INLEIDING
Inspanningstesten worden veel afgenomen
ð Kracht, evenwicht, mobiliteit, snelheid minder vaak
Testen afnemen:
1) Gerichte opwarming
2) Eerste test
ð Instructie en demonstratie
ð Proefpoging + bijsturing
ð Start de test
3) Tweede test
EXAMEN: alle testen kennen + protocollen ervan
ð Meest valide testen per sport bepalen
ð Hamstringletsel: zoek test waarbij revalidatie evolutie gevolgd kan worden
ð Kan zijn dat opwarming mag skippen en enkel instructie, demo en proefopstelling
TESTEN SELECTEREN EN INTERPRETEREN
Waarom testen:
- Huidig niveau cliënt/atleet inschatten
- Aanpassingen in trainingsplan/trainingsinhouden
- Evolutie van cliënt inschatten in tijd
- Blessurepreventie
- Pro- en regressies in kaart brengen
Validiteit:
ð Meet de test wel echt wat je wil weten?
Ø Research en kritisch nadenken
Voorbeelden:
- Wall sit test voor kracht (meet geen kracht, wel krachtuithouding)
- Aantal pullups voor kracht
- Hamstring lenigheid ifv blessurepreventie
- VO2max meting op fiets voor volleybalspeelster
- 1RM bench press meet max kracht in BL
Heeft motocrosser of tenisser beter oog-handcoördinatie?
ð Normaal tenisser, want motocrosser kijkt in de verte naar bochten + 2 handen aan stuur
1
,Heeft motocrosser of tenisser beter evenwicht?
ð Normaal motocrosser, want neemt snel bochten + gaat over bulten
ð Test: op 1 been gaan staan op een balk met 1 hand in de lucht
Ø Balk standaardiseren + duidelijk protocol (als hand van been lost, begint tijd + als je valt stopt de tijd)
Ø Deze test is niet valide (meet niet wat hij moet weten)
Ø Test is statisch en motocross is dynamisch evenwicht
Betrouwbaarheid:
= als je de test herhaalt dat je ongeveer op hetzelfde resultaat uitkomt
Labotesten:
ð Voordelen: variabelen makkelijk te controleren + betrouwbaarheid data hoog
ð Nadelen: beperkte weergave werkelijkheid + duur + tijdsintensiever + momentopname
Veldtesten (in de les):
ð Voordelen: goede weergave werkelijkheid + gemakkelijk af te nemen + goedkoper + minder tijdsintensief
ð Nadelen: variabelen moeilijker te controleren + momentopname
Controle over de variabelen:
- Testprotocol
ð Testmateriaal, afspraken testafname, aantal pogingen en scorebepaling, accommodatie en testvolgorde
- Andere
ð Ijking meettoestellen, tijdstip dag, voeding, slaap, klimatologische omstandigheden…
Protocol: scorebepaling
Ø Countermovement jump
Ø Best of 3 = 43,9cm, best of 1 = 41,6cm, gemiddelde of 3 = 42,7cm
Protocol: testafspraken
Ø Pushuptest
Ø Test 1: geldige rep = armen gestrekt naar met kin op grond
Ø 4min rust
Ø Test 2: geldige rep = armen gestrekt naar armen tot 90°
Protocol: testmateriaal
Ø 10m sprint: timing gates of smartphone
Ø Countermovement jump: manueel of accelerometrie
Protocol: aanmoedingen
ð Met aanmoedigingen doe je het altijd beter
Voorbeeld 1:
Test: voeten op heupbreedte en zo hoog mogelijk springen + armen mag je gebruiken
Poging 1 = 38,4cm, poging 2 = 36,8cm en poging 3 = 42,5cm
2
, ð Prestatiegericht testen: beste score van de 3 (42,5cm)
ð Blessurepreventie: gemiddelde score van de 3 (39,2cm)
Voorbeeld 2:
Test: push-up terwijl je armen volledig strekken en je kin de grond raakt en zo veel mogelijk reps
Poging 1 = 32 en poging 2 = 40 met minder streng protocol
ð Relatieve krachtuithouding, want meerdere reps
ð Kan je maar 1 push-up uitvoeren dan meet je maximale kracht
Voorbeeld 3:
Test: sprinten over 10m met timing gates
ð Timing gates moet je zelf kunnen opstellen (1m hoogte)
Voorbeeld 4:
Test: wall sit met de helft zonder toeschouwers en de andere helft met aanmoedigingen + handen plat tegen muur en
voeten 90° onder knieën
Maija = 2min30, Maxine = 1min35 en Kobe = 4min03 met aanmoedigingen (gem = 162sec)
Kirsten = 1min47, Robin = 3min26 en Yaro = 3min40 zonder aanmoedigingen (gem = 172sec)
ð Geen goede verdeling qua geslacht, anders duidelijk verschil met aanmoedigingen
Normtabellen:
ð Meeste menselijke prestaties en metingen volgen de normaalverdeling
ð Niet zelfde als gezondheidsnorm
1) Controle betrouwbaarheid:
- Kwaliteit bron
ð Grootte van steekproef
ð Onderzoeksinstelling, onderzoeker
ð Peer reviewed
ð Betrouwbaar en valide onderzoeken
- Testprotocol
ð Enkel gebruiken als je standaard protocol gevolgd hebt
ð ACSM en normtabellen van school zijn anders
ð Moet overeen komen
2) Herhaalbaarheid testprotocol
ð Staat testprotocol exact beschreven?
ð Beschikbaarheid testmaterialen?
3
, 3) Doelgroep
ð Voor verschillende doelgroepen moeten exact dezelfde zijn
Positionering in de groep:
Evolutie eigen prestatie:
ð Visueel weergeven
ð Trendlijn = betrouwbare methode om evolutie weer te geven over langere periode
Vanaf wanneer kunnen we over 2 testen (pre en post) spreken van een effectieve verbetering in prestatie?
Smallest worthwile change (SWC):
ð = waarde die aangeeft of gemeten verandering in prestatie effectief te wijten is aan een biologische
adaptatie als gevolg van training
ð Covariatiecoëfficiënt = maat voor spreiding data ( )
ð Kleinere spreiding: resultaten populatie dichter gecentreerd rond gemiddelde
ð Spreiding kleiner bij homogene groep
Ø Populatie elite-sprinters zal kleinere CV vertonen voor maximale sprintsnelheid dan populatie
amateurvoetballers
ð SWC = 0,2*SD
ð Voorwaarde: kleine spreiding rond gemiddelde, met maximale covariatiecoëfficiënt = 10%
Ø CV = SD/gemiddelde*100
Voorbeeld:
è Med ball throw test
ð Gemiddelde afstand = 474cm
ð Standaarddeviatie = 44cm
ð SWC = 0,2*44cm = 8,8cm (prestatieverschil)
ð CV = 44cm/474cm*100 = 9,2%
ð CV<10% dus waarde is bruikbaar
Intra-individueel prestatieverschil = pretest – posttest
Inter-individueel prestatieverschil = resultaat binnen dezelfde test
SD = maat die je vertelt hoe ver iedere score gemiddeld van gemiddelde verwijderd is
4