planten
8.1. Inleiding
Iedere plantensoort kan dankzij morfologische en fysiologische eigenschappen voorkomen op een
bepaalde standplaats of habitat en bezit een welbepaalde functie in het ecosysteem. Men zegt dat
iedere soort een eigen ecologische niche bezet. De ecologische amplitude is echter verschillend van
soort tot soort
Stenoïkisch: soorten die zich kunnen ontwikkelen op een erg beperkte standplaats
Euryoïkisch: soorten die een bredere amplitude vertonen
8.2. Waterplanten (Hydrofyten)
Water is absoluut noodzakelijk voor alle levensprocessen:
- Water is een belangrijk solvens: de biochemische reacties kunnen slechts verlopen in een
gehydrateerd protoplasma
- Water is een reagens in talrijke biochemische reacties bv. hydrolyse
- Het transport van stoffen vanuit de bodem naar de cellen, of het transport van cel tot cel, kan
slechts gebeuren met opgeloste stoffen. Bij cytoplasmastromingen en in de
transpiratiestroom worden stoffen meegevoerd met het water
- Water veroorzaakt een turgor in de plantencellen zodat bladeren opengespreid zijn,
turgorveranderingen kunnen bewegingen veroorzaken van huidmondjes en in de
bladgewrichten bij vele plantensoorten
- Water kan bescherming bieden tegen het opwarmen
- De bevruchting gebeurt in water met uitzondering van zaadplanten en meeste schimmels
Bij hydrofyten onderscheidt men:
- Drijvende waterplanten (eendekroos)
- Zwevende waterplanten (fytoplankton)
- Ondergedoken, vastgehechte waterplanten (waterpest)
- Vastgehechte waterplanten met drijvende bladeren (waterlelie)
- “amfibieën” met delen onder en boven water (rijst)
- Moerasplanten
- Rheofyten = planten die voorkomen in snelstromend water
Aanpassingen
In waterig milieu is er ongeveer evenveel CO2 aanwezig als in lucht, maar veel minder O2 →
gemakkelijk zuurstoftekort
Zeer sterke ontwikkeling van parenchym met grote intercellulaire kanalen die tot 60% van
het volume kunnen innemen → doorheen dit aërenchym kan O2 vanuit de atmosfeer vlug
diffunderen tot in de wortels die zich meestal in anaëroob milieu bevinden. Zuurstof kan
doorheen de wortelweefsels naar buiten diffunderen en een neerslag van ijzeroxide rondom
, de wortels veroorzaken (zodat Fe-intoxicatie wordt vermeden). Dankzij het aërenchym
kunnen de bladeren van sommige planten bovendrijven.
Doordat de diffusie van gassen in opgeloste toestand veel trager is dan in gasfase, hebben
vele ondergedoken bladeren een relatief groot contactoppervlak zodat CO2 toch in
voldoende mate kan worden opgenomen.
Ondergedompelde bladeren bevatten chloroplasten (cuticula en stomata ontbreken meestal).
Drijvende bladeren bezitten slechts huidmondjes aan de bovenzijde, deze bladeren zijn ook
wasachtig of met haartjes bezet zodat het water in druppels van het oppervlak afloopt.
Steunweefsels en xyleemelementen zijn zwak ontwikkeld → toch nog een zwakke stroming
van water doorheen het xyleem → dit wordt door de bladeren naar buiten afgescheiden
(guttatie).
De vaatbundels zijn meer centraal gelegen, waardoor de stengels soepel blijven maar toch
een grote trekkracht kunnen weerstaan → de goed ontwikkelde endodermis heeft hier een
belangrijke functie, namelijk de met water gevulde centrale cilinder afscheiden van de
schorscilinder waar grote intercellulaire holten met lucht gevuld zijn.
Vorming van overwinteringsknoppen of turionen → = sterk verkorte stengels die met
gereduceerde bladeren of steunblaadjes omhuld zijn.
Bij planten die in staat zijn een overstroming te overleven, stelt men vast dat de wortels
afsterven en dat er nieuwe adventiefwortels worden aangelegd met veel aërenchym
Vorming luchtwortels en/of steltwortels → omdat het Amazonewoud periodisch onder
water staat en er bovendien slechts een zeer dunne humuslaag is waarin de planten kunnen
wortelen, vormen de bomen luchtwortels die tegen de stammen opklimmen om boven het
water uit te komen → deze luchtwortels nemen voedingsstoffen op die langs de stam
afdruipen → meestal fungeren ze ook als ademwortels of pneumatoforen.
Kniewortels van mangrovebomen steken als een knie boven het water en hebben tal van
lenticellen waardoor de gasuitwisselingen kunnen plaatsgrijpen. Ander mangrovebomen
hebben steltwortels waarmee ze zich boven de waterlijn kunnen verheffen om aan de
getijden te kunnen weerstaan
Merk op dat luchtwortels ook vaak bij epifyten voorkomen waar ze dienen als
vasthechtingsorgaan en voor de voedselopnamen. Sommige epifytische soorten vormen zeer
stevige luchtwortels waarmee ze hun gastheer wurgen (= banyan-groeiwijze)
8.3. Xerofyten
= planten die in staat zijn te overleven in een droge omgeving dankzij één of meerdere aanpassingen:
Zeer diep en/of zeer uitgebreid wortelstelsel → planten die voorkomen in droge milieus en
die dankzij hun diepe wortels in contact staan met het grondwater noemt men freatofyten.
De transpiratie wordt sterk afgeremd door:
o Dikke cuticula
o Sterke beharing
o Meerlagige epidermis
o Diep gelegen huidmondjes
o Bladeren die enkel huidmondjes aan de bovenzijde bezitten en dichtgeplooid of
opgerold zijn, bij sommige soorten zijn de bladeren verticaal georiënteerd.