OBSERVEREN
Theorie examen 1
2024-2025
Michèle Seurinck
,Deel 1: Het onderwijs in Vlaanderen
1. De beginsituatie
Elk kind is uniek kinderen verschillen onderling
DAAROM: differentiatie (= aanbod aanpassen aan wat ze in hun mars hebben)
=> goed onderwijs houdt hiermee rekening (= beginsituatie van de leerling in kaart brengen)
Leerkracht heeft een sturende en betekenisvolle rol: je handelt volgens wat een kind nodig heeft en
niet vanuit een voorgeschreven boek.
je stemt jouw handelen af op wat kinderen nodig hebben om te ontwikkelen (omgeving scheppen
met alle kansen waar ze aan hun naaste ontwikkeling kunnen werken)
Essentieel = juiste info verzamelen over de leerlingen
2. Het belang van de beginsituatie
Begeleiden van de leerling doet de leraar zo:
- zorgen dat de leerling goed in zijn vel zit
- zorgen dat de leerling zich competent voelt (hangt samen met mindset)
- zorgen dat de leerling gemotiveerd is (serieus genomen, gewaardeerd en gevoel dat ze er bij horen)
Sociale verbondenheid tussen de leraar en de leerlingen = cruciaal
de leraar moet weten waar het kind staat in de ontwikkeling en bouwt daar verder op
3. Elementen van de beginsituatie
Rekening houden met de beginsituatie van het individuele kind = individugerichte focus
Wat kan de leerling al?
Wat heeft hij nog nodig en de leerlijnen (leerlinggerichte kant en leerstofgerichte kant)
Inzicht hebben op het kind is goed voor bepalen van de zone van naaste ontwikkeling
Rekening houden met de klasgroep = groepsgerichte focus
1
, Deel 2: Observeren
1. Waarnemen
observeren is een bijzondere vorm van waarnemen. Waarnemen is iets opmerken via 1 of meer
van je 5 zintuigen (horen, zien, proeven, ruiken of voelen)
Waarnemen = het resultaat van een (meestal onbewust) subjectief selectieproces.
Je kan niet alle prikkels tegelijk bewust opmerken sommige blijven op de achtergrond (je merkt ze
wel op maar sommige prikkels komen op de voorgrond die je dan bewust waarneemt)
meer bewust van nieuwe of opvallende prikkels dan van reeds bekende prikkels
Een selectie in waarnemen (voorgrond of achtergrond) gebeurt spontaan = onbewuste selectie
is gericht op je voorkennis en context door toevallige omstandigheden
subjectief (selecties die wij maken zijn voor ons vanzelfsprekend maar kan voor anderen niet zo
zijn)
2. Observeren
2.1. Wat is observeren?
Observeren = gaat over verwonderen, openstaan, je laten raken en begrijpen wat kinderen beweegt
nooit toevallig, waarnemen wel toevallig = essentieel verschil
= een doelgerichte activiteit (bewust waarnemen op basis van een vooraf vastgelegd doel)
Als je observeert bepaal je vooraf:
- Wat wil je weten?
- Wat moet je daarvoor observeren (welke persoon, situatie)?
- Wanneer?
- Hoe organiseren?
- Waar zitten?
- Hoe observaties vastleggen?
Essentie van observeren: eerst gegevens verzamelen en geen interpretaties toelaten
even in de klas kijken is niet observeren maar waarnemen
2.2. Waarom observeert de leraar?
Leraar moet een kind goed in beeld kunnen brengen: je kijkt daarbij naar de overeenkomsten en de
verschillen tussen kinderen (pedagogische benadering en didactische aanpak)
elk kind is uniek
Kern van het doel van observeren =
- unieke van elk kind in beeld brengen
- gemeenschappelijke kenmerken signaleren
- waarnemen van afwijkend zijn van de gangbare ontwikkeling
Door goed te observeren kan de leraar effectiever inspelen op de onderwijsbehoeften van leerlingen
2