Internationaal Privaatrecht: Opgaven WPO 3
Los de volgende vragen op: maak gebruik van de correcte methode, vermeld telkens de
toepasselijke instrumenten en antwoord concreet op de vraag.
Casus 1:
Een Luxemburgs bedrijf, producent van suikergoed, heeft zich tot doel gesteld zijn
concurrenten uit de markt te werken. In Luxemburg is dat al aardig gelukt.
Het bedrijf richt nu zijn pijlen op een kleine concurrent in België nl. een Limburgs
familiebedrijf gespecialiseerd in de artisanale productie van kruidenbonbons.
Het Luxemburgs bedrijf verpakt zijn eigen kruidenbonbons, die het in België verkoopt, in
nieuw ontworpen doosjes, die niet alleen dezelfde piramidale vorm hebben als die van de
Belgische onderneming, maar die ook een aanverwante beige kleur hebben en die voorzien
zijn van opschriften in een lettertype dat goed gelijkt op dat dat door de Belgische
onderneming op haar verpakking gebruikt wordt. De zaakvoerder van het Belgisch bedrijf
beschouwt de inbreuk op zijn nationaal merk als oneerlijke mededinging en dagvaardt de
Luxemburgse concurrent voor de Belgische stakingsrechter.
a. Is de eiser bij de Belgische rechter aan het juiste adres?
1. Soort conflict? Bevoegdheidsconflict
2. Verwijzingscategorie/ rechtsvraag? Schade door oneerlijke mededinging n.a.v. inbreuk
op nationaal merk, dus meer specifiek: niet-contractuele verbintenis of onrechtmatige
daad
3. Instrument? Brussel I bis Vo
4. Relevante wetsbepaling? Bevoegdheidsladder Brussel I bis Vo (dit is speciaal aan Brussel
I bis: zodra je één trede op de ladder bereikt die van toepassing is, kan je daar stoppen en
ga je dus niet verder)
a) Exclusieve bevoegdheidsgronden (art. 24): er zijn 4 gevallen, die zijn allemaal nvt.
Op het examen is het belangrijk dat je die ladder opneemt, ookal is het niet van
toepassing.
b) Stilzwijgende aanvaarding/ vrijwillige verschijning (art. 26): dan moet je nagaan
of er een vrijwillige verschijning/ stilzwijgende aanvaarding is: nvt (niet af te leiden
uit opgave, dus dan mag je ervan uitgaan dat dat niet het geval is)
c) Beschermde partijen: werknemers, consumenten en verzekerde: nvt, het gaat om
twee ondernemingen
d) Forumbedingen: ook niet vermeld in opgave, nvt
e) Algemene en bijzondere bevoegdheidsgronden (die staan op gelijke hoogte, dus
we gaan die allebei na, er is geen voorrang voor eentje. Indien er een bijzondere
bevoegdheidsgrond van toepassing is, dan kan de eiser kiezen):
• Algemene: art. 4 is hier de regel: nl. de woonplaats vd verweerder, in casu
Luxemburg
• Bijzondere: volgens art. 7, lid 2 is de rechter bevoegd vd plaats waar het
schadebrengend feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen, in casu BE
f) Subsidiaire bevoegdheid is in de Brussel I bis Vo niet van toepassing
g) Noodforum is in Brussel I bis niet van toepassing
5. ANTWOORD: de BE rechter kan bevoegd zijn obv art. 7, tweede lid Brussel I bis (dus die
WPO 3 Academiejaar 2024-2025
, bijzondere bevoegdheidsgrond).
! Als er werd gevraagd waar er gedagvaard kon worden, dan had je moeten verwijzen
naar zowel de algemene als de bijzondere bevoegdheidsgrond (dan had de Limburgse
onderneming kunnen kiezen).
b. Welk recht is op het geschil van toepassing?
1. Soort conflict? Wetsconflict
2. Rechtsvraag? Schade door oneerlijke mededinging n.a.v. inbreuk op nationaal merk, dus:
niet-contractuele verbintenis of onrechtmatige daad
3. Instrument? Als we bij wetsconflicten zitten, zijn de Rome II VO belangrijk, hier is
specifiek de Rome II Verordening relevant omdat we zitten met een onrechtmatige daad
4. Relevante wetsbepaling?
Partijen mogen het toepasselijk recht kiezen (art. 14): nvt, want niks over vermeld
in de casus.
In Brussel I bis hebben we gezien dat er een forumkeuze kan zijn dat partijen
kiezen voor welke rechter ze verschijnen, hebben we ook zoiets wat het
toepasselijk recht betreft?
JA ze kunnen dus ook kiezen wat het toepasselijk recht gaat zijn. De
Rome-verordeningen geven heel veel vrijheid aan de partijen
Toepassing lex specialis: art. 6, 2: toepassing van art. 4 als de oneerlijke
concurrentie uitsluitend de belangen v een bepaalde concurrent schaadt, dus
verwijzing naar de algemene regel van art. 4
o Art. 4.1: het recht vh land waar de schade zich voordoet: BE
(we gaan hier in eerste instantie niet artikel 4 toepassing, dat de algemene
regel bevat, maar we gaan kijken naar de bijzondere bepaling in art. 6)
Wat is het verschil tussen art. 6 lid 1 en 2?
Art. 6.1: oneerlijke concurrentie valt onder de wet vh land waar de
concurrentieverhoudingen of de collectieve belangen vd consumenten
worden geschaad …
Art. 6.2 heeft specifiek betrekking op de situatie waarin een welbepaalde
concurrent wordt geviseerd
.
5. ANTWOORD: BE recht obv art. 6.2 dat verwijst naar de algemene regel van art. 4.1
Casus 2:
Een Belgische toerist koopt tijdens zijn vakantie op Ibiza (Spanje) drie schilderijen van een
plaatselijke kunstenaar. De kunstwerken moeten de nieuwe woning van eerstgenoemde
opfleuren. Er wordt overeengekomen dat de kunstschilder de werken zal verzenden naar
WPO 3 Academiejaar 2024-2025
Los de volgende vragen op: maak gebruik van de correcte methode, vermeld telkens de
toepasselijke instrumenten en antwoord concreet op de vraag.
Casus 1:
Een Luxemburgs bedrijf, producent van suikergoed, heeft zich tot doel gesteld zijn
concurrenten uit de markt te werken. In Luxemburg is dat al aardig gelukt.
Het bedrijf richt nu zijn pijlen op een kleine concurrent in België nl. een Limburgs
familiebedrijf gespecialiseerd in de artisanale productie van kruidenbonbons.
Het Luxemburgs bedrijf verpakt zijn eigen kruidenbonbons, die het in België verkoopt, in
nieuw ontworpen doosjes, die niet alleen dezelfde piramidale vorm hebben als die van de
Belgische onderneming, maar die ook een aanverwante beige kleur hebben en die voorzien
zijn van opschriften in een lettertype dat goed gelijkt op dat dat door de Belgische
onderneming op haar verpakking gebruikt wordt. De zaakvoerder van het Belgisch bedrijf
beschouwt de inbreuk op zijn nationaal merk als oneerlijke mededinging en dagvaardt de
Luxemburgse concurrent voor de Belgische stakingsrechter.
a. Is de eiser bij de Belgische rechter aan het juiste adres?
1. Soort conflict? Bevoegdheidsconflict
2. Verwijzingscategorie/ rechtsvraag? Schade door oneerlijke mededinging n.a.v. inbreuk
op nationaal merk, dus meer specifiek: niet-contractuele verbintenis of onrechtmatige
daad
3. Instrument? Brussel I bis Vo
4. Relevante wetsbepaling? Bevoegdheidsladder Brussel I bis Vo (dit is speciaal aan Brussel
I bis: zodra je één trede op de ladder bereikt die van toepassing is, kan je daar stoppen en
ga je dus niet verder)
a) Exclusieve bevoegdheidsgronden (art. 24): er zijn 4 gevallen, die zijn allemaal nvt.
Op het examen is het belangrijk dat je die ladder opneemt, ookal is het niet van
toepassing.
b) Stilzwijgende aanvaarding/ vrijwillige verschijning (art. 26): dan moet je nagaan
of er een vrijwillige verschijning/ stilzwijgende aanvaarding is: nvt (niet af te leiden
uit opgave, dus dan mag je ervan uitgaan dat dat niet het geval is)
c) Beschermde partijen: werknemers, consumenten en verzekerde: nvt, het gaat om
twee ondernemingen
d) Forumbedingen: ook niet vermeld in opgave, nvt
e) Algemene en bijzondere bevoegdheidsgronden (die staan op gelijke hoogte, dus
we gaan die allebei na, er is geen voorrang voor eentje. Indien er een bijzondere
bevoegdheidsgrond van toepassing is, dan kan de eiser kiezen):
• Algemene: art. 4 is hier de regel: nl. de woonplaats vd verweerder, in casu
Luxemburg
• Bijzondere: volgens art. 7, lid 2 is de rechter bevoegd vd plaats waar het
schadebrengend feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen, in casu BE
f) Subsidiaire bevoegdheid is in de Brussel I bis Vo niet van toepassing
g) Noodforum is in Brussel I bis niet van toepassing
5. ANTWOORD: de BE rechter kan bevoegd zijn obv art. 7, tweede lid Brussel I bis (dus die
WPO 3 Academiejaar 2024-2025
, bijzondere bevoegdheidsgrond).
! Als er werd gevraagd waar er gedagvaard kon worden, dan had je moeten verwijzen
naar zowel de algemene als de bijzondere bevoegdheidsgrond (dan had de Limburgse
onderneming kunnen kiezen).
b. Welk recht is op het geschil van toepassing?
1. Soort conflict? Wetsconflict
2. Rechtsvraag? Schade door oneerlijke mededinging n.a.v. inbreuk op nationaal merk, dus:
niet-contractuele verbintenis of onrechtmatige daad
3. Instrument? Als we bij wetsconflicten zitten, zijn de Rome II VO belangrijk, hier is
specifiek de Rome II Verordening relevant omdat we zitten met een onrechtmatige daad
4. Relevante wetsbepaling?
Partijen mogen het toepasselijk recht kiezen (art. 14): nvt, want niks over vermeld
in de casus.
In Brussel I bis hebben we gezien dat er een forumkeuze kan zijn dat partijen
kiezen voor welke rechter ze verschijnen, hebben we ook zoiets wat het
toepasselijk recht betreft?
JA ze kunnen dus ook kiezen wat het toepasselijk recht gaat zijn. De
Rome-verordeningen geven heel veel vrijheid aan de partijen
Toepassing lex specialis: art. 6, 2: toepassing van art. 4 als de oneerlijke
concurrentie uitsluitend de belangen v een bepaalde concurrent schaadt, dus
verwijzing naar de algemene regel van art. 4
o Art. 4.1: het recht vh land waar de schade zich voordoet: BE
(we gaan hier in eerste instantie niet artikel 4 toepassing, dat de algemene
regel bevat, maar we gaan kijken naar de bijzondere bepaling in art. 6)
Wat is het verschil tussen art. 6 lid 1 en 2?
Art. 6.1: oneerlijke concurrentie valt onder de wet vh land waar de
concurrentieverhoudingen of de collectieve belangen vd consumenten
worden geschaad …
Art. 6.2 heeft specifiek betrekking op de situatie waarin een welbepaalde
concurrent wordt geviseerd
.
5. ANTWOORD: BE recht obv art. 6.2 dat verwijst naar de algemene regel van art. 4.1
Casus 2:
Een Belgische toerist koopt tijdens zijn vakantie op Ibiza (Spanje) drie schilderijen van een
plaatselijke kunstenaar. De kunstwerken moeten de nieuwe woning van eerstgenoemde
opfleuren. Er wordt overeengekomen dat de kunstschilder de werken zal verzenden naar
WPO 3 Academiejaar 2024-2025