Groep 3: Terriërs
= aardhonden; meeste gefokt in Engeland voor jacht op klein roofwild, zoeken wild op dat
zich onder grond verschuilt → voor ditzelfde doel in Duitsland pinschers, schnauzers (groep
2) en dashonden (groep 4) gefokt
→ voor dit soort jacht laagbenige dieren (beperkte afmetingen van holen en pijpen)
→ moeten wakker en moedig zijn, begiftigd met fijne reukzin en onvermoeibaar
graversinstinct en voorzien van stevige kaken en krachtig gebit
→ hond die zich heeft ingegraven ka heftig blaffend blijven voorliggen totdat jager hond en
prooi uitgraaft (in wild met speciale tang grijpen of hond na gevecht prooi te verwonden of
doodbijten of roofwild uit hol gedreven en bij wegvluchten onder luid geblaf tot stilstand
brengen en neerschieten)
Groep onderverdeeld in 4 subtypes:
1. Grote en middenslagterriers (58-28cm):
Airedaleterriër, Welsh terriër, Lakelandterriër, Bedlingtonterriër, Manchesterterriër, Foxterriër,
Borderterriër, Ierse softcoated wheaten terriër, Ierse terriër, Kerry blue-terriër
2. Kleine terriërs (28-25cm):
Jack Russell terriër, Cairn terriër, West Highland White terriër, Sealyham terriër, Skye terriër,
Dandie Dinmont terriër, Norfolk en Norwich terriër
3. Terriers van bulldogtype (variabel):
Bullterriër, Staffordshire bull terriër, American staffordshire, American bully
→ in de 19e eeuw gefokt uit terriers (voor hun behendigheid ) en bulldogs voor hun spieren.
4. Terriers van dwerghondentype (20cm):
Yorkshireterriër (York), Australische silkyterriërs (Silky), Engelse toyterriër
1. Grote en middenslag terriërs:
Airedale terriër
- relatief groot
- hoofd: lang, diep
- staart: hoog aangezet, rechtopstaand
- beharing: draad of ruwharig, hard en dicht
- oren: klein, v-vormig, zijwaarts gedragen, vallen naar
voren met bovenlijn die boven schedeldak uitkomt
- droog gespierde, matig lange hals met weinig keelhuid
- kleur: roestbruin met zwart of donkergrijs zadel dat in
hals begint (mantel)
→ overgang pup naar volwassen breiden gebieden tan uit
,Welsh terriër
- lijkt op alle gebieden goed op airedale
terriër → ongeveer 20cm kleiner (59 vs 39cm)
Lakeland terriër
- meer kleuren
- zadel minder intens gekleurd
- kleur: solid colors include red, wheaten,
blue, black and liver, and saddle-marked colors
are black & tan, blue & tan, grizzle & tan, liver &
tan and red grizzle
Bedlington terriër
- blaft niet (uitzonderlijk bij
terriërs)
- lange droge hals
- karperrug (omhoog
gekromd)
- gewelfde lenden
- hellend kruis
- diepe borst
- opgeschorte buik
- smal ramshoofd zonder stop (lijkt zo door vacht die zo wordt getrimd)
- oren: vrij lang, hangend, laag aangezet, kort behaard behalve top
- beharing: dik, warrig met neiging tot krullen (vooral schedel en snuit)
- slank met typische lichaamsbouw (komt door inkruisen met whippet)
, Koperstapelingsziekte (recessief):
vroeger: erfelijke leverkoperstapelingsziekte bij Bedlington terriërs → overerving recessief
→ onderzoek: leverpunctie en vaststelling uit kopergehalte lever (bij leverpunctie enkele
jaren oud → 1ste jaren kopergehalte laag) → lijder ja of nee?
→ hond kan ook drager zijn (kan defect gen doorgeven zonder zelf ziek te worden) =
met leverpunctie niet opgespoord
40 jaar geleden: kwam voor bij bijna helft van de honden
nu: minder dan 10% aangetast → genetische test ontwikkeld waardoor dragers en lijders al
bij pups geïdentificeerd kunnen worden → drager: alleen met vrij dier paren; lijder:
uitgesloten voor fok
Manchester terriër
- rattenjager (rattenplaag 19de eeuw)
- (40cm)
- zeldzaam ras
- compact voorkomen
- lang hoofd
- schedel: vlak, smal wigvormig
- versmallende kaken
- oren: v-vormig, overlappend naar voren, hoger dan
bovenlijn hoofd, dicht tegen hoofd gedragen
- beharing: kort, glad
- staart: laag gedragen (itt pinscher)
- kleur: ALTIJD black and tan, potloodstrepen op poten
Foxterriër
- draadhaar (ruwharig)
- om vossen uit holen te drijven
- heel intelligent
= aardhonden; meeste gefokt in Engeland voor jacht op klein roofwild, zoeken wild op dat
zich onder grond verschuilt → voor ditzelfde doel in Duitsland pinschers, schnauzers (groep
2) en dashonden (groep 4) gefokt
→ voor dit soort jacht laagbenige dieren (beperkte afmetingen van holen en pijpen)
→ moeten wakker en moedig zijn, begiftigd met fijne reukzin en onvermoeibaar
graversinstinct en voorzien van stevige kaken en krachtig gebit
→ hond die zich heeft ingegraven ka heftig blaffend blijven voorliggen totdat jager hond en
prooi uitgraaft (in wild met speciale tang grijpen of hond na gevecht prooi te verwonden of
doodbijten of roofwild uit hol gedreven en bij wegvluchten onder luid geblaf tot stilstand
brengen en neerschieten)
Groep onderverdeeld in 4 subtypes:
1. Grote en middenslagterriers (58-28cm):
Airedaleterriër, Welsh terriër, Lakelandterriër, Bedlingtonterriër, Manchesterterriër, Foxterriër,
Borderterriër, Ierse softcoated wheaten terriër, Ierse terriër, Kerry blue-terriër
2. Kleine terriërs (28-25cm):
Jack Russell terriër, Cairn terriër, West Highland White terriër, Sealyham terriër, Skye terriër,
Dandie Dinmont terriër, Norfolk en Norwich terriër
3. Terriers van bulldogtype (variabel):
Bullterriër, Staffordshire bull terriër, American staffordshire, American bully
→ in de 19e eeuw gefokt uit terriers (voor hun behendigheid ) en bulldogs voor hun spieren.
4. Terriers van dwerghondentype (20cm):
Yorkshireterriër (York), Australische silkyterriërs (Silky), Engelse toyterriër
1. Grote en middenslag terriërs:
Airedale terriër
- relatief groot
- hoofd: lang, diep
- staart: hoog aangezet, rechtopstaand
- beharing: draad of ruwharig, hard en dicht
- oren: klein, v-vormig, zijwaarts gedragen, vallen naar
voren met bovenlijn die boven schedeldak uitkomt
- droog gespierde, matig lange hals met weinig keelhuid
- kleur: roestbruin met zwart of donkergrijs zadel dat in
hals begint (mantel)
→ overgang pup naar volwassen breiden gebieden tan uit
,Welsh terriër
- lijkt op alle gebieden goed op airedale
terriër → ongeveer 20cm kleiner (59 vs 39cm)
Lakeland terriër
- meer kleuren
- zadel minder intens gekleurd
- kleur: solid colors include red, wheaten,
blue, black and liver, and saddle-marked colors
are black & tan, blue & tan, grizzle & tan, liver &
tan and red grizzle
Bedlington terriër
- blaft niet (uitzonderlijk bij
terriërs)
- lange droge hals
- karperrug (omhoog
gekromd)
- gewelfde lenden
- hellend kruis
- diepe borst
- opgeschorte buik
- smal ramshoofd zonder stop (lijkt zo door vacht die zo wordt getrimd)
- oren: vrij lang, hangend, laag aangezet, kort behaard behalve top
- beharing: dik, warrig met neiging tot krullen (vooral schedel en snuit)
- slank met typische lichaamsbouw (komt door inkruisen met whippet)
, Koperstapelingsziekte (recessief):
vroeger: erfelijke leverkoperstapelingsziekte bij Bedlington terriërs → overerving recessief
→ onderzoek: leverpunctie en vaststelling uit kopergehalte lever (bij leverpunctie enkele
jaren oud → 1ste jaren kopergehalte laag) → lijder ja of nee?
→ hond kan ook drager zijn (kan defect gen doorgeven zonder zelf ziek te worden) =
met leverpunctie niet opgespoord
40 jaar geleden: kwam voor bij bijna helft van de honden
nu: minder dan 10% aangetast → genetische test ontwikkeld waardoor dragers en lijders al
bij pups geïdentificeerd kunnen worden → drager: alleen met vrij dier paren; lijder:
uitgesloten voor fok
Manchester terriër
- rattenjager (rattenplaag 19de eeuw)
- (40cm)
- zeldzaam ras
- compact voorkomen
- lang hoofd
- schedel: vlak, smal wigvormig
- versmallende kaken
- oren: v-vormig, overlappend naar voren, hoger dan
bovenlijn hoofd, dicht tegen hoofd gedragen
- beharing: kort, glad
- staart: laag gedragen (itt pinscher)
- kleur: ALTIJD black and tan, potloodstrepen op poten
Foxterriër
- draadhaar (ruwharig)
- om vossen uit holen te drijven
- heel intelligent