Samenvatting boek farmacologie
6.2 De pathologie van ontsteking en pijn
- Ontsteking:
Roodheid: rubor
Warmte: calor
Zwelling: tumor
Pijn: dolor
Verstoring van de functie: functio laesa
- Onstekingsreactie:
Vaatverwijding van kleine bloedvaatjes in het beschadigde deel
Toename van de vasculaire permeabiliteit: plasma lekt naar beschadigde deel
Migratie neutrofielen naar beschadigde deel
6.2.1 mestcellen
- Histamine en mediatoren: trekken neutrofielen aan
- Eicosanoïden: prostaglandinen, tromboxanen en leukotriënten
Veel geneesmiddelen blokkeren hun aanmaak of remmen hun werking
6.2.2 Prostaglandinen
- PGE2: belangrijk bij ontsteking, versterkt de werking van histamine en bradykinine
Is verhoogd in hypothalamus bij infecties (koorts)
- COX-2: belangrijkste enzym in synthese van PGE2; meeste anti-inflammatoire
geneesmiddelen blokkeren dit
- COX-1: enzym in veel weefsels, zet AA om in PG en TX, betrokken bij homeostase:
ionentransport, maagzuurrelatie, werking van de synaps, bloedstolling, …
6.3.1 NSAID’s
- Werking: “alle NSAID’s hebben een gelijksoortige werking. Ze verminderen ontsteking,
zwelling en pijn door remming van de prostaglandineproductie, in het bijzonder PGE2. Het
voornaamste doelwit van NSAID’s is het cyclo-oxygenase 2 (COX-2), dat geproduceerd wordt
tijdens een ontstekingsreactie en bijdraagt aan overvloedige hoeveelheden PGE2 in het
ontstoken gebied. Deze prostaglandine draagt bij aan de toename van de vasculaire
permeabiliteit, waardoor plasma uit bloed kan weglekken naar het ontstekingsgebied. De
zwelling die daarna het gevolg is, verhoogt de druk op nociceptieve neuronen, prikkelt deze
en veroorzaakt zo de bekende ontstekingspijn. PGE2 maakt nociceptoren ook gevoel voor de
pijn veroorzakende mediator bradykinine, waardoor meer pijn wordt gevoeld. Het zal
duidelijk zijn dat het om deze redenen wenselijk is om de werking van COX-2 te blokkeren en
zo de aanmaak van PGE2 te verminderen ter verlichting van ontstekingspijn.”
- Bijwerkingen:
Zeer gevoelig bij maag-darmstelsel
, 6.3.3 paracetamol
- Een niet-ontstekingsremmend, niet-steroïde geneesmiddel met voornamelijk een
antipyrische en analgetische werking.
- Bijwerking:
Leverschade: “Hoewel het kortdurend gebruik van paracetamol in therapeutische
doseringen relatief weinig bijwerkingen geeft, kan er helaas soms al leverschade
optreden bij gebruik van slechts 3-3 keer de therapeutische dosering.”
6.3.6 Opioïden
- Werking: “het lichaam heeft een eigen pijnstillingssysteem dat verlammende pijn demt direct
na ontstaan van wonde. Daarbij worden opioïdachtige peptiden uitgescheiden die de
voortgeleiding van zenuwimpulsen tussen afferente nociceptieve neuronen blokkeren en
zodoende de pijn verminderen. Efferente neuronen lopen vanuit de hersenen via het
ruggenmerg omlaag en vormen in de dorsale hoorn een synaps met de afferente
nociceptieve neuronen. Hier maken ze opioïdachtige peptiden vrij, zoals bèta-endorfine,
dynorfine en enkefalinen, die de prikkeloverdracht tussen de afferente neuronen blokkeren
en zodoende de pijnsensatie verminderen”
- “de opioïdachtige peptiden remmen de synaptische overdracht door te binden aan
opioïdreceptoren op het presynaptische en het postsynaptische membraan van de synaps.
Op het presynaptische membraan remmen ze het opengaan van calciumkanalen en daarmee
de afgifte van de neurotransmitter die de impulsoverdracht naar het ontvangen neuron
mogelijk maakt. Op het postsynaptische membraan binden de opioïdpeptiden aan
opioïdreceptoren. Op die manier maken ze het membraan gevoelig voor stimulatie door
neurotransmitters. Doordat morfine en andere opioïd geneesmiddelen een soortgelijke
moleculaire structuur hebben als de opioïdachtige peptiden, binden ze aan dezelfde
opioïdreceptoren en geven ze hetzelfde effect: remming van de pijnoverdracht in de synaps.”
6.2 De pathologie van ontsteking en pijn
- Ontsteking:
Roodheid: rubor
Warmte: calor
Zwelling: tumor
Pijn: dolor
Verstoring van de functie: functio laesa
- Onstekingsreactie:
Vaatverwijding van kleine bloedvaatjes in het beschadigde deel
Toename van de vasculaire permeabiliteit: plasma lekt naar beschadigde deel
Migratie neutrofielen naar beschadigde deel
6.2.1 mestcellen
- Histamine en mediatoren: trekken neutrofielen aan
- Eicosanoïden: prostaglandinen, tromboxanen en leukotriënten
Veel geneesmiddelen blokkeren hun aanmaak of remmen hun werking
6.2.2 Prostaglandinen
- PGE2: belangrijk bij ontsteking, versterkt de werking van histamine en bradykinine
Is verhoogd in hypothalamus bij infecties (koorts)
- COX-2: belangrijkste enzym in synthese van PGE2; meeste anti-inflammatoire
geneesmiddelen blokkeren dit
- COX-1: enzym in veel weefsels, zet AA om in PG en TX, betrokken bij homeostase:
ionentransport, maagzuurrelatie, werking van de synaps, bloedstolling, …
6.3.1 NSAID’s
- Werking: “alle NSAID’s hebben een gelijksoortige werking. Ze verminderen ontsteking,
zwelling en pijn door remming van de prostaglandineproductie, in het bijzonder PGE2. Het
voornaamste doelwit van NSAID’s is het cyclo-oxygenase 2 (COX-2), dat geproduceerd wordt
tijdens een ontstekingsreactie en bijdraagt aan overvloedige hoeveelheden PGE2 in het
ontstoken gebied. Deze prostaglandine draagt bij aan de toename van de vasculaire
permeabiliteit, waardoor plasma uit bloed kan weglekken naar het ontstekingsgebied. De
zwelling die daarna het gevolg is, verhoogt de druk op nociceptieve neuronen, prikkelt deze
en veroorzaakt zo de bekende ontstekingspijn. PGE2 maakt nociceptoren ook gevoel voor de
pijn veroorzakende mediator bradykinine, waardoor meer pijn wordt gevoeld. Het zal
duidelijk zijn dat het om deze redenen wenselijk is om de werking van COX-2 te blokkeren en
zo de aanmaak van PGE2 te verminderen ter verlichting van ontstekingspijn.”
- Bijwerkingen:
Zeer gevoelig bij maag-darmstelsel
, 6.3.3 paracetamol
- Een niet-ontstekingsremmend, niet-steroïde geneesmiddel met voornamelijk een
antipyrische en analgetische werking.
- Bijwerking:
Leverschade: “Hoewel het kortdurend gebruik van paracetamol in therapeutische
doseringen relatief weinig bijwerkingen geeft, kan er helaas soms al leverschade
optreden bij gebruik van slechts 3-3 keer de therapeutische dosering.”
6.3.6 Opioïden
- Werking: “het lichaam heeft een eigen pijnstillingssysteem dat verlammende pijn demt direct
na ontstaan van wonde. Daarbij worden opioïdachtige peptiden uitgescheiden die de
voortgeleiding van zenuwimpulsen tussen afferente nociceptieve neuronen blokkeren en
zodoende de pijn verminderen. Efferente neuronen lopen vanuit de hersenen via het
ruggenmerg omlaag en vormen in de dorsale hoorn een synaps met de afferente
nociceptieve neuronen. Hier maken ze opioïdachtige peptiden vrij, zoals bèta-endorfine,
dynorfine en enkefalinen, die de prikkeloverdracht tussen de afferente neuronen blokkeren
en zodoende de pijnsensatie verminderen”
- “de opioïdachtige peptiden remmen de synaptische overdracht door te binden aan
opioïdreceptoren op het presynaptische en het postsynaptische membraan van de synaps.
Op het presynaptische membraan remmen ze het opengaan van calciumkanalen en daarmee
de afgifte van de neurotransmitter die de impulsoverdracht naar het ontvangen neuron
mogelijk maakt. Op het postsynaptische membraan binden de opioïdpeptiden aan
opioïdreceptoren. Op die manier maken ze het membraan gevoelig voor stimulatie door
neurotransmitters. Doordat morfine en andere opioïd geneesmiddelen een soortgelijke
moleculaire structuur hebben als de opioïdachtige peptiden, binden ze aan dezelfde
opioïdreceptoren en geven ze hetzelfde effect: remming van de pijnoverdracht in de synaps.”