 Complexiteit (24.3) 62
  595. 595 → Verschillen tussen hackers in de helling van complexiteit 62
  596. 596 Residual (89.4) 62
  597. 597 → Verschillen binnen hackers (tussen systemen) die het model nog niet verklaart 62
  598. 598 Predictor 62
  599. 599 Coëfficiënt 62
  600. 600 Betekenis (samengevat) 62
  601. 601 Intercept (47.856) 62
  602. 602 Verwachte hacktijd als risicobewustzijn en complexiteit beide 0 zijn. 62
  603. 603 Risicobewustzijn (12.380) 62
  604. 604 Hoeveel de hacktijd gemiddeld toeneemt per 1 punt hoger risicobewustzijn, bij gemiddelde complexiteit. 62
  605. 605 Complexiteit (18.720) 62
  606. 606 Hoeveel de hacktijd gemiddeld toeneemt per 1 punt hogere complexiteit, bij gemiddeld risicobewustzijn. 62
  607. 607 Risicobewustzijn × Complexiteit (3.460) 62
  608. 608 Hoe de helling van risicobewustzijn verandert afhankelijk van de complexiteit. 62
  609. 609 Een positieve interactie betekent: 62
  610. 610 Naarmate complexiteit toeneemt, wordt het effect van risicobewustzijn op hacktijd sterker positief. 62
  611. 611 Dus: 62
  612. 612 Bij lage complexiteit: risicobewustzijn verhoogt hacktijd enigszins. 62
  613. 613 Bij hoge complexiteit: risicobewustzijn verhoogt hacktijd nog sterker. 62
  614. 614 We hebben: 63
  615. 615 Systeemniveau (niveau 1) → variabelen die per systeem verschillen, zoals: 63
  616. 616 Systeemcomplexiteit 63
  617. 617 Systeemtype 63
  618. 618 Risicobewustzijn 63
  619. 619 Hackerniveau (niveau 2) → variabelen die per hacker verschillen, zoals: 63
  620. 620 Ervaring 63
  621. 621 Technische expertise 63
  622. 622 Wat is een cross-level interactie? 63
  623. 623 Een cross-level interactie = een interactie tussen: 63
  624. 624 één variabele van niveau 1 (binnen hacker) én één variabele van niveau 2 (tussen hackers). 63
  625. 625 Oftewel: het verband binnen personen verschilt tussen personen. 63
  626. 626 A. “De samenhang tussen systeemcomplexiteit en hacktijd hangt af van ervaring.” 63
  627. 627 Systeemcomplexiteit = niveau 1 63
  628. 628 Ervaring = niveau 2 ✅ → Niveau 1 × Niveau 2 → cross-level interactie 63
  629. 629 Dit is dus een tweeweg cross-level interactie. 63
  630. 630 B. “De invloed van het systeemtype op hacktijd hangt af van het complexiteitsniveau.” 63
  631. 631 Systeemtype = niveau 1 63
  632. 632 Complexiteit = niveau 1 ➡️ Niveau 1 × Niveau 1 → géén cross-level interactie, maar een gewone binnen-niveau interactie. 63
  633. 633 Een multilevel nulmodel bevat juist een random intercept om groepsverschillen te modelleren. 63
  634. 634 Bij een model met één random intercept en één random slope krijg je: 63
  635. 635 Component 63
  636. 636 Beschrijving 63
  637. 637 Aantal parameters 63
  638. 638 1️⃣ Random intercept-variantie 63
  639. 639 Verschillen in gemiddelde capaciteit tussen studenten 63
  640. 640 1 63
  641. 641 2️⃣ Random slope-variantie 63
  642. 642 Verschillen in effect van stress tussen studenten 63
  643. 643 1 63
  644. 644 3️⃣ Covariantie tussen intercept en slope 63
  645. 645 Samenhang tussen basiscapaciteit en stressgevoeligheid 63
  646. 646 1 63
  647. 647 4️⃣ Residuele variantie (niveau 1) 63
  648. 648 Onverklaarde variantie binnen studenten 63
  649. 649 1 63
  650. 650 Context: longitudinale multilevelanalyse 63
  651. 651 In longitudinale studies: 63
  652. 652 meet je meerdere keren dezelfde persoon, 63
  653. 653 dus herhaalde metingen (tijdspunten) zijn genest binnen personen. 63
  654. 654 Oftewel: 63
  655. 655 De structuur is meetmomenten (niveau 1) genest binnen personen (niveau 2). 63
  656. 656 Niveau 63
  657. 657 Wat stelt het voor? 63
  658. 658 Wat varieert er? 63
  659. 659 Voorbeeld 63
  660. 660 Niveau 1 63
  661. 661 Meetmomenten 63
  662. 662 De scores die per tijdstip veranderen 63
  663. 663 Burn-outscore, stress, stemming per maand 63
  664. 664 Niveau 2 63
  665. 665 Individuele personen 63
  666. 666 De gemiddelde verschillen tussen mensen 63
  667. 667 Gemiddeld stressniveau per persoon 63
  668. 668 Een studie onderzoekt de werkzaamheid van online therapie bij depressie, waarbij wordt onderzocht of de effecten verlopen via verbetering van zelfeffectiviteit en/of sociale steun. 64
  669. 669 Wat concludeer je op bovenstaande tabel over het werkingsmechanisme van de therapie? 64
  670. 670 De therapie werkt via twee complementaire herstelprocessen die samen een sterker effect hebben op depressieve symptomen dan elk afzonderlijk 64
  671. 671 De therapie werkt via twee concurrerende mechanismen waarbij patiënten voor de vermindering van depressieve symptomen vooral baat hebben bij óf zelfeffectiviteit óf sociale steun 64
  672. 672 Effect 64
  673. 673 Interpretatie 64
  674. 674 p-waarde 64
  675. 675 Betekenis 64
  676. 676 Totaal effect (c) = -2.456 64
  677. 677 Het totale effect van therapie op depressie 64
  678. 678 <0.001 64
  679. 679 Significant → therapie verlaagt depressie 64
  680. 680 Direct effect (c′) = -0.234 64
  681. 681 Effect van therapie op depressie na controle voor de mediatoren 64
  682. 682 0.238 64
  683. 683 Niet significant → het effect verloopt volledig via mediatoren 64
  684. 684 Indirect effect via zelfeffectiviteit = -1.127 64
  685. 685 Mediatiepad X → M₁ → Y 64
  686. 686 CI [-1.433, -0.821] 64
  687. 687 Significant 64
  688. 688 Indirect effect via sociale steun = -1.095 64
  689. 689 Mediatiepad X → M₂ → Y 64
  690. 690 CI [-1.375, -0.815] 64
  691. 691 Significant 64
  692. 692 Interpretatie van de paden 64
  693. 693 Online therapie verhoogt zelfeffectiviteit (a₁ = 1.245, p < .001) 64
  694. 694 Online therapie verhoogt sociale steun (a₂ = 1.387, p < .001) 64
  695. 695 Hogere zelfeffectiviteit verlaagt depressie (b₁ = -0.905, p < .001) 64
  696. 696 Meer sociale steun verlaagt depressie (b₂ = -0.789, p < .001) 64
  697. 697 ➡️ Dus: beide mediatoren zijn significant en werken in dezelfde richting (herstel, minder depressie). 64
  698. 698 Conclusie 64
  699. 699 Omdat: 64
  700. 700 beide indirecte effecten significant én negatief zijn (dus in dezelfde richting), 64
  701. 701 het directe effect niet meer significant is, 64
  702. 702 kun je concluderen dat de therapie werkt via twee complementaire herstelprocessen: 64
  703. 703 één via verbeterde zelfeffectiviteit, 64
  704. 704 één via meer sociale steun. 64
  705. 705 Deze versterken elkaar, in plaats van elkaar tegen te werken. 64
  706. 706 Taal instinkers: 64
  707. 707  Extensief = weinig metingen, lange tijd ertussen (zoals A: jaarlijks). 64
  708. 708  Intensief = veel metingen, korte tijd ertussen (zoals C: dagelijks). 64
  709. 709 Samenvattingsregel: 64
  710. 710 Gebruik “voorspelt / hangt samen met / is geassocieerd met” → bij correlationeel of modelmatig onderzoek. 65
  711. 711 Gebruik “leidt tot / zorgt voor / veroorzaakt” → alleen bij experimenteel gemanipuleerde variabelen. 65
  712. 712 Situatie: 65
  713. 713 Er is een random slope voor systeemcomplexiteit (dus de helling mag verschillen tussen hackers). 65
  714. 714 De variantie van die random slope is 24.3. 65
  715. 715 ? Wat betekent dat? 65
  716. 716 Een variantie van 24.3 zegt niet dat het gemiddelde verschil tussen hackers 24.3 is — het zegt hoe sterk de slopes (hellingen) van complexiteit variëren tussen hackers. 65
  717. 717 Met andere woorden: 65
  718. 718 De relatie tussen systeemcomplexiteit en hacktijd is niet voor iedereen even sterk. Sommige hackers worden sterk vertraagd door complexere systemen, terwijl anderen minder gevoelig zijn voor complexiteit. 65
  719. 719 ✅ Correcte interpretatie: 65
  720. 720 Sommige hackers hebben een sterkere toename in hacktijd bij complexere systemen dan andere hackers. 65
  721. 721 Term 65
  722. 722 Coëfficiënt 65
  723. 723 Betekenis 65
  724. 724 Ervaring 65
  725. 725 -8.910 65
  726. 726 Meer ervaring → kortere hacktijd (sneller hacken) 65
  727. 727 Technische_expertise 65
  728. 728 -4.570 65
  729. 729 Meer expertise → kortere hacktijd 65
  730. 730 Ervaring × Technische_expertise 65
  731. 731 -2.130 65
  732. 732 Interactie: het effect van ervaring verandert afhankelijk van technische expertise 65
  733. 733 Wat betekent een negatieve interactiecoëfficiënt (-2.130)? 65
  734. 734 Een negatieve interactie betekent: 65
  735. 735 Het (gunstige) effect van de ene variabele wordt zwakker naarmate de andere variabele toeneemt. 65
  736. 736 Of concreet hier: 65
  737. 737 Het voordeel van ervaring (minder hacktijd) neemt af als technische expertise toeneemt. 65
  738. 738 Met andere woorden: 65
  739. 739 Als iemand weinig expertise heeft, helpt ervaring veel (grote tijdswinst). 65
  740. 740 Als iemand al veel expertise heeft, levert extra ervaring minder extra voordeel op. 65
  741. 741 Kort ezelsbruggetje voor zulke situaties 65
  742. 742 1. Check altijd de richting van de afhankelijke variabele (is ‘meer’ goed of slecht?). 65
  743. 743 2. Negatief effect = minder van de afhankelijke variabele. 65
  744. 744 Als dat “minder tijd” betekent → beter (sterker effect). 65
  745. 745 Als dat “minder geluk” betekent → slechter (zwakker effect). 65
  746. 746 Welke stelling over het 'nul-model' is juist? 66
  747. 747 In dit model zijn geen level-1 predictoren opgenomen. 66
  748. 748 Tentamenvragen Casus over bodembekken behandeling waarin wel de covariantie tussen 2 behandelingen genoemd werd maar nier het individuele effect 66
  749. 749 Dat vond ik verwarrend, veel vragen over die casus en de bijbehorende tabel 66
  750. 750 Verder vergelijkbare vragen zoals oefentoetsen: theorie, interpretatie tabellen en grafieken en mediatie effect interpretatie 66

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
22 oktober 2025
Aantal pagina's
66
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€10,96
Gekocht door 33 studenten

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
vivinnevanherel
3,6
(12)
Verkocht
181
Volgers
2
Items
24
Laatst verkocht
2 dagen geleden

Reviews van geverifieerde kopers

3 weken geleden

Heel veel tekst, lastig vind ik om hier de kern uit te halen

7 maanden geleden

Ik weet niet zo goed wat ik nou aan het lezen ben. Thema 1 ok samengevat, daarna lijkt het een samenvatting van chatgpt?

Je leest een samenvatting van de leerdoelen en van Brightspace waarin ik met de hulp van ChatGPT extra uitleg krijg (aanvullende op de leerstof) vaak net een andere invalshoek, die me vaak helpt dingen anders te begrijpen, makkelijker, overzichtelijker.




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen