Psychologie - notities
Wat is psychologie
Veel verschillende studieonderwerpen (= object), de ene theorie buigt zich over het ene, de
andere over een ander, maar het gaat allemaal over de mens, geen eenduidigheid (interne)
Wat psychologen bestuderen, wordt vaak ook bestudeerd door iets anders, zelfde
studieobject veel raakvlakken met andere wetenschappen (externe)
Definitie p22
Context is belangrijk, maar mensen kunnen hetzelfde gedrag stellen in dezelfde situatie,
maar een andere betekenis hebben bv arm uitstrekken en men dacht dat je een vraag had
Psychologie kan ook gaan over groepsprocessen: sociale psychologie: welke positie neem je
in de groep? Individu staat altijd in contact met mensen niet alleen individueel, ook
context
Biologische psychologie: gedrag sterk bepaald door de biologie: genen, chemische stoffen in
ons lichaam, heel in nu behandeling: medicatie geven (medicatiegebruik stijgt)
Wat je denkt dat de oorzaak is, zal andere gevolgen hebben dan als je denkt dat een andere
oorzaak is
Verschilt per mens: kan dezelfde gebeurtenis hebben, maar toch bij de ene lijden tot
psychische problemen bij de andere niet iedere persoon is uniek
Geen eenduidigheid over de definitie
Rivaliserende beschrijvingen en verklaringen binnen psychologie (intern)
psychologie is een wetenschap waarbij zowel het gedrag van mensen wordt bestudeerd als de
gevoelens en gedachten die mensen hebben bij het ervaren van hun gedrag en de omstandigheden
waarin dat plaatsvindt.
Verschil met andere wetenschappen: beschrijving en verklaring van object is vooral op
individueel niveau, kijken meer naar beleving en waardering: voor de persoon zelf en zijn
directe omgeving
Typeren van wetenschap
Soorten vragen en problemen
Soorten vragen en problemen is in dynamiek met de methode en de theorie
Grenzen tussen wetenschappen liggen niet vast
Maatschappelijk draagvlak nodig: nu medicalisering, maar draagvlak kan veranderen voor
een bepaalde theorie (bij alle wetenschappen), mensen hebben ook hun eigen theorieën
hoe ver is uw eigen theorieën ook te maken met echte theorieën, trends, verschuivingen in
de trends, crisis: met minder mensen dezelfde job doen, technologie vereenzaming
Beïnvloed de grenzen en legitimiteit van een wetenschap
Maatschappelijke betekenis is af te leiden uit hoe sterk persoonlijke theorieën
gekleurd worden door wetenschappelijke kennis
Westerse wereld = gepsychologiseerd (alledaagse taalgebruik, boekjes bv ik ben depri, leken gaan
ook theorieën ontwikkelen, het zal wel dat zijn), zelf diagnose stellen
Medicalisering (is er nog) (reactie) anti-psychologie (niet de mens is ziek, maar de maatschappij is
ziek)
,Psycholoog gaat ook naargelang de stroming in de psychologie andere vragen stellen.
Kritische psychiater – borderline times – Dirk De Wachter
verschil: psychiater mag medicatie voorschrijven, studeerde geneeskunde + specialisatie
psycholoog: psychologie gestudeerd
Borderline times: einde van de normaliteit: norm van normaliteit wordt kleiner, vallen steeds meer
buiten de norm, normvervaging
Kritische psycholoog – identiteit – Paul Verhaeghe – psychoanalyticus
kijken naar maatschappelijke veranderingen en hoe we daar op reageren
Theorieën = referentiekaders
wisselwerking tussen theorie en werkelijkheid, geen enkele theorie is ooit af
eenzelfde verschijnsel wordt verschillend beschreven en verklaard tussen de theorieën
ze hebben ook een eigen taalgebruik, soms hetzelfde woord maar een andere betekenis
theorieën komen en gaan, geen theoretische overeenstemming
Functies theorieën
Systematiseren of ordenen: bv over experimenten van Milgram, systematisch weergeven
wat men geobserveerd heeft, duidelijk expliciete regels, moet duidelijk en controleerbaar
zijn, formuleren in duidelijke verbanden of wetmatigheden, moet herhaalbaar en
repliceerbaar zijn, , niveau van de beschrijving, expliciete regels voor kennisverwerving,
opgepast voor de gekleurde waarnemingen door behoeften, emoties en kennis
onderzoekers hun waarneming is theorie geladen: hun referentiekader bepaalt wat ze zien
je moet ook dingen uit andere theorieën gebruiken tegen dogma’s
Hierdoor ga je ook gedrag verklaren en voorspellen met een bepaalde probabiliteit
Heuristische functie: geen enkele theorie is nooit af en geeft voeding tot nieuwe
onderzoeken, voor nieuwe voorspellingen
Kenmerken van psychologische stromingen
Elke stroming heeft een geschiedenis
o Historische ontwikkeling: vroeger was er eerst een theorie dan pas praktische
toepassingen (EU), maatschappelijke problemen moesten de theorievorming
bepalen (VS) meerdere stromingen met daarin schoolvorming binnen de
scholen andere accenten, toenemende samenwerking tussen de scholen (vroeger
rivaliserend)
o Invloed cultuur en tijdstip van ontstaan: voorzagen in de behoefte van die periode
en vertegenwoordigen die waarden en normen van toen
o Stromingen reageren op elkaar: behaviorisme (geen aandacht aan het cognitieve)
cognitieve psychologie
o Vaak wisselende modes, slingerbeweging: psychoanalyse dominant vroeger, maar
nu weer een nieuwe belangstelling voor verwante onderwerpen ervan
o Stromingen maken gebruik van elkaars inzichten, sommigen lijken meer op elkaar
maar kunnen dan ook nog een andere jargon hebben: fusies in de psychologie:
hedendaagse gedragstherapie met behavioristische en cognitieve opvattingen,
samenwerking is historische en cultureel bepaald a.d.h.v. behoefte aan flexibele en
pragmatische opvattingen
, o Nieuwe eis: Evidence based: kijkt naar de behandeling, welke is nu het meest
effectief? Gaat niet meer alleen over de theorieën nu is niet alles evidence based,
maar dat hoeft niet, vaak doen ze veel onderzoek naar bepaalde behandelingen,
maar misschien zijn de niet onderzochte behandelingen beter, theorie moet
bewijzen dat ze werkt, dat ze effectief is, pragmatische aanpak
Elke stroming heeft een mensbeeld
o Wordt beïnvloed door historische, religieuze en culturele invloeden
o Consequenties voor opvattingen over gezondheid en ziekte: westen: hersenen
centraal, Japan: hart centraal donor
o 2 aspecten
Beschrijven van kenmerkende eigenschappen van de mens, verschil mens en
dier, kind en volwassenen
Verwijzing naar hoe mensen zich moeten gedragen, doelbeeld, morele visie,
sturen ons eigen handelen, beoordelen het gedrag van anderen
o 3 niveau’s
Mechanistisch mensbeeld
Mens is mechanieken, ingewikkeld dier, geen principieel onderscheid
tussen mens en dier, door externe krachten voortbewogen, machine
Ieder mens en menselijk deeltje is afzonderlijk te bestuderen,
afzonderlijke eigenschappen
invloed van omgeving is niet essentieel, los van sociale of materiële
omgeving
lineair causaal verklaringsmodel = rechtlijnig oorzaak gevolg
(psychologie gaat dat bijna nooit)
geheel is gelijk aan de som der delen
statisch
behaviorisme, onderdelen uit biologische en cognitieve psychologie
organistisch mensbeeld
mensen zijn organismen, 1 geheel: interne dynamiek, groeien en
bloeien, niet statisch,
vergelijken met dieren is zinvol, niet gelijkschakelen, mensen en
dieren zijn organismen die in wisselwerking staan met omgeving,
maar mensen hebben sociale en culturele omgeving
niet los van omgeving: externe dynamiek: wordt beïnvloed door
omgeving en beïnvloed de omgeving
circulair verklaringsmodel : moeilijker te zien wat oorzaak en gevolg
is
geheel is meer dan de som der delen, dynamisch
gezinsinteractiesysteem, omgevingspsychologie, cognitieve en
biologische psychologie
personalistisch mensbeeld
principieel onderscheid tussen mens en dieren, unieke mens
handelen is doelgericht, zin leven aan leven (kritische reflectie: niet
al ons gedrag is doelgericht), verantwoordelijk voor gedrag
gedrag heeft een betekenis die verschuift naargelang de context
context genereert de betekenis, bepaald betekenis, zin
mens is 1 geheel, geen stukjes
, mens is een cultuurwezen, talig wezen, spreekwezen: verschil tussen
dieren en mensen, beïnvloed cultuur, schept cultuur
dierenexperimenten zegt niets over menselijk gedrag, geen cultuur
psychoanalyse, humanistisch denken
indeling van theoretische stromingen
mensbeelden vergelijken: 3 niveaus van menselijk gedrag met corresponderende
mensbeelden: niveau van mechanisme, organisme, persoon
biopsychosociaal model: p33: mechanistisch organistisch persoonlijk niveau
Biopsychosociaal model p42 (George Engel): versimpelde algemene systeemtheorie
Hiërarchie van systeemniveaus: hoe hoger het niveau, hoe complexer het systeem. Gebaseerd op
systeemtheorie (bertalanffy), begint basic, er is een aparte plaats voor zenuwstelsel (1 hoger) ook al
is het een orgaanstelsel, wisselwerking tussen de niveaus, elk deel is een systeem en hoe hoger het
systeem, hoe complexer, bio sfeer is het complexste, er is een dynamisch verband tussen
biologische, psychologische, sociale factoren, dus ook een andere behandeling, gunstig effect voor de
patiënt om op elk vlak hulp te krijgen, de kracht is de aandacht voor georganiseerde gehelen en
onderdelen waaruit een systeem is opgebouwd
5 uitgangspunten in model
Model valt nooit samen met werkelijkheid, die is complexer
de werkelijkheid is op te delen in verschillende hiërarchische niveaus: simpel complex
elk niveau functioneert als een open systeem: je krijgt te maken met de omgeving, zowel
intern en extern en wisselt daar informatie mee uit, houdt zichzelf in stand; intern en extern
evenwicht bewaren, organistisch mensbeeld
toenemende complexiteit bij stijgende hiërarchie: hoger niveau omvat kenmerken van lager
niveau, maar heeft ook iets specifiek dat er niet toe te herleiden is: geheel is meer dan de
som der delen, door de unieke eigenschappen van elk systeem kan ieder niveau beschreven
worden in termen van het onderliggend niveau, maar nooit helemaal emergente
eigenschap: bij een nieuw niveau is er een nieuwe eigenschap, maar die kan niet verklaard
worden vanuit de samengestelde componenten bv hout
geen enkel niveau is te herleiden tot een ander niveau maar wordt er wel door beïnvloed:
het geheel is meer dan de som van de delen, elk niveau heeft zijn eigen benadering
een mens is het hoogste niveau van de biologische hiërarchie en het laagste niveau van de
sociale hiërarchie, biologische, sociale en psychologische is niet sterk gescheiden van elkaar
open systeem betekend dynamiek. Zenuwstelsel is apart: er is geen enkel orgaan waarbij zijn
microarchitectuur tot stand komt in de dialoog met de omgeving, wisselwerking tussen hersenen en
omgeving
AST: algemene systeemtheorie
kenmerkt zich door dynamisch denken:
kenmerken van een ding vergelijken
met kenmerken van een open systeem
= versimpeld = biopsychosociale
model, gaat voor het verklaren van
Wat is psychologie
Veel verschillende studieonderwerpen (= object), de ene theorie buigt zich over het ene, de
andere over een ander, maar het gaat allemaal over de mens, geen eenduidigheid (interne)
Wat psychologen bestuderen, wordt vaak ook bestudeerd door iets anders, zelfde
studieobject veel raakvlakken met andere wetenschappen (externe)
Definitie p22
Context is belangrijk, maar mensen kunnen hetzelfde gedrag stellen in dezelfde situatie,
maar een andere betekenis hebben bv arm uitstrekken en men dacht dat je een vraag had
Psychologie kan ook gaan over groepsprocessen: sociale psychologie: welke positie neem je
in de groep? Individu staat altijd in contact met mensen niet alleen individueel, ook
context
Biologische psychologie: gedrag sterk bepaald door de biologie: genen, chemische stoffen in
ons lichaam, heel in nu behandeling: medicatie geven (medicatiegebruik stijgt)
Wat je denkt dat de oorzaak is, zal andere gevolgen hebben dan als je denkt dat een andere
oorzaak is
Verschilt per mens: kan dezelfde gebeurtenis hebben, maar toch bij de ene lijden tot
psychische problemen bij de andere niet iedere persoon is uniek
Geen eenduidigheid over de definitie
Rivaliserende beschrijvingen en verklaringen binnen psychologie (intern)
psychologie is een wetenschap waarbij zowel het gedrag van mensen wordt bestudeerd als de
gevoelens en gedachten die mensen hebben bij het ervaren van hun gedrag en de omstandigheden
waarin dat plaatsvindt.
Verschil met andere wetenschappen: beschrijving en verklaring van object is vooral op
individueel niveau, kijken meer naar beleving en waardering: voor de persoon zelf en zijn
directe omgeving
Typeren van wetenschap
Soorten vragen en problemen
Soorten vragen en problemen is in dynamiek met de methode en de theorie
Grenzen tussen wetenschappen liggen niet vast
Maatschappelijk draagvlak nodig: nu medicalisering, maar draagvlak kan veranderen voor
een bepaalde theorie (bij alle wetenschappen), mensen hebben ook hun eigen theorieën
hoe ver is uw eigen theorieën ook te maken met echte theorieën, trends, verschuivingen in
de trends, crisis: met minder mensen dezelfde job doen, technologie vereenzaming
Beïnvloed de grenzen en legitimiteit van een wetenschap
Maatschappelijke betekenis is af te leiden uit hoe sterk persoonlijke theorieën
gekleurd worden door wetenschappelijke kennis
Westerse wereld = gepsychologiseerd (alledaagse taalgebruik, boekjes bv ik ben depri, leken gaan
ook theorieën ontwikkelen, het zal wel dat zijn), zelf diagnose stellen
Medicalisering (is er nog) (reactie) anti-psychologie (niet de mens is ziek, maar de maatschappij is
ziek)
,Psycholoog gaat ook naargelang de stroming in de psychologie andere vragen stellen.
Kritische psychiater – borderline times – Dirk De Wachter
verschil: psychiater mag medicatie voorschrijven, studeerde geneeskunde + specialisatie
psycholoog: psychologie gestudeerd
Borderline times: einde van de normaliteit: norm van normaliteit wordt kleiner, vallen steeds meer
buiten de norm, normvervaging
Kritische psycholoog – identiteit – Paul Verhaeghe – psychoanalyticus
kijken naar maatschappelijke veranderingen en hoe we daar op reageren
Theorieën = referentiekaders
wisselwerking tussen theorie en werkelijkheid, geen enkele theorie is ooit af
eenzelfde verschijnsel wordt verschillend beschreven en verklaard tussen de theorieën
ze hebben ook een eigen taalgebruik, soms hetzelfde woord maar een andere betekenis
theorieën komen en gaan, geen theoretische overeenstemming
Functies theorieën
Systematiseren of ordenen: bv over experimenten van Milgram, systematisch weergeven
wat men geobserveerd heeft, duidelijk expliciete regels, moet duidelijk en controleerbaar
zijn, formuleren in duidelijke verbanden of wetmatigheden, moet herhaalbaar en
repliceerbaar zijn, , niveau van de beschrijving, expliciete regels voor kennisverwerving,
opgepast voor de gekleurde waarnemingen door behoeften, emoties en kennis
onderzoekers hun waarneming is theorie geladen: hun referentiekader bepaalt wat ze zien
je moet ook dingen uit andere theorieën gebruiken tegen dogma’s
Hierdoor ga je ook gedrag verklaren en voorspellen met een bepaalde probabiliteit
Heuristische functie: geen enkele theorie is nooit af en geeft voeding tot nieuwe
onderzoeken, voor nieuwe voorspellingen
Kenmerken van psychologische stromingen
Elke stroming heeft een geschiedenis
o Historische ontwikkeling: vroeger was er eerst een theorie dan pas praktische
toepassingen (EU), maatschappelijke problemen moesten de theorievorming
bepalen (VS) meerdere stromingen met daarin schoolvorming binnen de
scholen andere accenten, toenemende samenwerking tussen de scholen (vroeger
rivaliserend)
o Invloed cultuur en tijdstip van ontstaan: voorzagen in de behoefte van die periode
en vertegenwoordigen die waarden en normen van toen
o Stromingen reageren op elkaar: behaviorisme (geen aandacht aan het cognitieve)
cognitieve psychologie
o Vaak wisselende modes, slingerbeweging: psychoanalyse dominant vroeger, maar
nu weer een nieuwe belangstelling voor verwante onderwerpen ervan
o Stromingen maken gebruik van elkaars inzichten, sommigen lijken meer op elkaar
maar kunnen dan ook nog een andere jargon hebben: fusies in de psychologie:
hedendaagse gedragstherapie met behavioristische en cognitieve opvattingen,
samenwerking is historische en cultureel bepaald a.d.h.v. behoefte aan flexibele en
pragmatische opvattingen
, o Nieuwe eis: Evidence based: kijkt naar de behandeling, welke is nu het meest
effectief? Gaat niet meer alleen over de theorieën nu is niet alles evidence based,
maar dat hoeft niet, vaak doen ze veel onderzoek naar bepaalde behandelingen,
maar misschien zijn de niet onderzochte behandelingen beter, theorie moet
bewijzen dat ze werkt, dat ze effectief is, pragmatische aanpak
Elke stroming heeft een mensbeeld
o Wordt beïnvloed door historische, religieuze en culturele invloeden
o Consequenties voor opvattingen over gezondheid en ziekte: westen: hersenen
centraal, Japan: hart centraal donor
o 2 aspecten
Beschrijven van kenmerkende eigenschappen van de mens, verschil mens en
dier, kind en volwassenen
Verwijzing naar hoe mensen zich moeten gedragen, doelbeeld, morele visie,
sturen ons eigen handelen, beoordelen het gedrag van anderen
o 3 niveau’s
Mechanistisch mensbeeld
Mens is mechanieken, ingewikkeld dier, geen principieel onderscheid
tussen mens en dier, door externe krachten voortbewogen, machine
Ieder mens en menselijk deeltje is afzonderlijk te bestuderen,
afzonderlijke eigenschappen
invloed van omgeving is niet essentieel, los van sociale of materiële
omgeving
lineair causaal verklaringsmodel = rechtlijnig oorzaak gevolg
(psychologie gaat dat bijna nooit)
geheel is gelijk aan de som der delen
statisch
behaviorisme, onderdelen uit biologische en cognitieve psychologie
organistisch mensbeeld
mensen zijn organismen, 1 geheel: interne dynamiek, groeien en
bloeien, niet statisch,
vergelijken met dieren is zinvol, niet gelijkschakelen, mensen en
dieren zijn organismen die in wisselwerking staan met omgeving,
maar mensen hebben sociale en culturele omgeving
niet los van omgeving: externe dynamiek: wordt beïnvloed door
omgeving en beïnvloed de omgeving
circulair verklaringsmodel : moeilijker te zien wat oorzaak en gevolg
is
geheel is meer dan de som der delen, dynamisch
gezinsinteractiesysteem, omgevingspsychologie, cognitieve en
biologische psychologie
personalistisch mensbeeld
principieel onderscheid tussen mens en dieren, unieke mens
handelen is doelgericht, zin leven aan leven (kritische reflectie: niet
al ons gedrag is doelgericht), verantwoordelijk voor gedrag
gedrag heeft een betekenis die verschuift naargelang de context
context genereert de betekenis, bepaald betekenis, zin
mens is 1 geheel, geen stukjes
, mens is een cultuurwezen, talig wezen, spreekwezen: verschil tussen
dieren en mensen, beïnvloed cultuur, schept cultuur
dierenexperimenten zegt niets over menselijk gedrag, geen cultuur
psychoanalyse, humanistisch denken
indeling van theoretische stromingen
mensbeelden vergelijken: 3 niveaus van menselijk gedrag met corresponderende
mensbeelden: niveau van mechanisme, organisme, persoon
biopsychosociaal model: p33: mechanistisch organistisch persoonlijk niveau
Biopsychosociaal model p42 (George Engel): versimpelde algemene systeemtheorie
Hiërarchie van systeemniveaus: hoe hoger het niveau, hoe complexer het systeem. Gebaseerd op
systeemtheorie (bertalanffy), begint basic, er is een aparte plaats voor zenuwstelsel (1 hoger) ook al
is het een orgaanstelsel, wisselwerking tussen de niveaus, elk deel is een systeem en hoe hoger het
systeem, hoe complexer, bio sfeer is het complexste, er is een dynamisch verband tussen
biologische, psychologische, sociale factoren, dus ook een andere behandeling, gunstig effect voor de
patiënt om op elk vlak hulp te krijgen, de kracht is de aandacht voor georganiseerde gehelen en
onderdelen waaruit een systeem is opgebouwd
5 uitgangspunten in model
Model valt nooit samen met werkelijkheid, die is complexer
de werkelijkheid is op te delen in verschillende hiërarchische niveaus: simpel complex
elk niveau functioneert als een open systeem: je krijgt te maken met de omgeving, zowel
intern en extern en wisselt daar informatie mee uit, houdt zichzelf in stand; intern en extern
evenwicht bewaren, organistisch mensbeeld
toenemende complexiteit bij stijgende hiërarchie: hoger niveau omvat kenmerken van lager
niveau, maar heeft ook iets specifiek dat er niet toe te herleiden is: geheel is meer dan de
som der delen, door de unieke eigenschappen van elk systeem kan ieder niveau beschreven
worden in termen van het onderliggend niveau, maar nooit helemaal emergente
eigenschap: bij een nieuw niveau is er een nieuwe eigenschap, maar die kan niet verklaard
worden vanuit de samengestelde componenten bv hout
geen enkel niveau is te herleiden tot een ander niveau maar wordt er wel door beïnvloed:
het geheel is meer dan de som van de delen, elk niveau heeft zijn eigen benadering
een mens is het hoogste niveau van de biologische hiërarchie en het laagste niveau van de
sociale hiërarchie, biologische, sociale en psychologische is niet sterk gescheiden van elkaar
open systeem betekend dynamiek. Zenuwstelsel is apart: er is geen enkel orgaan waarbij zijn
microarchitectuur tot stand komt in de dialoog met de omgeving, wisselwerking tussen hersenen en
omgeving
AST: algemene systeemtheorie
kenmerkt zich door dynamisch denken:
kenmerken van een ding vergelijken
met kenmerken van een open systeem
= versimpeld = biopsychosociale
model, gaat voor het verklaren van