Ademhaling
1. Inleiding
1.1 twee types van ademhaling
cellulaire of interne ademhaling
= biochemisch proces dat O2 verbruikt en CO 2 (en ATP) produceert
- ademhaling op niveau van cel
- bv: ademhaling van mitochondiren (omzetting van glucose naar ATP)
externe ademhaling
= opname O2 en afgifte CO 2 uit omgeving
- gebeurt meestal in speciale sytemen
- ademhalingsorganen belangrijk voor aanvoer/afvoer gassen en
gastuitwisseling (= O2 vanuit longen in bloedbaan en CO 2 van bloedbaan
terug in longen)
1.2 principes van gastuitwisseling
voorwaarden:
- in vloeibaar milieu: in longen dun waterlaag op ademhalingsepitheel
zodat gasuitwisseling effectief kan plaatsvinden (zelfs bij
landvertebraten)
- via diffusie (= proces waarbij stoffen van hoge conc nr lage conc gaan
zonder E gebruik)
D. A .∆ p
diffusiesnelheid: Wet van Fick: S=
d
- S = diffusiesnelheid
- D = diffusiecte (grootte, permeabiliteit …)
- A = opp, ∆ p = drukverschil tss 2 regios
- d = afstand waarover diffusie plaatsvindt
Waarde teller groot S heel groot: opp van diffusie groot, diffusie
snelheid ook groot + hoe groter drukverschil tss 2 regios (bv: longen en
bloedbaan), hoe hoger diffusiesnelheid
Noemer: hoe groter afstand waarover diffusie plaatsvindt (dus hoe
dikker scheidingswand), hoe trager diffusiesnelheid
Unicellulaire organismen = 1 cellige organismen
- Rechtstreekse diffusie (knn doorheen opp diffunderen)
- Cilia om waterstroom te verzekeren = kleine trilharen die continu in bew
zijn continu zuurstofrijk water aangevoerd
- Verhoogd drukverschil (grotere diffusiesnelheid)
Muticellulaire dieren = meercellige organisme
- Aangepaste systemen voor gasuitwisseling
- Verhoogde oppervlakte en verminderde diffusie afstand
2. Variaties in ademhaling
, 2.1 Kieuwademhaling
Kieuwen = gespecialiseerde weefselextensies die in onmiddellijk contact
staan met water
Kenmerken:
- Groot opp en dunne wand S optimaal
- Extern of intern
Aanwezig bij
- vele protostomia: veel mollusca, deel annelida, crustacea
- deutrostomia: echinodermata, vissen, larvale amfibieën
2 types van kieuwen:
1. externe kieuwen
- Zijn niet bedekt
- In eerste vissen en larvale amfibieen
- Nadelen:
cte bew nodig om contact met vers O2 rijk water te verzekeren
gemakkelijk beschadigd
2. Interne kieuwen
- Beenvissen
- Tss orlae holte en operculaire of kieuwholtes
- Holtes functioneren als pompen die alternerd uitzetten
- Water gaat in mond, over kieuwen en trg uit vis door openen
operculum = kieuwdeksel
mond opent: vers water naar
binnen
operculum opent
mond sluit: O2 rijk water w over
kieuwen gebracht via:
- Bucale drukpomp, operculaire
zuigpomp
- Ramventilatie (alleen voor tonijn) = proces waarbij vis met mond
continu open zwemt, continu water aanvoer die
continu over kieuwen heen stroomt (nadeel: vis
moet continu zwemmen voor continu water
aanvoer)
Werking
- Aan elke kant hoofd: kieuwbogen opgebouwd uit 2 rijen
kieuwfilamenten die bestaan uit lamellen
- Water stroomt over lamel in 1 richting
- Binnen elke lamel stroomt bloed in tegengestelde
richting = tegenstroomuitwisseling
Creëert maximale oxygenatie bloed = max opname
zuurstof
Tegenstroomuitwisseling
= bloed en water in tegengestelde richting
- Over heel de lengte van bloedvat
drukverschil
- Zuurstof gaat diffunderen vanuit water naar
bloedbaan over hele lengte van bloedvat
Max oxygenatie bloed = zeer efficiënt
Gelijkstroomuitwisseling
= bloed en water in zelfde richting
- In begin bloedvat nog steeds drukverschil
- Op gegeven moment geen drukverschil
1. Inleiding
1.1 twee types van ademhaling
cellulaire of interne ademhaling
= biochemisch proces dat O2 verbruikt en CO 2 (en ATP) produceert
- ademhaling op niveau van cel
- bv: ademhaling van mitochondiren (omzetting van glucose naar ATP)
externe ademhaling
= opname O2 en afgifte CO 2 uit omgeving
- gebeurt meestal in speciale sytemen
- ademhalingsorganen belangrijk voor aanvoer/afvoer gassen en
gastuitwisseling (= O2 vanuit longen in bloedbaan en CO 2 van bloedbaan
terug in longen)
1.2 principes van gastuitwisseling
voorwaarden:
- in vloeibaar milieu: in longen dun waterlaag op ademhalingsepitheel
zodat gasuitwisseling effectief kan plaatsvinden (zelfs bij
landvertebraten)
- via diffusie (= proces waarbij stoffen van hoge conc nr lage conc gaan
zonder E gebruik)
D. A .∆ p
diffusiesnelheid: Wet van Fick: S=
d
- S = diffusiesnelheid
- D = diffusiecte (grootte, permeabiliteit …)
- A = opp, ∆ p = drukverschil tss 2 regios
- d = afstand waarover diffusie plaatsvindt
Waarde teller groot S heel groot: opp van diffusie groot, diffusie
snelheid ook groot + hoe groter drukverschil tss 2 regios (bv: longen en
bloedbaan), hoe hoger diffusiesnelheid
Noemer: hoe groter afstand waarover diffusie plaatsvindt (dus hoe
dikker scheidingswand), hoe trager diffusiesnelheid
Unicellulaire organismen = 1 cellige organismen
- Rechtstreekse diffusie (knn doorheen opp diffunderen)
- Cilia om waterstroom te verzekeren = kleine trilharen die continu in bew
zijn continu zuurstofrijk water aangevoerd
- Verhoogd drukverschil (grotere diffusiesnelheid)
Muticellulaire dieren = meercellige organisme
- Aangepaste systemen voor gasuitwisseling
- Verhoogde oppervlakte en verminderde diffusie afstand
2. Variaties in ademhaling
, 2.1 Kieuwademhaling
Kieuwen = gespecialiseerde weefselextensies die in onmiddellijk contact
staan met water
Kenmerken:
- Groot opp en dunne wand S optimaal
- Extern of intern
Aanwezig bij
- vele protostomia: veel mollusca, deel annelida, crustacea
- deutrostomia: echinodermata, vissen, larvale amfibieën
2 types van kieuwen:
1. externe kieuwen
- Zijn niet bedekt
- In eerste vissen en larvale amfibieen
- Nadelen:
cte bew nodig om contact met vers O2 rijk water te verzekeren
gemakkelijk beschadigd
2. Interne kieuwen
- Beenvissen
- Tss orlae holte en operculaire of kieuwholtes
- Holtes functioneren als pompen die alternerd uitzetten
- Water gaat in mond, over kieuwen en trg uit vis door openen
operculum = kieuwdeksel
mond opent: vers water naar
binnen
operculum opent
mond sluit: O2 rijk water w over
kieuwen gebracht via:
- Bucale drukpomp, operculaire
zuigpomp
- Ramventilatie (alleen voor tonijn) = proces waarbij vis met mond
continu open zwemt, continu water aanvoer die
continu over kieuwen heen stroomt (nadeel: vis
moet continu zwemmen voor continu water
aanvoer)
Werking
- Aan elke kant hoofd: kieuwbogen opgebouwd uit 2 rijen
kieuwfilamenten die bestaan uit lamellen
- Water stroomt over lamel in 1 richting
- Binnen elke lamel stroomt bloed in tegengestelde
richting = tegenstroomuitwisseling
Creëert maximale oxygenatie bloed = max opname
zuurstof
Tegenstroomuitwisseling
= bloed en water in tegengestelde richting
- Over heel de lengte van bloedvat
drukverschil
- Zuurstof gaat diffunderen vanuit water naar
bloedbaan over hele lengte van bloedvat
Max oxygenatie bloed = zeer efficiënt
Gelijkstroomuitwisseling
= bloed en water in zelfde richting
- In begin bloedvat nog steeds drukverschil
- Op gegeven moment geen drukverschil