Communicatiemodel
1. Zender: De persoon of entiteit die de boodschap verstuurt.
Voorbeeld: Een leraar die een les geeft.
2. Ontvanger: De persoon of entiteit die de boodschap ontvangt.
Voorbeeld: De leerlingen die naar de les luisteren.
3. Boodschap: De informatie of inhoud die wordt overgebracht van de zender naar
de ontvanger.
Voorbeeld: De uitleg van een wiskundig concept.
4. Bedoeling: Het doel of de intentie achter de boodschap van de zender.
Voorbeeld: De leraar wil dat de leerlingen het wiskundige concept
begrijpen.
5. Effect: De reactie of het resultaat van de boodschap bij de ontvanger.
Voorbeeld: De leerlingen begrijpen het concept en kunnen het toepassen.
6. Kanaal: Het medium of de methode waarmee de boodschap wordt overgebracht.
Voorbeeld: De leraar gebruikt een whiteboard en mondelinge uitleg.
Zinsleer:
1. PV (persoonsvorm): Het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd
zet.
Voorbeeld: "Hij loopt naar school." (PV = loopt)
2. LV (lijdend voorwerp): Het deel van de zin dat de actie van het werkwoord
ondergaat.
Lijdend voorwerp: Vraag wat of wie + persoonsvorm + onderwerp.
Voorbeeld: "Hij leest een boek." (LV = een boek)
Begint niet met een voorzetsel.
Je kan een LV vervangen door een ander woord, als dat niet kan is het geev
LV.
Komt niet voor bij een naamwoordelijk gezegde, dan is het een deel ervan.
3. WWG (werkwoordelijk gezegde): Alle werkwoorden in de zin die samen de
actie beschrijven.
Voorbeeld: "Zij heeft gegeten." (WWG = heeft gegeten)
4. MV (meewerkend voorwerp): Het deel van de zin dat aangeeft voor wie of aan
wie iets gebeurt. Aan wie of aan wat. Aan of voor wie + rest zin
Voorbeeld: "Hij geeft zijn vriend een cadeau." (MV = zijn vriend)
Niet altijd aanwezig
Als ervoor of aan in de zin staat wil het niet zeggen dat het een MV is, het
kan ook een plaatsaanduiding zijn.
5. NWG (naamwoordelijk gezegde): Een gezegde dat bestaat uit een
koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel. Koppelwerkwoord: ZWOBBELS
(zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen)
Voorbeeld: "Zij is dokter." (NWG = is dokter)
6. VZV (voorzetselvoorwerp): Een zinsdeel dat begint met een voorzetsel
(kastwoordjes, op/ in, …) en een vaste verbinding vormt met het werkwoord.
Voorbeeld: "Hij wacht op de bus." (VZV = op de bus), ik ben verliefd op
jou
, Op, Over, naar, …
Geen letterlijke betekenis, het zijn figuren, je verlangt naar iets
7. O (onderwerp): Het deel van de zin dat aangeeft wie of wat de actie uitvoert.
Voorbeeld: "De kat slaapt." (O = de kat)
8. BWB (bijwoordelijke bepaling): Geeft extra informatie over de handeling, zoals
tijd, plaats, richting, reden, duur, middel, oorzaak etc. (hoe, waar, wanneer of
waarmee)
Als je alles gedaan hebt en je hebt nog iets over gebruik je dit.
Voorbeeld: "Hij gaat morgen naar school." (BWB = morgen)
Drie weken geleden, Naar de les, Met de auto
9. Handelend voorwerp: kan er ook niet zijn. Iets of iemand die de handeling
uitvoert
Eerst onderwerp, dan pv, dan wwg of nwg, voorzetselvoorwerp, aan wie of aan wat, bwb
Start altijd met ‘door’
Bij samengestelde zinnen:
- Nevenschikkende zinnen: 2 zinnen zijn gelijkwaardig en op zichzelf staan (en, waar
en wat)
Bv. Hij ging naar huis en trok zijn pyjama aan
- Onderschikkende zinnen: 2 zinnen worden aan elkaar verbonden door
voegwoorden zoals dat, als, hoewel, omdat, soms, ….
Hoofd- en bijzin
Bv. ik denk dat hij morgen komt
Bijzin: LV, je kan het opnieuw ontleden maar dat hoeft niet.
,
, Woordleer:
Infinitief: Noem vorm, standaard vorm: Werken bv,
- Hoe herken je de infinitief: eindigt meestal op en maar altijd met een n
Persoonsvorm: PV, staat steeds bij een persoon (ik werk)
- De vorm is aangepast aan de persoon.
- Bestaat zowel in tegenwoordige tijd als verleden tijd.
Imperatief: Bevelvorm
- Er staat geen persoon bij (Werk!)
- Voltdooid deelwoord: VD
- Iets dat afgelopen of voltdooid is (Ik heb gewerkt)
- Je kan het vinden door ik heb of ik ben ervoor te zetten
- Onvoltooid deelwoord
- OD of OVD
- Duidt aan dat iets nog niet afgelopen of voltoddoid is (Hij liep lachend verder)
- Je kan het vinden: Eindigt op –(e) nd
Stam
- Geen afkortingen
- Stam vind je door de -en bij de infinitief weg te laten.
- Je gaat nooit een stam in een zin vinden.
- Ik lach graag => lach is hier de PV
Woordsoorten:
9 soorten: