HF1 DE KEUZE VAN DE MEEST GEPASTE ANALYSETECHNIEK
Bivariaat: analyses met 2 variabelen
Multivariaat: analyses met meer dan 2 variabelen
Onderzoeksproblemen met respectievelijk 2 of meer variabelen waartussen we het verband willen
kennen.
Voorbeeld: hangt het percentage werknemers dat een training volgt samen met de grootte van
het bedrijf én met het bedrijfsklimaat?
Ontwerpprobleem/voorspellingsprobleem: onderzoek is geïnteresseerd in hoe 1 of ander fenomeen
kan veranderd worden
Voorbeeld: hoe kunnen we ervoor zorgen dat leerlingen betere wiskundeprestaties behalen in
die scholen waar slecht gepresteerd wordt?
1.1 IDENTIFICEREN VAN VARIABELEN EN HUN MEETNIVEAU
Kiezen van een juiste analysetechniek:
Stap 1: variabelen zoeken & meetniveau bepalen
Variabelen benoemen:
Schaalscores: kwantitatieve variabelen
,Variabelen tekenen:
Oefeningen:
Pagina 26
PowerPoint 1, slide 12
1.2 VERBANDEN TUSSEN VARIABELEN
Kiezen van een juiste analysetechniek:
Stap 1: variabelen zoeken & meetniveau bepalen
Stap 2: zoeken naar een verband/relatie tussen variabelen
Hangen 2 variabelen samen?
In welke mate beïnvloedt de ene variabele de andere variabele?
= causale verbanden & niet-causale verbanden
Niet-causaal verband: onderzoeker is geïnteresseerd in de mate waarin de ene
variabele samenhangt met de andere (associaties zonder causaliteit)
Dubbele pijl
Maakt niet uit welke variabele links of rechts staat
Herkennen in onderzoeksvraag:
Samenhang, geassocieerd met,…
Voorbeelden:
Hangt het gewicht van mensen samen met hun lengte?
In hoeverre hebben studenten die de leerstof op een diepere wijze verwerken een
hogere slaagkans in het hoger onderwijs?
Causaal verband: spreken in termen van oorzaak (onafhankelijke variabele) en gevolg (afhankelijke
variabele)
Rechte éénrichtingspijl
Herkennen in onderzoeksvraag:
Effect, impact, voorspellen, verklaren,…
Voorbeeld:
Heeft het aantal uren dat een leerling studeert voor een toets een invloed op de
scores voor die toets?
, Aantal uur studeren (X, oorzaak, voorspeller) & toetsscore (Y, gevolg)
Complexere verbanden:
Controle variabelen: effect van 1 variabele op een afhankelijke
variabele, maar andere variabelen zijn ook belangrijk
Voorbeeld:
Heeft het aantal uren dat een leerling studeert voor
een toets een invloed op de scores voor die toets,
ongeacht het IQ van de leerling?
Herkennen in onderzoeksvraag:
Wat is het effect van X op Y,
ongeacht Z;
rekening houdend met Z;
controlerend voor Z?
Interactie tussen variabelen: effect van 2 variabelen tezamen (X & Z) op de afhankelijke
variabele (Y)
Voorbeeld:
Is het verband tussen het aantal uren studie en de
toetsscore afhankelijk van het IQ van een leerling?
Herkennen in onderzoeksvraag:
Is het effect van X op Y…
afhankelijk van Z;
hetzelfde/identiek voor … als voor …;
verschillend voor…als voor…?
2 gewone pijlen blijven aanwezig, we nemen de 2 hoofdeffecten ook mee in de
analyse, anders kan het zijn dat je het interactie-effect fout inschat (bv.: te groot)
Onrechtstreekse (of indirecte) verbanden
Voorbeeld:
Heeft klasgrootte een effect op leerling prestaties via zijn invloed op
taakgerichte interacties? Of, heeft klasgrootte een effect op taakgerichte
interactie en aldus op leerling prestaties?
Tussenliggende/intermediaire variabele: variabele die tussen de onafhankelijke
variabele en de afhankelijke variabele ligt
Zowel gevolg (er komt een pijl aan) & oorzaak (er vertrekt een pijl)
‘Taakgerichte interacties’
Oefeningen:
PowerPoint 1, slide 15
Pagina 28, 29, 31, 32 en 33
1.3 WELKE ANALYSETECHNIEKEN BIJ WELKE VISUALISATIE?
Kiezen van een juiste analysetechniek:
Stap 1: variabelen zoeken & meetniveau bepalen
Stap 2: zoeken naar een verband/relatie tussen variabelen & onderzoekvraag tekenen
Stap 3: gebruik flowchart om te bepalen welke techniek het meest gepast is
, Flowchart:
Geen causaal
Onderzoek heeft als doel een samenhang tussen variabelen na te gaan zonder uitspraak te
doen over causaliteit