PRACTICUM NOTA’S
PRACTICUM 1: CIRCULATIESTELSEL & LYMFOÏDE ORGANEN
CIRCULATIESTELSEL
Algemeen bouwplan op p.14 v.d. cursus & inleidende PP.
E3/9: RAT
o BW dicht
o Vetweefsel & cellen
o A. femoralis:
- Musculeuze arterie
- Ronde structuren: kernen van endotheelcellen & lichtblauw laagje subendotheliaal BW.
- Elastisch membraan (membrana elastica interna & externa).
- Glad spierweefsel & collagene vezels.
- Tunica adventitia: laagje BW dat concentrisch rond het bloedvat loopt.
o V. femoralis:
- Endotheelkernen
- Geen volledig membraan → membrana elastica interna is een netwerk elastische vezels & geen
continue laag.
- Weinig subendotheliaal BW.
- 3 lagen herkennen.
- 2 laagjes gladde spiercellen → minder glad spierweefsel dan de arterie, venen zijn niet
gespecialiseerd om bloeddruk verschillen op te vangen.
- Tunica media is kleiner.
- Tunica adventitia is even “groot” als bij de arterie.
I4/3: AORTA (KAT)
o Elastische arterie
o Centraal lumen
o Tunica intima:
- Endotheelcellen die uitpuilen in lumen.
- Roodbruin laagje: membrana elastica interna met ertussen subendotheliaal BW.
o Tunica media:
- Kurkvormige kernen van gladde spiercellen
- Membrana elastica externa
o Tunica adventitia:
- Bloedvaatjes: vasa vasorum (bloedvaten v.e. bloedvat) → voorzien bloedvat van bloed.
- Vetweefsel
o Aorta heeft grootste grootteorde → elastische arterie heeft algemeen dunnere tunica media &
een musculeuze arterie heeft een uitgebreide tunica media
1
,I3/7: MUSCULEUZE ARTERIE
o Centraal lumen
o Tunica intima
o Tunica media:
- Membrana a
o Tunica adventitia
- Opdelen in 3 zones: niet altijd allemaal te zien!
1. Dicht onregelmatig BW met dwarse doorsnede van elastische vezels.
2. Dicht collageen BW zonder elastische vezels → enkel collagene vezels.
3. Losmazig BW.
o Thrichroom kleuring → elastine licht roze aangekleurd.
I1/7: V. PORTAE (KAT)
o Altijd dicht geklapt → verfrommeld. Zoeken naar plaats zonder bloedrestanten aan de wand.
o Endotheelkernen
o Directe overgang glad spierweefsel → geen membrana elastica interna! Wel elastine vezels in
tunica intima.
o Geen membrana elastica externa → directe overgang naar tunica adventitia, duidelijk zien wat
concentrisch BW v.h. bloedvat is & wat niet.
o Bloedvaten, zenuwbundels of vetweefsel in het BW rondom het bloedvat terug te vinden.
F2/9: URETER
o Overgangsepitheel
o Zoeken in tunica adventitia naar kleine zaken → minste andere zaken aanwezig.
o Capillair:
- Centraal lumen
- Één endotheelkern uitpuilend in lumen.
o Kleinste arteriole:
- Één endotheelkern
- Één kern v.e. gladde spiercel
- Liggen recht tegenoverelkaar → gekruisde kern situatie
o Kleine arteriole:
- Meerdere endotheelkernen
- Meerdere gladdespiercellen & kernen.
- Kernen endotheelcellen & spiercellen liggen op één laag.
o Grotere arteriole:
- Idem aan kleine alleen liggen de kernen van endotheel- & spiercellen op verschillende lagen.
E12/3: DUNNE DARM
o Bloedvaten in tela submucosa
o Capillairen
o Arteriole & venule
• E
o Pericard (BW)
o Myocard (spierweefsel)
o Endocard: kernen endotheelcellen (paars) & rode bloedcellen (roos/roze)
2
, o Hartspiercellen:
- Dwarsstreping
Overlangse - Fibrilvrij sarcoplasma met één of twee centrale kernen.
doorsnede - Vertakkingen afgebakend met intercalaire schijven.
LYMFOÏDE ORGANEN
• Centrale lymfoïde organen:
- Thymus
- Rood beenmerg: spongieus bot.
• Periferen lymfoïde organen: contact met antigeen → proliferatie T-cellen.
PREPARATEN CENTRALE LYMFOÏDE ORGANEN
• C2/4: beenmerg → ook het stuk bot bespreken!
o Periost met 2 lagen:
1. Fibreuze laag
2. Osteogene laag
o Geordend in hemopoëtische velden.
o Reticulair BW (collageen type III) deelt hemopoëtische velden.
o Reticulum cellen: ovale vorm, aan rand v.d. velden.
o Vetcellen met kernen weggedrukt naar de wand.
o Grote bloedvaten & verwijde capillairen (sinusoïden) met endotheel aflijning.
o Oranje: rode bloedcellen.
o Rode kernen: voorloper cellen van witte/rode bloedcellen.
o Voorlopercellen thrombocyten: megakaryocyten
- Paarse structuren
- Kern & cytoplasma te zien
- Kerndeling (meerdere kernen) maar geen celdeling.
- Stukjes cytoplasma afbreken → thrombocyten.
• Thymus:
o T.h.v. trachea met 2 lobben die errond gaan
o BW-kapsel rond lobben (HE-kleuring)
o Interlobulaire BW-septa.
o 2 gedeelten:
1. Licht: merg → aan de binnenkant. 2x meer T-cellen.
- Thymocyten (donkere bolletjes)
- Veel reticulumcellen
- Lichaampje van Hassal: concentrisch gelegen reticulumcellen die naar binnen toe verhoornen
→ fel roze laag. ENKEL IN DE THYMUS.
2. Donker: schors/cortex gedeelte → aan buitenkant. 6x meer T-cellen.
- Reticulumcellen
- Veel thymocyten
- Capillairen
- Rode bloedcellen
o Bloedvoorziening: t.h.v. overgang cortex naar merg aftakkingen thymusarterie & venen die verder
opsplitsen naar capillairen & venulen
3
, PREPARATEN PERIFERE LYMFOÏDE ORGANEN
• Lymfeknoop:
o Bolvormig
o 2 delen:
1. Cortex gedeelte
- Lymfe follikels met kiemcentrum & donkere rand (corona/krans).
- B-lymfocyten in follikels. (geen microscopisch onderscheid tussen B- & T-lymfocyten →
onthouden waar je ze terug vindt).
2. Merg gedeelte
- Mergsinussen met B-lymfocyten & reticulair BW + kernen reticulum cellen.
- Mergstrengen met B-lymfocyten, meer dan in sinussen.
o Altijd omgeven door lymfekapsel met aanvoerende lymfevaten → niet altijd te zien, opzoek gaan
naar zone waar het aanwezig is.
o T-lymfocyten in ruimten tussen schors & merg → paracorticale ruimte.
o Beschrijven hoe het lymfe verloopt op examen!
1. Aankomen in kapsel via lymfevaten.
2. Onder het kapsel bevindt zich een sinus (randsinus/subcapsulaire sinus).
3. Trabekelsinus naast BW-trabekel.
4. Perifolliculaire sinus, net naast lymfefollikel (witte ruimten)
5. Mergsinussen
6. Efferente lymfevaten
• J2/10: tonsilla palatinae
o 2 zijden:
1. Mondzijde met verhoornend meerlagig plaveisel epitheel.
2. Veel BW, vetweefsel & bloedvaten.
o Groeven (fossilae) lopen diep door → crypten (wanneer je niet meer duidelijk het epitheel kan zien
omdat het bedekt is door lymfocyten).
o Lymfefollikels met lichter kiemcentrum & donkerdere krans + B-lymfocyten.
o Tussen2 follikels → T-lymfocyten & hoog endotheelvenulen (capillairen met hoog endotheel).
o Behoort tot MALT.
• J3/6: milt
o Bespreken a.d.h.v. hoe het bloed verloopt doorheen de milt:
1. A. lienalis
2. Trabekelarteriën
3. Witte pulpa met centrale arteriole/arterie met lymfocytenschede (PALS). Dichtbij de arterie T-
lymfocyten & verder weg de B-lymfocyten.
4. Rode pulpa met veneuze sinussen en Strengen van Bilroth: lymfocyten, rode BC,
reticulumcellen & macrofagen
5. Terminale/penseelarteriën op grens witte & rode pulpa → verlopen in veneuze sinussen.
6. Trabekelvenen
7. Hilusgebied bij v. lienalis
o BW-kapsel
o BW-zones vanuit kapsel (trabekels) met bloedvaatjes (trabekelarteriën).
o Rode pulpa: licht aangekleurd (roze).
o Witte pulpa: donker aangekleurd (paars).
o Hilusgebied: arterie & vene lienalis.
4
PRACTICUM 1: CIRCULATIESTELSEL & LYMFOÏDE ORGANEN
CIRCULATIESTELSEL
Algemeen bouwplan op p.14 v.d. cursus & inleidende PP.
E3/9: RAT
o BW dicht
o Vetweefsel & cellen
o A. femoralis:
- Musculeuze arterie
- Ronde structuren: kernen van endotheelcellen & lichtblauw laagje subendotheliaal BW.
- Elastisch membraan (membrana elastica interna & externa).
- Glad spierweefsel & collagene vezels.
- Tunica adventitia: laagje BW dat concentrisch rond het bloedvat loopt.
o V. femoralis:
- Endotheelkernen
- Geen volledig membraan → membrana elastica interna is een netwerk elastische vezels & geen
continue laag.
- Weinig subendotheliaal BW.
- 3 lagen herkennen.
- 2 laagjes gladde spiercellen → minder glad spierweefsel dan de arterie, venen zijn niet
gespecialiseerd om bloeddruk verschillen op te vangen.
- Tunica media is kleiner.
- Tunica adventitia is even “groot” als bij de arterie.
I4/3: AORTA (KAT)
o Elastische arterie
o Centraal lumen
o Tunica intima:
- Endotheelcellen die uitpuilen in lumen.
- Roodbruin laagje: membrana elastica interna met ertussen subendotheliaal BW.
o Tunica media:
- Kurkvormige kernen van gladde spiercellen
- Membrana elastica externa
o Tunica adventitia:
- Bloedvaatjes: vasa vasorum (bloedvaten v.e. bloedvat) → voorzien bloedvat van bloed.
- Vetweefsel
o Aorta heeft grootste grootteorde → elastische arterie heeft algemeen dunnere tunica media &
een musculeuze arterie heeft een uitgebreide tunica media
1
,I3/7: MUSCULEUZE ARTERIE
o Centraal lumen
o Tunica intima
o Tunica media:
- Membrana a
o Tunica adventitia
- Opdelen in 3 zones: niet altijd allemaal te zien!
1. Dicht onregelmatig BW met dwarse doorsnede van elastische vezels.
2. Dicht collageen BW zonder elastische vezels → enkel collagene vezels.
3. Losmazig BW.
o Thrichroom kleuring → elastine licht roze aangekleurd.
I1/7: V. PORTAE (KAT)
o Altijd dicht geklapt → verfrommeld. Zoeken naar plaats zonder bloedrestanten aan de wand.
o Endotheelkernen
o Directe overgang glad spierweefsel → geen membrana elastica interna! Wel elastine vezels in
tunica intima.
o Geen membrana elastica externa → directe overgang naar tunica adventitia, duidelijk zien wat
concentrisch BW v.h. bloedvat is & wat niet.
o Bloedvaten, zenuwbundels of vetweefsel in het BW rondom het bloedvat terug te vinden.
F2/9: URETER
o Overgangsepitheel
o Zoeken in tunica adventitia naar kleine zaken → minste andere zaken aanwezig.
o Capillair:
- Centraal lumen
- Één endotheelkern uitpuilend in lumen.
o Kleinste arteriole:
- Één endotheelkern
- Één kern v.e. gladde spiercel
- Liggen recht tegenoverelkaar → gekruisde kern situatie
o Kleine arteriole:
- Meerdere endotheelkernen
- Meerdere gladdespiercellen & kernen.
- Kernen endotheelcellen & spiercellen liggen op één laag.
o Grotere arteriole:
- Idem aan kleine alleen liggen de kernen van endotheel- & spiercellen op verschillende lagen.
E12/3: DUNNE DARM
o Bloedvaten in tela submucosa
o Capillairen
o Arteriole & venule
• E
o Pericard (BW)
o Myocard (spierweefsel)
o Endocard: kernen endotheelcellen (paars) & rode bloedcellen (roos/roze)
2
, o Hartspiercellen:
- Dwarsstreping
Overlangse - Fibrilvrij sarcoplasma met één of twee centrale kernen.
doorsnede - Vertakkingen afgebakend met intercalaire schijven.
LYMFOÏDE ORGANEN
• Centrale lymfoïde organen:
- Thymus
- Rood beenmerg: spongieus bot.
• Periferen lymfoïde organen: contact met antigeen → proliferatie T-cellen.
PREPARATEN CENTRALE LYMFOÏDE ORGANEN
• C2/4: beenmerg → ook het stuk bot bespreken!
o Periost met 2 lagen:
1. Fibreuze laag
2. Osteogene laag
o Geordend in hemopoëtische velden.
o Reticulair BW (collageen type III) deelt hemopoëtische velden.
o Reticulum cellen: ovale vorm, aan rand v.d. velden.
o Vetcellen met kernen weggedrukt naar de wand.
o Grote bloedvaten & verwijde capillairen (sinusoïden) met endotheel aflijning.
o Oranje: rode bloedcellen.
o Rode kernen: voorloper cellen van witte/rode bloedcellen.
o Voorlopercellen thrombocyten: megakaryocyten
- Paarse structuren
- Kern & cytoplasma te zien
- Kerndeling (meerdere kernen) maar geen celdeling.
- Stukjes cytoplasma afbreken → thrombocyten.
• Thymus:
o T.h.v. trachea met 2 lobben die errond gaan
o BW-kapsel rond lobben (HE-kleuring)
o Interlobulaire BW-septa.
o 2 gedeelten:
1. Licht: merg → aan de binnenkant. 2x meer T-cellen.
- Thymocyten (donkere bolletjes)
- Veel reticulumcellen
- Lichaampje van Hassal: concentrisch gelegen reticulumcellen die naar binnen toe verhoornen
→ fel roze laag. ENKEL IN DE THYMUS.
2. Donker: schors/cortex gedeelte → aan buitenkant. 6x meer T-cellen.
- Reticulumcellen
- Veel thymocyten
- Capillairen
- Rode bloedcellen
o Bloedvoorziening: t.h.v. overgang cortex naar merg aftakkingen thymusarterie & venen die verder
opsplitsen naar capillairen & venulen
3
, PREPARATEN PERIFERE LYMFOÏDE ORGANEN
• Lymfeknoop:
o Bolvormig
o 2 delen:
1. Cortex gedeelte
- Lymfe follikels met kiemcentrum & donkere rand (corona/krans).
- B-lymfocyten in follikels. (geen microscopisch onderscheid tussen B- & T-lymfocyten →
onthouden waar je ze terug vindt).
2. Merg gedeelte
- Mergsinussen met B-lymfocyten & reticulair BW + kernen reticulum cellen.
- Mergstrengen met B-lymfocyten, meer dan in sinussen.
o Altijd omgeven door lymfekapsel met aanvoerende lymfevaten → niet altijd te zien, opzoek gaan
naar zone waar het aanwezig is.
o T-lymfocyten in ruimten tussen schors & merg → paracorticale ruimte.
o Beschrijven hoe het lymfe verloopt op examen!
1. Aankomen in kapsel via lymfevaten.
2. Onder het kapsel bevindt zich een sinus (randsinus/subcapsulaire sinus).
3. Trabekelsinus naast BW-trabekel.
4. Perifolliculaire sinus, net naast lymfefollikel (witte ruimten)
5. Mergsinussen
6. Efferente lymfevaten
• J2/10: tonsilla palatinae
o 2 zijden:
1. Mondzijde met verhoornend meerlagig plaveisel epitheel.
2. Veel BW, vetweefsel & bloedvaten.
o Groeven (fossilae) lopen diep door → crypten (wanneer je niet meer duidelijk het epitheel kan zien
omdat het bedekt is door lymfocyten).
o Lymfefollikels met lichter kiemcentrum & donkerdere krans + B-lymfocyten.
o Tussen2 follikels → T-lymfocyten & hoog endotheelvenulen (capillairen met hoog endotheel).
o Behoort tot MALT.
• J3/6: milt
o Bespreken a.d.h.v. hoe het bloed verloopt doorheen de milt:
1. A. lienalis
2. Trabekelarteriën
3. Witte pulpa met centrale arteriole/arterie met lymfocytenschede (PALS). Dichtbij de arterie T-
lymfocyten & verder weg de B-lymfocyten.
4. Rode pulpa met veneuze sinussen en Strengen van Bilroth: lymfocyten, rode BC,
reticulumcellen & macrofagen
5. Terminale/penseelarteriën op grens witte & rode pulpa → verlopen in veneuze sinussen.
6. Trabekelvenen
7. Hilusgebied bij v. lienalis
o BW-kapsel
o BW-zones vanuit kapsel (trabekels) met bloedvaatjes (trabekelarteriën).
o Rode pulpa: licht aangekleurd (roze).
o Witte pulpa: donker aangekleurd (paars).
o Hilusgebied: arterie & vene lienalis.
4