Godsdienst 1
les 1 en 2
Begrippen
Godsdienst= een religie gericht op het geloven in een bepaalde
god/goden; datgene waarmee men zich verbindt noemt men god
bv. Islam, jodendom
Religie= die vorm van een levensbeschouwing die uitgaat van een
verhouding tot het heilige
Verbinding tussen mensen
bv. Boeddhisme
Religieus = wordt bij heel veel zaken (vooral ervaringen) gebruikt om aan
te geven dat er iets 'speciaals' was, dat het gevoel dieper ging dan
normaal.
Spiritualiteit = afgeleid van het Franse ‘spiritualité’ om dit tussengebied
te kunnen benoemen met een eigen term
"Alle godsdienstige mensen zijn religieus, maar niet alle religieus
ingestelde mensen zijn godsdienstig."
Geloof= een ander synoniem voor religie
Levensbeschouwing
= een activiteit: het beschouwen van het leven, een menselijke bezigheid
en heeft te maken met waarde, moraal, identiteit, relaties, samenleving,…
iedereen heeft een levensbeschouwing
een kijk op het leven, de wereld en alle mensen rond je heen
Levensbeschouwing als koepelterm
= Familie, cultuur, land, werelddeel zijn initieel essentieel in de
levensbeschouwelijke vorming.
De aanzetten om zich op het leven te oriënteren zullen ook al gauw niet
meer mono levensbeschouwelijk zijn.
Het kan dienen om een activiteit aan te duiden, de activiteit is een
menselijke bezigheid en heeft te maken met:
- Waarden
- Moraal
- Identiteit
1
, - Relaties
- Samenleven
- Zintuigen
- …
Wit= levensbeschouwing
Lichtgroen= religie
Donkergroen = godsdienst
Godsdienst is automotisch een religie en levensbouwing andersom niet
De morale ontwikkeling
Opvoeding onderwijs
= in het onderwijs en opvoeding worden altijd normen en waarden
overgedragen
het is belangrijk om stil te staan bij dit ontwikkelingsdomein vanuit de
ontwikkelingspsychologie
Morale ontwikkeling bij de peuter
= kinderen weten wat mag en niet mag. Als ze alleen zijn dan gaat de
peurter toch zijn zinnetje doen. De morale regeltjes zijn dus uitsluitend
verbonden aan de aanwezigheid van de opvoedende figuur.
Volgende fase
In deze fase komt de kleuter tot besef dat het eigelijk niet mag. En gaat
die het op iemand anders steken bv. Een broetje of zusje heeft het gedaan.
Kleuters zijn gericht op moreel gebied vooral gericht op gevolgen van zijn
of haar gedrag. Foutief gedrag word bestraft en goed gedrag word
beloond.
Een ouder of opvoeder is degene die straft of beloond. Vandaar dat het
moreel gedrag en aanwezigheid aanvankelijk zo gekoppeld zijn
Pas in de volgende stap en met ouder worden dat het kind de regeltjes ook
in andere situaties gaat toepassen.
2
,de morale ontwikkeling van de kleuter
- Kind neemt geboden en verboden over van de ouders
worden verinnerlijk tot een eigen geweten = spiegelgeweten
- Afspiegeling van wat volwasseen steeds hebben voorgehouden
- Meestal begrijpt de kleuter waarom iets niet mag of waarom die iets
moet doen
preconventionele fase
De morele ontwikkeling volgens Kohlberg
- model schema van de morele ontwilleking. Bestaat uit 6 stadia
volgorde ligt universeel vast.
- Elke fase heeft een cognitieve vooruitgang (= hogere vorm van
redeneren)
- Een fase hangt samen met de ontwikkeling van het logisch denken
- Een fase overslaan kan niet, een fase niet bereiken kan wel
- de 6 stadia zijn verdeeld in 3 fasen =
preconventioneel niveau
kleuter/peuterleeftijd
eerste fase = starfvermijding ‘goed’ is dan wat laat omdat je anders
staf krijgt
tweede fase = iets dat in eigen voordeel speelt ‘goed’ datgene dat het
kind ervaart als pretting bv. Een beloning
conventionele niveau
lagereschoolkind
het kind krijgt door wat de algemene gedragcode inhoud. De normen
waar alle mensen zich zo veel mogelijk aan moeten houden
derde fase = ‘goed’ word dan bepaalt door de directe omgeving van
het kind bv. Ouders, leerkracht
vierde fase = vanaf pubertijd zicht op grotere sociale systemen bv.
Wetten, rechtbank, leeftijdsgenoten, werkgevers,… Wat daarin dan als
goed of kwaad geldt
postconventionele fasen
adolescent/volwassene
hier in word verwacht dat hij kan bepalen welke waarde in een
bepaalde situaties de doorslag moet krijgen en dat hij prioriteiten kan
aangeven in het belang van de algemene menselijke waarden.
3
, Vijfde fase = richt zich op de abstacte morele principes
Zesde fase = hier realiseert de persoon dat hij een eigen
verantwoordelijkheid heeft als het gaat om de keuze te maken tussen
welke regels die wel en niet wil volgen
op dit moment brengt hij of zij een persoonlijke prioriteit aan
Kritiek op Kohlberg
-rechtlijninge opeenvolging : eerder afhankelijk van de situatie
-onderzoek voornamelijk bij jongens
De morele ontwikkeling stimuleren in de kleuterklas
Morele opvoeding
§ Helpt kinderen een afweging te maken tussen wat goed en kwaad is
ze leren gaandeweg aan deze overweging ook nog het juiste
gedrag te koppelen.
§ Helpt hen te oriënteren op wat van belang is voor vele mensen, op
wat menselijk/wenselijk is en zich af te keren van wat menselijk
gezien niet kan.
§ Het gaat veel minder om concrete waarden, maar wel om een
houding van respectvol leren omgaan met de veelvormigheid van
waarden en normen
waardeverhalen: openen een bepaalde blik op de werkelijkheid die je
aan het denken zet.
Link tussen morele opvoeding en godsdienst
Afweging maken tussen goed en kwaad kan afhangen van religie/
godsdienst
4
les 1 en 2
Begrippen
Godsdienst= een religie gericht op het geloven in een bepaalde
god/goden; datgene waarmee men zich verbindt noemt men god
bv. Islam, jodendom
Religie= die vorm van een levensbeschouwing die uitgaat van een
verhouding tot het heilige
Verbinding tussen mensen
bv. Boeddhisme
Religieus = wordt bij heel veel zaken (vooral ervaringen) gebruikt om aan
te geven dat er iets 'speciaals' was, dat het gevoel dieper ging dan
normaal.
Spiritualiteit = afgeleid van het Franse ‘spiritualité’ om dit tussengebied
te kunnen benoemen met een eigen term
"Alle godsdienstige mensen zijn religieus, maar niet alle religieus
ingestelde mensen zijn godsdienstig."
Geloof= een ander synoniem voor religie
Levensbeschouwing
= een activiteit: het beschouwen van het leven, een menselijke bezigheid
en heeft te maken met waarde, moraal, identiteit, relaties, samenleving,…
iedereen heeft een levensbeschouwing
een kijk op het leven, de wereld en alle mensen rond je heen
Levensbeschouwing als koepelterm
= Familie, cultuur, land, werelddeel zijn initieel essentieel in de
levensbeschouwelijke vorming.
De aanzetten om zich op het leven te oriënteren zullen ook al gauw niet
meer mono levensbeschouwelijk zijn.
Het kan dienen om een activiteit aan te duiden, de activiteit is een
menselijke bezigheid en heeft te maken met:
- Waarden
- Moraal
- Identiteit
1
, - Relaties
- Samenleven
- Zintuigen
- …
Wit= levensbeschouwing
Lichtgroen= religie
Donkergroen = godsdienst
Godsdienst is automotisch een religie en levensbouwing andersom niet
De morale ontwikkeling
Opvoeding onderwijs
= in het onderwijs en opvoeding worden altijd normen en waarden
overgedragen
het is belangrijk om stil te staan bij dit ontwikkelingsdomein vanuit de
ontwikkelingspsychologie
Morale ontwikkeling bij de peuter
= kinderen weten wat mag en niet mag. Als ze alleen zijn dan gaat de
peurter toch zijn zinnetje doen. De morale regeltjes zijn dus uitsluitend
verbonden aan de aanwezigheid van de opvoedende figuur.
Volgende fase
In deze fase komt de kleuter tot besef dat het eigelijk niet mag. En gaat
die het op iemand anders steken bv. Een broetje of zusje heeft het gedaan.
Kleuters zijn gericht op moreel gebied vooral gericht op gevolgen van zijn
of haar gedrag. Foutief gedrag word bestraft en goed gedrag word
beloond.
Een ouder of opvoeder is degene die straft of beloond. Vandaar dat het
moreel gedrag en aanwezigheid aanvankelijk zo gekoppeld zijn
Pas in de volgende stap en met ouder worden dat het kind de regeltjes ook
in andere situaties gaat toepassen.
2
,de morale ontwikkeling van de kleuter
- Kind neemt geboden en verboden over van de ouders
worden verinnerlijk tot een eigen geweten = spiegelgeweten
- Afspiegeling van wat volwasseen steeds hebben voorgehouden
- Meestal begrijpt de kleuter waarom iets niet mag of waarom die iets
moet doen
preconventionele fase
De morele ontwikkeling volgens Kohlberg
- model schema van de morele ontwilleking. Bestaat uit 6 stadia
volgorde ligt universeel vast.
- Elke fase heeft een cognitieve vooruitgang (= hogere vorm van
redeneren)
- Een fase hangt samen met de ontwikkeling van het logisch denken
- Een fase overslaan kan niet, een fase niet bereiken kan wel
- de 6 stadia zijn verdeeld in 3 fasen =
preconventioneel niveau
kleuter/peuterleeftijd
eerste fase = starfvermijding ‘goed’ is dan wat laat omdat je anders
staf krijgt
tweede fase = iets dat in eigen voordeel speelt ‘goed’ datgene dat het
kind ervaart als pretting bv. Een beloning
conventionele niveau
lagereschoolkind
het kind krijgt door wat de algemene gedragcode inhoud. De normen
waar alle mensen zich zo veel mogelijk aan moeten houden
derde fase = ‘goed’ word dan bepaalt door de directe omgeving van
het kind bv. Ouders, leerkracht
vierde fase = vanaf pubertijd zicht op grotere sociale systemen bv.
Wetten, rechtbank, leeftijdsgenoten, werkgevers,… Wat daarin dan als
goed of kwaad geldt
postconventionele fasen
adolescent/volwassene
hier in word verwacht dat hij kan bepalen welke waarde in een
bepaalde situaties de doorslag moet krijgen en dat hij prioriteiten kan
aangeven in het belang van de algemene menselijke waarden.
3
, Vijfde fase = richt zich op de abstacte morele principes
Zesde fase = hier realiseert de persoon dat hij een eigen
verantwoordelijkheid heeft als het gaat om de keuze te maken tussen
welke regels die wel en niet wil volgen
op dit moment brengt hij of zij een persoonlijke prioriteit aan
Kritiek op Kohlberg
-rechtlijninge opeenvolging : eerder afhankelijk van de situatie
-onderzoek voornamelijk bij jongens
De morele ontwikkeling stimuleren in de kleuterklas
Morele opvoeding
§ Helpt kinderen een afweging te maken tussen wat goed en kwaad is
ze leren gaandeweg aan deze overweging ook nog het juiste
gedrag te koppelen.
§ Helpt hen te oriënteren op wat van belang is voor vele mensen, op
wat menselijk/wenselijk is en zich af te keren van wat menselijk
gezien niet kan.
§ Het gaat veel minder om concrete waarden, maar wel om een
houding van respectvol leren omgaan met de veelvormigheid van
waarden en normen
waardeverhalen: openen een bepaalde blik op de werkelijkheid die je
aan het denken zet.
Link tussen morele opvoeding en godsdienst
Afweging maken tussen goed en kwaad kan afhangen van religie/
godsdienst
4