Tentamen versie A
1. Aan wat hoeft een wetenschappelijke hypothese niet te voldoen?
A. Ze moet toetsbaar zijn.
B. Ze moet falsifieerbaar zijn.
C. Ze moet vooraf geregistreerd (voorgeregistreerd) zijn.
D. Ze moet duidelijk en specifiek geformuleerd zijn.
2. Welke van de onderstaande uitspraken beschrijft het best het principe van temporele voorrang
in onderzoek?
A. De oorzaak en het gevolg moeten in dezelfde tijdsperiode plaatsvinden.
B. De oorzaak moet in de tijd voorafgaan aan het gevolg.
C. De oorzaak en het gevolg moeten een sterke samenhang vertonen.
D. De oorzaak moet de enige variabele zijn die met het gevolg samenhangt.
3. Welke van de volgende voorbeelden illustreert p-hacking (en is dus géén computer-hacking)?
A. Een onderzoeker probeert meerdere combinaties van controlevariabelen en subgroepen, en
rapporteert alleen de analyse die een p-waarde < 0,05 oplevert.
B. Iemand exploiteert een kwetsbaarheid in een web server om onrechtmatig toegang te krijgen tot
gebruikersaccounts.
C. Een IT-specialist voert met toestemming een penetratietest uit om beveiligingslekken op te sporen.
D. Een onderzoeker versleutelt onderzoeksdata voordat die gedeeld worden om de privacy van
deelnemers te beschermen.
4. Een onderzoeker gebruikt een observatielijst om sociale interacties bij kinderen te meten.
Welke stelling is niet correct?
A) Test-hertestbetrouwbaarheid is belangrijk om te controleren of de scores stabiel blijven over tijd.
B) Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid is alleen relevant als meerdere onderzoekers dezelfde kinderen
observeren.
C) Interne betrouwbaarheid is van belang om te zien of de items van de lijst hetzelfde onderliggende
construct meten.
D) Test-hertestbetrouwbaarheid meet automatisch de samenhang tussen de items van de lijst.
5. Een onderzoeker wil de power van zijn experiment verhogen zonder het effect te veranderen.
Welke optie is het meest effectief?
A. De steekproefomvang vergroten.
B. De betrouwbaarheid van de metingen verlagen.
C. Het significantieniveau verlagen van 0,05 naar 0,01.
D. De variantie van de scores vergroten.
, 6. Een experiment test of een nieuw lesprogramma het leerresultaat van studenten verbetert. De
onderzoeker wil zeker weten dat de gevonden effecten daadwerkelijk door het lesprogramma
komen en niet door andere factoren zoals motivatie of eerdere kennis. Welke vorm van
validiteit is hier het belangrijkste?
A) Statistische validiteit
B) Interne validiteit
C) Externe validiteit
D) Constructvaliditeit
7. Een onderzoeker selecteert enkele volledige klasgroepen en ondervraagt alle studenten binnen
die klassen. Welke steekproefmethode gebruikt hij?
A. Cluster steekproef
B. Gestratificeerd steekproef
C. Gemakssteekproef
D. Sneeuwbalsteekproef
8. Een docent vergelijkt de resultaten van twee wiskundetoetsen van dezelfde klas. Bij toets A
zijn de scores 75, 76, 74, 75 en 75. Bij toets B zijn de scores 60, 90, 70, 85 en 55. Welke
uitspraak over de standaarddeviaties van de twee toetsen is correct?
A. Beide toetsen hebben ongeveer dezelfde standaarddeviatie, omdat het gemiddelde hetzelfde is.
B. Toets A heeft een grotere standaarddeviatie dan toets B, omdat de scores dichter bij elkaar liggen.
C. Toets B heeft een grotere standaarddeviatie dan toets A, omdat de scores meer verspreid zijn.
D. Standaarddeviatie kan niet worden bepaald zonder de mediaan van de scores te kennen.
9. Een onderzoeker wil het effect van een nieuw lesprogramma op de motivatie van studenten
onderzoeken. Ze voert het programma in bij een klas op School A, maar kan geen andere klas
als controlegroep random toewijzen omdat alle andere klassen al vol zitten. Ze vergelijkt later
de motivatie van de studenten bij School A met een bestaande klas op School B die het
programma niet heeft gevolgd. Welk type design gebruikt de onderzoeker hier?
A) Experimenteel design met randomisatie
B) Quasi-experimenteel design
C) Correlational design
D) Dubbelblind onderzoek
10. Een onderzoeker voert een studie uit naar de relatie tussen sociale media gebruik en
slaappatronen. Tijdens de analyse besluit hij meerdere variabelen en subgroepen te testen
totdat hij één resultaat vindt dat significant is (p < 0,05), en publiceert alleen dat resultaat.
Welke praktijk wordt hier het best omschreven?
A) Data parking
B) Harking
C) Selective reporting
D) P-hacking
, 11. Een onderzoeker test of een nieuw medicijn de bloeddruk verlaagt. Ze hanteert een
significantieniveau van 0,05. Na de analyse concludeert ze dat het medicijn werkt, terwijl in
werkelijkheid het medicijn geen effect heeft. Welke uitspraak is correct?
A. Dit is een Type I-fout, omdat de nulhypothese onterecht wordt verworpen.
B. Dit is een Type II-fout, omdat de nulhypothese onterecht wordt behouden.
C. Dit is geen fout, de conclusie is juist.
D. Dit is een p-hacking situatie, omdat de onderzoeker meerdere analyses heeft uitgevoerd.
12. Een onderzoeker bestudeert het gedrag van kinderen tijdens de speeltijd. Ze staat in het
klaslokaal en noteert hoe vaak kinderen sociaal gedrag vertonen. Sommige kinderen lijken
echter hun gedrag aan te passen omdat ze weten dat ze bekeken worden. Welke uitspraak is
het meest correct?
A. Observer bias
B. Reactiviteit
C. Observer effects
D. Alle bovenstaande aspecten spelen een rol
13. Een onderzoeker wil nagaan of een nieuw studieprogramma de toetsresultaten van studenten
beïnvloedt. Ze vergelijkt de gemiddelde scores van studenten die het programma volgen met
die van studenten die het programma niet volgen. Wat is de nulhypothese in dit onderzoek?
A. Het gemiddelde van de steekproef van studenten die het programma volgen is gelijk aan het
gemiddelde van de steekproef van studenten die het programma niet volgen.
B. Het gemiddelde van de steekproef van studenten die het programma volgen verschilt van het
gemiddelde van de steekproef van studenten die het programma niet volgen.
C. Het gemiddelde van de populatie van studenten die het programma volgen is gelijk aan het
gemiddelde van de populatie van studenten die het programma niet volgen.
D. Het gemiddelde van de populatie van studenten die het programma volgen verschilt van het
gemiddelde van de populatie van studenten die het programma niet volgen.
14. Een onderzoeker bestudeert het effect van achtergrondmuziek op studieprestaties. Ze verdeelt
studenten willekeurig over twee groepen: één groep studeert met muziek, de andere zonder.
Welke strategie helpt niet om externe factoren zoals tijdstip of studeeromgeving te
controleren?
A. Randomisatie van studenten over de groepen
B. Counterbalanceren van de volgorde van studeer omstandigheden
C. Het gebruik van een controlegroep
D. Alleen studenten kiezen die van muziek houden