Vragen aan einde van lessen
Les 1:
1. Wat is het verschil tussen communautaire en intergouvernementele
samenwerking?
Communautaire samenwerking = samenwerking waarbij besluiten op
supranationaal niveau worden genomen. Staten dragen een deel van hun
soevereiniteit over aan gezamenlijke instellingen
=> In context van Eu-recht -> binnen het kader van de instellingen van de EU.
Lidstaten dragen hierbij bevoegdheden over aan EU-instellingen (zoals de
Europese Commissie, het Europees Parlement), die rechtstreeks bindende regels
kunnen vaststellen voor alle lidstaten.
Intergouvernementele samenwerking = lidstaten werken samen op basis van
unanimiteit en behoud volledige nationale soevereiniteit
=> Besluiten worden unaniem genomen, zonder unanimiteit komt men niet tot
een overeenkomst.
=> supranationale instellingen kunnen geen dwingende bevoegdheden
uitoefenen
Kenmerk Communautair Intergouvernementeel
Gedeeld met gezamenlijke
Soevereiniteit Volledig bij lidstaten
instellingen
Meestal gekwalificeerde
Besluitvorming Meestal unanimiteit
meerderheid
Rol EU-
Sterk en bindend Beperkt en coördinerend
instellingen
Buitenlands beleid,
Voorbeelden Interne markt, milieu, landbouw
defensie
2. Wat is het verschil tussen een traité loi en een traité cadre?
Traité-loi = verdrag dat gedetailleerde en concrete bepalingen bevat, die meteen
toepasbaar zijn op de betrokken partijen
Regelt op directe wijze specifieke rechten en verplichtingen zonder dat er
nog aanvullende wetgeving of andere uitwerking nodig is
In praktijk is het een soort internationale ‘wet’ die meteen juridisch
bindende werking heeft
Binnen EU-recht bv. Bilaterale of multilaterale handelsverdragen of
verdragen over grensoverschrijdende verkeer
Traité-cadre = verdrag dat algemene beginselen en doelstellingen formuleert
maar nog niet in detail bepaalt hoe deze precies bereikt moeten worden
Verdrag dient als raamwerk/uitgangspunt voor verdere samenwerking
Inhoud wordt later uitgewerkt in aanvullende verdragen, regelgeving of
besluiten
, Binnen EU-recht bv. verdrag van Maastricht gaf grote lijnen aan Europese
integratie, maar liet veel ruimte voor latere concrete beleidsmaatregelen
Kenmerk Traité-loi (wetverdrag) Traité-cadre (kaderverdrag)
Gedetailleerd, direct
Inhoud Algemeen, principegericht
toepasbaar
Uitwerking
Nee Ja
nodig?
Juridische Bindend en onmiddellijk Richtinggevend, vereist
werking toepasbaar implementatie
Regelen van een specifiek Kader scheppen voor toekomstige
Doel
onderwerp regels
3. Wat is spill-over?
Spill-over is een concept dat verwijst naar het verschijnsel dat integratie op één
beleidsterrein automatisch leidt tot verdere integratie op andere terreinen.
Wanneer landen besluiten om op een bepaald domein samen te werken –
bijvoorbeeld economische samenwerking binnen de interne markt – blijkt snel dat
deze samenwerking niet effectief kan functioneren zonder aanvullende
samenwerking op aanverwante gebieden. Hierdoor ontstaat er een "overloop" of
spil-effect naar andere beleidsdomeinen.
Functionele spill-over
Politieke spill-over
Institutionele spill-over
Voorbeeld uit praktijk:
Bij het ontstaan van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in
1951 dacht men vooral aan samenwerking in de zware industrie. Maar al snel
bleek dat economische integratie op grotere schaal nodig was, wat leidde tot de
oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in 1957. Dit is een
klassiek voorbeeld van functionele spill-over.
4. Wat was de pijlerstructuur?
De pijlerstructuur was een institutioneel systeem van de Europese Unie dat werd
ingevoerd met het Verdrag van Maastricht (1992) en tot 2009 heeft bestaan. Het
doel was om verschillende vormen van samenwerking binnen de EU te
structureren, met onderscheid tussen supranationale en intergouvernementele
samenwerking.
- Eerste pijler: Europese Gemeenschappen
o Dit was de supranationale kern van de EU.
o Hier vielen o.a. de interne markt, landbouwbeleid, milieu, handel en
economische en monetaire unie (EMU) onder.
, o Besluitvorming gebeurde grotendeels via de EU-instellingen (Europese
Commissie, Europees Parlement, Hof van Justitie), vaak met
meerderheidsstemming.
- Tweede pijler: Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB)
o Dit was een intergouvernementeel terrein.
o Lidstaten behielden hun soevereiniteit en beslissingen werden
unaniem genomen.
o De rol van EU-instellingen was beperkt; vooral de Europese Raad en
Raad van Ministers hadden hier invloed.
- Derde pijler: Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)
o Ook grotendeels intergouvernementeel.
o Betrof samenwerking op het gebied van politie, justitie, asiel, migratie
en grensbewaking.
o Later deels overgeheveld naar het supranationale kader (bijv. via het
Verdrag van Amsterdam).
DOEL: De pijlerstructuur was bedoeld als compromis tussen landen die méér
Europese integratie wilden (zoals Frankrijk en Duitsland) en landen die
terughoudend waren (zoals het VK). Zo konden ze samenwerken op gevoelige
terreinen zoals buitenlands beleid, zonder te veel nationale bevoegdheden op te
geven.
Met het Verdrag van Lissabon (2009) werd de pijlerstructuur afgeschaft. De EU
kreeg één rechtsorde en eenheid van structuur. Het onderscheid tussen de
pijlers verdween, en vrijwel alle beleidsterreinen vielen sindsdien onder het
gemeenschappelijke institutionele kader van de EU.
5. Wanneer werd het besluit genomen om de euro in te voeren?
Het besluit om de euro in te voeren werd formeel genomen tijdens de Top van
Madrid op 15 en 16 december 1995.
Tijdens deze Europese Raad werd:
- de naam "euro" officieel vastgesteld als de toekomstige gemeenschappelijke
munt
- het tijdpad naar invoering bevestigd, gebaseerd op het Verdrag van
Maastricht (1992), dat al de basis legde voor de Economische en Monetaire
Unie (EMU).
Belangrijke momenten in het besluitvormingsproces
- 1992 – Verdrag van Maastricht:
o De euro voor het eerst juridisch vastgelegd als doel van de Europese
integratie.
o Het stelde de criteria vast (de zogeheten convergentiecriteria) waaraan
landen moesten voldoen om deel te nemen.
- 1995 – Europese Raad van Madrid:
o De naam "euro" werd gekozen.
o De invoeringsdatum werd vastgelegd: de munt zou op 1 januari 1999
starten als boekhoudmunt.
- 1998 – Bekendmaking deelnemende landen:
, o In mei 1998 werd besloten welke lidstaten voldeden aan de criteria en
vanaf 1999 zouden deelnemen.
- 1999 – Lancering euro als girale munt:
o Op 1 januari 1999 werd de euro ingevoerd voor elektronische
betalingen, beurzen en banken.
- 2002 – Contante invoering eurobiljetten en -munten:
o Vanaf 1 januari 2002 werd de euro ook als fysieke munt in omloop
gebracht in 12 lidstaten.
6. Wat is het verschil tussen een vrijhandelszone en een douane-unie?
Vrijhandelszone = groep landen die onderling geen invoerrechten of
handelsbeperkingen toepassen op goederen en diensten die ze aan elkaar
leveren.
Maar: Elk land behoudt zijn eigen handelsbeleid tegenover niet-leden. Dat
betekent dat ze eigen invoerrechten en regels mogen hanteren voor
goederen uit derde landen.
Bv. EVA (met VK)
Douane-unie = gaat een stap verder, landen schaffen onderlinge invoerrechten af
én spreken een gemeenschappelijk buitentarief af voor invoer uit derde landen
Alle lidstaten dezelfde douaneregels en tarieven toepassen voor de rest
van de wereld
Bv. EU
Conclusie:
Een vrijhandelszone is een overeenkomst tussen landen om onderlinge
handelsbelemmeringen af te schaffen, maar waarbij elk land zijn eigen
handelsbeleid ten opzichte van niet-leden behoudt. In een douane-unie is er ook
een gezamenlijk handelsbeleid tegenover de rest van de wereld, met uniforme
invoertarieven.
7. Waar vind je de procedure en materiële voorwaarden om lid te
worden van de EU?
Art. 49 VEU
8. Waar vind je procedure om de EU te verlaten? Hoe verlaat je de EU?
Art. 50 VEU (zie slides les 1 einde pp)
EU verlaten:
- Kennisgeving van voornemen tot uittreding
o Een lidstaat brengt formeel aan de Europese Raad (de staatshoofden
en regeringsleiders van de EU) kennis van zijn voornemen om de EU te
verlaten.
- Onderhandeling over een uittredingsakkoord
o De EU en de lidstaat onderhandelen over een akkoord waarin de
voorwaarden van uittreding worden vastgelegd, inclusief de
toekomstige relatie.
Les 1:
1. Wat is het verschil tussen communautaire en intergouvernementele
samenwerking?
Communautaire samenwerking = samenwerking waarbij besluiten op
supranationaal niveau worden genomen. Staten dragen een deel van hun
soevereiniteit over aan gezamenlijke instellingen
=> In context van Eu-recht -> binnen het kader van de instellingen van de EU.
Lidstaten dragen hierbij bevoegdheden over aan EU-instellingen (zoals de
Europese Commissie, het Europees Parlement), die rechtstreeks bindende regels
kunnen vaststellen voor alle lidstaten.
Intergouvernementele samenwerking = lidstaten werken samen op basis van
unanimiteit en behoud volledige nationale soevereiniteit
=> Besluiten worden unaniem genomen, zonder unanimiteit komt men niet tot
een overeenkomst.
=> supranationale instellingen kunnen geen dwingende bevoegdheden
uitoefenen
Kenmerk Communautair Intergouvernementeel
Gedeeld met gezamenlijke
Soevereiniteit Volledig bij lidstaten
instellingen
Meestal gekwalificeerde
Besluitvorming Meestal unanimiteit
meerderheid
Rol EU-
Sterk en bindend Beperkt en coördinerend
instellingen
Buitenlands beleid,
Voorbeelden Interne markt, milieu, landbouw
defensie
2. Wat is het verschil tussen een traité loi en een traité cadre?
Traité-loi = verdrag dat gedetailleerde en concrete bepalingen bevat, die meteen
toepasbaar zijn op de betrokken partijen
Regelt op directe wijze specifieke rechten en verplichtingen zonder dat er
nog aanvullende wetgeving of andere uitwerking nodig is
In praktijk is het een soort internationale ‘wet’ die meteen juridisch
bindende werking heeft
Binnen EU-recht bv. Bilaterale of multilaterale handelsverdragen of
verdragen over grensoverschrijdende verkeer
Traité-cadre = verdrag dat algemene beginselen en doelstellingen formuleert
maar nog niet in detail bepaalt hoe deze precies bereikt moeten worden
Verdrag dient als raamwerk/uitgangspunt voor verdere samenwerking
Inhoud wordt later uitgewerkt in aanvullende verdragen, regelgeving of
besluiten
, Binnen EU-recht bv. verdrag van Maastricht gaf grote lijnen aan Europese
integratie, maar liet veel ruimte voor latere concrete beleidsmaatregelen
Kenmerk Traité-loi (wetverdrag) Traité-cadre (kaderverdrag)
Gedetailleerd, direct
Inhoud Algemeen, principegericht
toepasbaar
Uitwerking
Nee Ja
nodig?
Juridische Bindend en onmiddellijk Richtinggevend, vereist
werking toepasbaar implementatie
Regelen van een specifiek Kader scheppen voor toekomstige
Doel
onderwerp regels
3. Wat is spill-over?
Spill-over is een concept dat verwijst naar het verschijnsel dat integratie op één
beleidsterrein automatisch leidt tot verdere integratie op andere terreinen.
Wanneer landen besluiten om op een bepaald domein samen te werken –
bijvoorbeeld economische samenwerking binnen de interne markt – blijkt snel dat
deze samenwerking niet effectief kan functioneren zonder aanvullende
samenwerking op aanverwante gebieden. Hierdoor ontstaat er een "overloop" of
spil-effect naar andere beleidsdomeinen.
Functionele spill-over
Politieke spill-over
Institutionele spill-over
Voorbeeld uit praktijk:
Bij het ontstaan van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in
1951 dacht men vooral aan samenwerking in de zware industrie. Maar al snel
bleek dat economische integratie op grotere schaal nodig was, wat leidde tot de
oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in 1957. Dit is een
klassiek voorbeeld van functionele spill-over.
4. Wat was de pijlerstructuur?
De pijlerstructuur was een institutioneel systeem van de Europese Unie dat werd
ingevoerd met het Verdrag van Maastricht (1992) en tot 2009 heeft bestaan. Het
doel was om verschillende vormen van samenwerking binnen de EU te
structureren, met onderscheid tussen supranationale en intergouvernementele
samenwerking.
- Eerste pijler: Europese Gemeenschappen
o Dit was de supranationale kern van de EU.
o Hier vielen o.a. de interne markt, landbouwbeleid, milieu, handel en
economische en monetaire unie (EMU) onder.
, o Besluitvorming gebeurde grotendeels via de EU-instellingen (Europese
Commissie, Europees Parlement, Hof van Justitie), vaak met
meerderheidsstemming.
- Tweede pijler: Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB)
o Dit was een intergouvernementeel terrein.
o Lidstaten behielden hun soevereiniteit en beslissingen werden
unaniem genomen.
o De rol van EU-instellingen was beperkt; vooral de Europese Raad en
Raad van Ministers hadden hier invloed.
- Derde pijler: Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)
o Ook grotendeels intergouvernementeel.
o Betrof samenwerking op het gebied van politie, justitie, asiel, migratie
en grensbewaking.
o Later deels overgeheveld naar het supranationale kader (bijv. via het
Verdrag van Amsterdam).
DOEL: De pijlerstructuur was bedoeld als compromis tussen landen die méér
Europese integratie wilden (zoals Frankrijk en Duitsland) en landen die
terughoudend waren (zoals het VK). Zo konden ze samenwerken op gevoelige
terreinen zoals buitenlands beleid, zonder te veel nationale bevoegdheden op te
geven.
Met het Verdrag van Lissabon (2009) werd de pijlerstructuur afgeschaft. De EU
kreeg één rechtsorde en eenheid van structuur. Het onderscheid tussen de
pijlers verdween, en vrijwel alle beleidsterreinen vielen sindsdien onder het
gemeenschappelijke institutionele kader van de EU.
5. Wanneer werd het besluit genomen om de euro in te voeren?
Het besluit om de euro in te voeren werd formeel genomen tijdens de Top van
Madrid op 15 en 16 december 1995.
Tijdens deze Europese Raad werd:
- de naam "euro" officieel vastgesteld als de toekomstige gemeenschappelijke
munt
- het tijdpad naar invoering bevestigd, gebaseerd op het Verdrag van
Maastricht (1992), dat al de basis legde voor de Economische en Monetaire
Unie (EMU).
Belangrijke momenten in het besluitvormingsproces
- 1992 – Verdrag van Maastricht:
o De euro voor het eerst juridisch vastgelegd als doel van de Europese
integratie.
o Het stelde de criteria vast (de zogeheten convergentiecriteria) waaraan
landen moesten voldoen om deel te nemen.
- 1995 – Europese Raad van Madrid:
o De naam "euro" werd gekozen.
o De invoeringsdatum werd vastgelegd: de munt zou op 1 januari 1999
starten als boekhoudmunt.
- 1998 – Bekendmaking deelnemende landen:
, o In mei 1998 werd besloten welke lidstaten voldeden aan de criteria en
vanaf 1999 zouden deelnemen.
- 1999 – Lancering euro als girale munt:
o Op 1 januari 1999 werd de euro ingevoerd voor elektronische
betalingen, beurzen en banken.
- 2002 – Contante invoering eurobiljetten en -munten:
o Vanaf 1 januari 2002 werd de euro ook als fysieke munt in omloop
gebracht in 12 lidstaten.
6. Wat is het verschil tussen een vrijhandelszone en een douane-unie?
Vrijhandelszone = groep landen die onderling geen invoerrechten of
handelsbeperkingen toepassen op goederen en diensten die ze aan elkaar
leveren.
Maar: Elk land behoudt zijn eigen handelsbeleid tegenover niet-leden. Dat
betekent dat ze eigen invoerrechten en regels mogen hanteren voor
goederen uit derde landen.
Bv. EVA (met VK)
Douane-unie = gaat een stap verder, landen schaffen onderlinge invoerrechten af
én spreken een gemeenschappelijk buitentarief af voor invoer uit derde landen
Alle lidstaten dezelfde douaneregels en tarieven toepassen voor de rest
van de wereld
Bv. EU
Conclusie:
Een vrijhandelszone is een overeenkomst tussen landen om onderlinge
handelsbelemmeringen af te schaffen, maar waarbij elk land zijn eigen
handelsbeleid ten opzichte van niet-leden behoudt. In een douane-unie is er ook
een gezamenlijk handelsbeleid tegenover de rest van de wereld, met uniforme
invoertarieven.
7. Waar vind je de procedure en materiële voorwaarden om lid te
worden van de EU?
Art. 49 VEU
8. Waar vind je procedure om de EU te verlaten? Hoe verlaat je de EU?
Art. 50 VEU (zie slides les 1 einde pp)
EU verlaten:
- Kennisgeving van voornemen tot uittreding
o Een lidstaat brengt formeel aan de Europese Raad (de staatshoofden
en regeringsleiders van de EU) kennis van zijn voornemen om de EU te
verlaten.
- Onderhandeling over een uittredingsakkoord
o De EU en de lidstaat onderhandelen over een akkoord waarin de
voorwaarden van uittreding worden vastgelegd, inclusief de
toekomstige relatie.