Nut
= Voldoening door consumptie
vb. ik word blij als ik een ijsje eet het nut van een ijsje is voor mij 5
- Dit cijfer is alleen nodig om bepaalde goederen met elkaar te vergelijken
- Dit cijfer is persoonlijk
= niet waarde waardeparadox = sommigen goederen hebben een groot nut, en toch een kleine
marktwaarde (vb. lucht, water) andere goederen hebben dan weer geen nut en een zeer grote
marktwaarde (vb. edelstenen)
Marginaal nut = toename in nut ten gevolge van bijkomende eenheid consumptie (= grensnut)
Vb. wat extra nut levert een tweede bolletje ijs voor mij op?
o 1e wet van Gossen: dalend marginaal nut
= het marginaal nut voortgebracht door de consumptie van extra eenheden van een product
vermindert indien een consument meer van dit product consumeert, (creteris paribus) de
consumptie van alle andere goederen blijft gelijk.
vb. Je koopt een jas; de eerste jas gaat nuttig zijn maar de tweede jas gaat minder nuttig zijn
vb. Film voor de 3de keer kijken
o 2e wet van Gossen: gelijk marginaal nut van hun laatste euro
= deze wet leert dat het nut van een consument maximaal is als de laatste euro in elke
aankoop hetzelfde nut oplevert. Zoniet, dan moet de consument dringend zijn aankopen
wijzigen en meer kopen van dat goed waarvoor het grensnut groter is.
vb. de laatste euro die ik uitgeef aan ijs levert mij meer op dan de laatste euro die ik uitgeef
aan cola.
de tweede wet van Gossen werd aangetoond door A. Marshall
Nutsfunctie: u = u(q1,q2, … , qn)
legt relatie tussen diverse hoeveelheden v verschillende goederen en het totale nut (u)
Preferenties: de voorkeur van de consument
o Kenmerken:
Volledig: de consument kan goederenbundels vergelijken en ordenen
Transitief: een consument kan zijn voorkeur op een bepaalde manier formuleren
Niet-verzadiging: elke consument wil liever meer dan minder hebben
Indifferentiecurve: alle combinaties van goederen die mij hetzelfde nut opleveren
Kenmerken:
o Verloopt altijd dalend: indifferntiecurve
als ik meer appels wil, zal ik peren moeten afgeven
o Convex: hoe minder peren ik in mijn bezit heb,
hoe minder ik er wil afstaan voor extra appels
SubstitutieverhoudingSubstitutieverhouding: Hoe bereid is een consument
om peren op te geven voor appels als we steeds op
hetzelfde nut zitten
SV21 = - q2 vb. SVBA = - qB = - 20 = 2
q1 qA 10
o Preferentieveld: verzameling van indifferentiecurven
zo ver mogelijk van de oorsprong hoger nut
o Invectiecurven kunnen elkaar niet snijden
Marginale Substitutieverhoudingsubstitutiegraad: wat de consument bereid
is om af te staan vh ene goed tov het andere goed
= subjectieve ruilverhouding