Hoofdstuk 1: Een probleemstelling met Socrates
Citaat Xenophanes van Colophon: (p.11)
"Veronderstel dat koeien en paarden en leeuwen handen hadden en konden
tekenen of kunstwerken maken, precies zoals mensen. Dan zouden zijn in hun
tekeningen aan de goden een uiterlijk en een lichaam hebben gegeven dat precies
gelijkt op het specifieke lichaam dat zijzelf ieder hebben: paarden als goden voor de
paarden en koeien als goden voor de koeien."
Citaat Socrates: (p.13)
"Niemand doet wetens en willens kwaad."
Citaat Socrates: (p.14)
"Geloof de aanklager of geloof hem niet, spreek me vrij of niet: maar wees er zeker
van dat ik nooit anders handelen zal, al moest het me honderdmaal het leven
kosten."
Citaat Socrates: (p.15)
"(…) als ik zou beweren verstandiger te zijn dan een ander in enig opzicht, dan zou
het hierin zijn: dat ik, onvoldoende op de hoogte van wat er in de andere wereld (nl.
na de dood) omgaat, ook niet de pretentie heb het te weten. Wat ik echter wel weet
is dat kwaad doen en niet gehoorzamen aan mijn meerdere, zowel god als mens,
slecht en laag is. Zou ik achteruit gaan voor een kwaad, waarvan ik zeker weet dat
het een kwaad is, maar zou ik wel terugdeinzen, uit schrik, voor iets wat wel eens een
goed zou kunnen blijken te zijn?"
Citaat Socrates: (p.15)
"Er bestaat op aarde geen groter geluk dan dit: iedere dag zijn gesprekken te wijden
aan het gelukte leven van de mens en aan de andere problemen die (…) het
voorwerp uitmaken van mijn gesprekken en van mijn onderzoek van mijzelf en van
anderen. Een leven zonder dergelijk onderzoek is eenvoudig de moeite niet waard,
geleefd te worden."
Citaat Protagoras: (p.16)
"Van alle dingen is de mens de maat, van die welke zijn, dat ze zijn, van die welke niet
zijn, dat ze niet zijn."
Citaat Smith: Socrates’ standpunt (p.17)
"De mens verlangt van nature niet alleen bemind te worden, maar
beminnenswaardig te zijn; of (m.a.w.) dat te zijn wat het natuurlijke en geëigende
object is van liefde (…). Hij verlangt niet alleen lof, maar lofwaardigheid: of (m.a.w.) dat
, te zijn wat, ook al wordt het door niemand geprezen, toch het natuurlijke en
geëigende object is van lof."
Citaat Muntz: (p.22)
"Iedere narratio is in feite een masker dat we tegen het verleden aandrukken, waarbij
de onontkoombare waarheid is dat er nooit een eigen gezicht van het verleden zelf
achter die maskers schuilgaat."
Citaat Havel: (p.24)
"De wereld is niet meer dan een kruiswoordraadsel met slechts één juiste – zogezegd
objectieve – oplossing."
Hoofdstuk 2: Plato
Citaat Plato: (p.31)
"(de nous) neemt (de hypothesen) voor wat ze zijn: louter hypothesen, zo iets als
trappen of springplanken om te komen tot het universele beginsel, dat zelf boven
alle hypothesen verheven is."
Citaat Plato: (p. 31)
"Wat je dan (namelijk door de nous geïnspireerd) zou zien, zou niet langer een
afbeelding zijn van de waarheid, maar de waarheid zelf, of tenminste wat zich aan
mij als waarheid voordoet. Of ze het is of niet, dat is iets wat we niet langer met
stelligheid mogen beweren. Maar dat er iets van die aard te zien is, dat mogen we
wel beweren."
Citaat Plato: (p.32)
"De uitspraken zijn verwant met de objecten die zij uitdrukken (…); wat Zijn is ten
opzichte van Worden, dat is Kennis ten opzichte van Mening."
Citaat Plato: (p.35)
"God is de maat van alle dingen."
Citaat Châtelet: visie van Plato op de werkelijkheid (p.37)
"Het Zijn is (in Plato’s filosofie) wat men mag en moet vertrouwen schenken, dat
waarop men zich kan steunen om te leven zoals het hoort."
Citaat: fragment over liefde om fundamentele bezwaar tegen Plato te illustreren
(p.39)
"Wil iemand de weg hierheen (nl. naar de Ideeën) op gepaste wijze doorlopen, dan
liet hij zich van zijn jeugd af op lichamelijke schoonheid richten. (…)"