ORIËNTEREN OP NATUUR
DIDACTIEK
HOOFDSTUK I : GRONDPRINCIPES VAN GOED NATUURONDERWIJS
Natuuronderwijs:
1 moet kansen bieden tot verwondering en bewondering
= kinderen zijn van nature nieuwsgierig en snel verwonderd. Door hen actief te laten kijken,
luisteren, voelen, ruiken en proeven, creëren we beleving.
• Stel open vragen: Wat zie je? Wat hoor je? …
• Laat kinderen eerst zelf ontdekken
• Stimuleer een dialoog door ruimte te geven voor eigen vragen en ideeën.
• Wees bewust van jouw invloed: wat jij mooi of vies vindt, nemen kinderen vaak over.
2 moet de werkelijkheid als uitgangspunt hebben
= directe waarneming is de beste manier om begrippen te begrijpen. Wanneer dit niet mogelijk is,
kies je een alternatief zoals video of foto’s. Betrek hierbij ALLE zintuigen. Hoe meer zintuigen
geprikkeld worden, hoe beter kinderen de werkelijkheid begrijpen!
• Voor een rijke leerervaring vraagt dit om een goede organisatie, zoals leerwandelingen of het verzamelen
van materialen.
3 moet kinderen actief aan het werk zetten
= kinderen leren het best door zelf te ontdekken, te experimenteren en na te denken. Laat hen
actief waarnemen met zoveel mogelijk zintuigen. Door zelf te ervaren en te handelen, wordt leren
betekenisvol en blijvend!
4 moet kinderen aansporen om verantwoordelijk om te gaan met mens, dier en omgeving
= kinderen leren respectvol met de natuur om te gaan door er zelf middenin te staan en positieve
ervaringen op te doen.
• Ga zelf liggen om iets van dichtbij te bekijken.
• Loop voorop bij het doorkruisen van struiken met prikplanten.
• Laat kinderen proeven: vlierbloesemlimonade bij de vlier, …
5 mag geen vak apart zijn
= natuuronderwijs biedt talloze mogelijkheden om vakken te integreren, vooral via outdoor
education. Leren in de buitenlucht stimuleert niet alleen betrokkenheid, maar maakt
vakoverstijgend werken natuurlijk en betekenisvol.
HOOFDSTUK II : 3 H’S
Een goede natuurles beoogt de drie componenten. Maar vaak domineert één ervan.
1 HOOFD (begripsontwikkeling)
= kennis en inzicht ontwikkelen over natuurverschijnselen en processen.
2 HART (vormingsaspecten)
= een positieve houding en betrokkenheid bij de natuur stimuleren.
• Verantwoording, verwondering, betrokkenheid en zorgzaamheid
3 HAND (onderzoeksvaardigheden)
= gericht zelf ontdekken, onderzoeken, samenwerken (en discussiëren), waarnemen en
experimenteren met alle zintuigen.
1
,HOOFDSTUK II : ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Pas je les aan de leeftijd, leefwereld en vragen van de leerlingen aan. Gebruik de omgeving en context
om het leren betekenisvol te maken.
1 KLEUTERKLAS
• Geen duidelijk onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid: natuur krijgt menselijke
kenmerken (“Die boom is verdrietig omdat het regent”)
• Motorisch ingesteld: leren door spelen en doen
• Focus op waarnemen en zintuigelijke prikkels
2 EERSTE GRAAD
• Onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid: Kinderen beginnen het verschil te begrijpen
tussen fantasie en de echte wereld, hoewel ze nog steeds veel verbeelding gebruiken.
• Natuurspel met reglementen: Spelen in de natuur krijgt een sociale functie. Kinderen beginnen
samen te werken, afspraken te maken en regels te volgen tijdens het spelen in de natuur.
• Focus op spel: Spel is een belangrijke manier van leren, waarbij ze nieuwe concepten ontdekken
door te spelen en experimenteren.
3 TWEEDE GRAAD
• De werkelijkheid primeert: Kinderen beginnen de natuur te zien als iets dat echt is, en ze
ontwikkelen een meer feitelijke kijk op de wereld. Ze willen concrete informatie en begrijpen de
wetenschappelijke basis van wat ze waarnemen.
• Sociale ontwikkeling groeit verder: Groepswerk, verantwoordelijkheid nemen en samenwerken
worden belangrijker. Ze leren ook om zorg te dragen voor de natuur en begrijpen hun rol in het
beschermen en behouden ervan.
• Natuur als gebruiksnatuur: Ze leren hoe de natuur een functie heeft en hoe ze iets kunnen
maken van de natuur en voor de natuur.
4 DERDE GRAAD
• Willen gehoord worden (mini-volwassenen): Kinderen in deze fase willen serieus genomen
worden en hebben sterke meningen over de wereld om hen heen. Ze beginnen zich meer bewust
te worden van de samenleving en hun rol daarin.
• In actie komen: Ze zijn bereid om in actie te komen, zich uit te spreken en hun ideeën over de
wereld te delen. Ze zijn meer gericht op de toekomst en willen bijdragen aan verandering.
• Sociale en morele ontwikkeling: Ze beginnen diepere gesprekken te voeren over
verantwoordelijkheid, milieuproblematiek en ethische kwesties. Ze zijn in staat om te
discussiëren en verschillende standpunten te begrijpen.
• Onderzoeken: Ze doen liever hands-on onderzoek, zowel binnen in de klas als buiten in de
natuur, en gebruiken experimenten of veldwerk om de wereld om hen heen te begrijpen.
2
,HOOFDSTUK III : 5 STAPPEN BINNEN EEN WERO-LES
De structuur van een les wereldoriëntatie wordt opgebouwd in drie fasen: inleiding, kern en slot. Elke
fase heeft specifieke stappen (introductie, vrije exploratie, onderzoeksfase, rapportage, verankeren) die
de leerlingen actief betrekken en helpen bij hun leren.
INLEIDING
1 Introductie
Doel: Nieuwsgierigheid prikkelen voor het onderwerp opwekken, concentratie opwekken en herhalen
wat men reeds gezien heeft.
Aandachtspunten:
• Alle nodige materiaal staat klaar
2 Vrije exploratie
Doel: zicht krijgen op wat kinderen reeds weten en nog willen weten over het onderwerp van de les
(polsen naar de problemen binnen dit onderwerp).
Aandachtspunten:
• Nog geen antwoorden geven
• Vragen neerschrijven op het bord (bordschema!)
KERN
3 Onderzoeksfase
Doel: doelgericht op zoek gaan naar de antwoorden.
Klassikaal: onderwijsleergesprek, opzoekwerk, proefjes, videofragment, …
Groepswerk: opzoekwerk a.d.h.v. infobundels/teksten
Aandachtspunten voor groepswerk:
• Voorzie opdrachten voor snelle werkers
• Maak duidelijke afspraken rond orde
• Denk naar over de ruimte (indeling)
4 Rapportage
Doel: klassikaal verwerken van de vragen uit de onderzoeksfase. (communicatie!)
Aandachtspunten:
• Maak afspraken omtrent het naar voorbrengen van hun gevonden info
• Laat het uit de kinderen zelf komen
• Zorg voor een gestructureerd bordschema
• Ga na of alles begrepen is.
SLOT
5 Verankeren
Doel: doelen kunnen divers zijn:
• inzichten uitbreiden – verbreden en verdiepen
• niet-beantwoorde vragen uit vrije exploratie oplossen
• ACTIEF afsluiten
• gericht op hun engagement
Eindig de les met een evaluatie op product (zijn alle vragen beantwoord?) en proces (hoe verliep de
samenwerking?).
3
, DEEL 1: FAUNA EN FLORA
HOOFDSTUK I : INLEIDING
1 HET ONTSTAAN
1.1 Evolutietheorie
Ongeveer 3,5 tot 4 miljard jaar geleden ontstond het eerste leven op aarde. Door middel van evolutie,
natuurlijke selectie en aanpassingen aan verschillende omgevingen, ontwikkelden deze vroege
levensvormen zich geleidelijk tot de rijke diversiteit aan flora en fauna die we vandaag de dag
kennen. De evolutietheorie van Charles Darwin vormt de basis voor veel van ons huidige begrip
over de evolutie van dieren en planten.
Evolutie van dieren en planten:
Eencellige organismen
zoals bacteriën en achaee in de oceaan
Meercellige organismen
Planten
(sporenplanten ⇢ naaktzaden ⇢ bedektzaden)
Ongewervelde meercellige organismen
Gewervelde meercellige organismen
Amfibieën
Reptielen
Vogels
Zoogdieren
Primaten (aapachtigen)
2 EENHEID IN DE NATUUR
2.1 Biotoop
Een biotoop of ecosysteem is het leefgebied van een bepaald organisme of een groep organismen.
Het verwijst naar de fysieke omgeving waarin een soort zich bevindt en waarin het zijn
levensbehoeften kan vervullen, zoals voedsel, onderdak en voortplantingsmogelijkheden. Een
biotoop is dus een specifieke plek met bepaalde abiotische (niet-levende) en biotische (levende)
factoren die de levensomstandigheden voor de organismen binnen dat gebied bepalen.
2.2 Voedselketen, -kringloop, -web en -piramide
Voedselketen: toont de volgorde van organismen die elkaar eten en gegeten worden in
opeenvolgende schakels.
Producenten Consument 1 Consument 2
Planten Konijn (herbivoren) Vos (carnivoren)
4
DIDACTIEK
HOOFDSTUK I : GRONDPRINCIPES VAN GOED NATUURONDERWIJS
Natuuronderwijs:
1 moet kansen bieden tot verwondering en bewondering
= kinderen zijn van nature nieuwsgierig en snel verwonderd. Door hen actief te laten kijken,
luisteren, voelen, ruiken en proeven, creëren we beleving.
• Stel open vragen: Wat zie je? Wat hoor je? …
• Laat kinderen eerst zelf ontdekken
• Stimuleer een dialoog door ruimte te geven voor eigen vragen en ideeën.
• Wees bewust van jouw invloed: wat jij mooi of vies vindt, nemen kinderen vaak over.
2 moet de werkelijkheid als uitgangspunt hebben
= directe waarneming is de beste manier om begrippen te begrijpen. Wanneer dit niet mogelijk is,
kies je een alternatief zoals video of foto’s. Betrek hierbij ALLE zintuigen. Hoe meer zintuigen
geprikkeld worden, hoe beter kinderen de werkelijkheid begrijpen!
• Voor een rijke leerervaring vraagt dit om een goede organisatie, zoals leerwandelingen of het verzamelen
van materialen.
3 moet kinderen actief aan het werk zetten
= kinderen leren het best door zelf te ontdekken, te experimenteren en na te denken. Laat hen
actief waarnemen met zoveel mogelijk zintuigen. Door zelf te ervaren en te handelen, wordt leren
betekenisvol en blijvend!
4 moet kinderen aansporen om verantwoordelijk om te gaan met mens, dier en omgeving
= kinderen leren respectvol met de natuur om te gaan door er zelf middenin te staan en positieve
ervaringen op te doen.
• Ga zelf liggen om iets van dichtbij te bekijken.
• Loop voorop bij het doorkruisen van struiken met prikplanten.
• Laat kinderen proeven: vlierbloesemlimonade bij de vlier, …
5 mag geen vak apart zijn
= natuuronderwijs biedt talloze mogelijkheden om vakken te integreren, vooral via outdoor
education. Leren in de buitenlucht stimuleert niet alleen betrokkenheid, maar maakt
vakoverstijgend werken natuurlijk en betekenisvol.
HOOFDSTUK II : 3 H’S
Een goede natuurles beoogt de drie componenten. Maar vaak domineert één ervan.
1 HOOFD (begripsontwikkeling)
= kennis en inzicht ontwikkelen over natuurverschijnselen en processen.
2 HART (vormingsaspecten)
= een positieve houding en betrokkenheid bij de natuur stimuleren.
• Verantwoording, verwondering, betrokkenheid en zorgzaamheid
3 HAND (onderzoeksvaardigheden)
= gericht zelf ontdekken, onderzoeken, samenwerken (en discussiëren), waarnemen en
experimenteren met alle zintuigen.
1
,HOOFDSTUK II : ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Pas je les aan de leeftijd, leefwereld en vragen van de leerlingen aan. Gebruik de omgeving en context
om het leren betekenisvol te maken.
1 KLEUTERKLAS
• Geen duidelijk onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid: natuur krijgt menselijke
kenmerken (“Die boom is verdrietig omdat het regent”)
• Motorisch ingesteld: leren door spelen en doen
• Focus op waarnemen en zintuigelijke prikkels
2 EERSTE GRAAD
• Onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid: Kinderen beginnen het verschil te begrijpen
tussen fantasie en de echte wereld, hoewel ze nog steeds veel verbeelding gebruiken.
• Natuurspel met reglementen: Spelen in de natuur krijgt een sociale functie. Kinderen beginnen
samen te werken, afspraken te maken en regels te volgen tijdens het spelen in de natuur.
• Focus op spel: Spel is een belangrijke manier van leren, waarbij ze nieuwe concepten ontdekken
door te spelen en experimenteren.
3 TWEEDE GRAAD
• De werkelijkheid primeert: Kinderen beginnen de natuur te zien als iets dat echt is, en ze
ontwikkelen een meer feitelijke kijk op de wereld. Ze willen concrete informatie en begrijpen de
wetenschappelijke basis van wat ze waarnemen.
• Sociale ontwikkeling groeit verder: Groepswerk, verantwoordelijkheid nemen en samenwerken
worden belangrijker. Ze leren ook om zorg te dragen voor de natuur en begrijpen hun rol in het
beschermen en behouden ervan.
• Natuur als gebruiksnatuur: Ze leren hoe de natuur een functie heeft en hoe ze iets kunnen
maken van de natuur en voor de natuur.
4 DERDE GRAAD
• Willen gehoord worden (mini-volwassenen): Kinderen in deze fase willen serieus genomen
worden en hebben sterke meningen over de wereld om hen heen. Ze beginnen zich meer bewust
te worden van de samenleving en hun rol daarin.
• In actie komen: Ze zijn bereid om in actie te komen, zich uit te spreken en hun ideeën over de
wereld te delen. Ze zijn meer gericht op de toekomst en willen bijdragen aan verandering.
• Sociale en morele ontwikkeling: Ze beginnen diepere gesprekken te voeren over
verantwoordelijkheid, milieuproblematiek en ethische kwesties. Ze zijn in staat om te
discussiëren en verschillende standpunten te begrijpen.
• Onderzoeken: Ze doen liever hands-on onderzoek, zowel binnen in de klas als buiten in de
natuur, en gebruiken experimenten of veldwerk om de wereld om hen heen te begrijpen.
2
,HOOFDSTUK III : 5 STAPPEN BINNEN EEN WERO-LES
De structuur van een les wereldoriëntatie wordt opgebouwd in drie fasen: inleiding, kern en slot. Elke
fase heeft specifieke stappen (introductie, vrije exploratie, onderzoeksfase, rapportage, verankeren) die
de leerlingen actief betrekken en helpen bij hun leren.
INLEIDING
1 Introductie
Doel: Nieuwsgierigheid prikkelen voor het onderwerp opwekken, concentratie opwekken en herhalen
wat men reeds gezien heeft.
Aandachtspunten:
• Alle nodige materiaal staat klaar
2 Vrije exploratie
Doel: zicht krijgen op wat kinderen reeds weten en nog willen weten over het onderwerp van de les
(polsen naar de problemen binnen dit onderwerp).
Aandachtspunten:
• Nog geen antwoorden geven
• Vragen neerschrijven op het bord (bordschema!)
KERN
3 Onderzoeksfase
Doel: doelgericht op zoek gaan naar de antwoorden.
Klassikaal: onderwijsleergesprek, opzoekwerk, proefjes, videofragment, …
Groepswerk: opzoekwerk a.d.h.v. infobundels/teksten
Aandachtspunten voor groepswerk:
• Voorzie opdrachten voor snelle werkers
• Maak duidelijke afspraken rond orde
• Denk naar over de ruimte (indeling)
4 Rapportage
Doel: klassikaal verwerken van de vragen uit de onderzoeksfase. (communicatie!)
Aandachtspunten:
• Maak afspraken omtrent het naar voorbrengen van hun gevonden info
• Laat het uit de kinderen zelf komen
• Zorg voor een gestructureerd bordschema
• Ga na of alles begrepen is.
SLOT
5 Verankeren
Doel: doelen kunnen divers zijn:
• inzichten uitbreiden – verbreden en verdiepen
• niet-beantwoorde vragen uit vrije exploratie oplossen
• ACTIEF afsluiten
• gericht op hun engagement
Eindig de les met een evaluatie op product (zijn alle vragen beantwoord?) en proces (hoe verliep de
samenwerking?).
3
, DEEL 1: FAUNA EN FLORA
HOOFDSTUK I : INLEIDING
1 HET ONTSTAAN
1.1 Evolutietheorie
Ongeveer 3,5 tot 4 miljard jaar geleden ontstond het eerste leven op aarde. Door middel van evolutie,
natuurlijke selectie en aanpassingen aan verschillende omgevingen, ontwikkelden deze vroege
levensvormen zich geleidelijk tot de rijke diversiteit aan flora en fauna die we vandaag de dag
kennen. De evolutietheorie van Charles Darwin vormt de basis voor veel van ons huidige begrip
over de evolutie van dieren en planten.
Evolutie van dieren en planten:
Eencellige organismen
zoals bacteriën en achaee in de oceaan
Meercellige organismen
Planten
(sporenplanten ⇢ naaktzaden ⇢ bedektzaden)
Ongewervelde meercellige organismen
Gewervelde meercellige organismen
Amfibieën
Reptielen
Vogels
Zoogdieren
Primaten (aapachtigen)
2 EENHEID IN DE NATUUR
2.1 Biotoop
Een biotoop of ecosysteem is het leefgebied van een bepaald organisme of een groep organismen.
Het verwijst naar de fysieke omgeving waarin een soort zich bevindt en waarin het zijn
levensbehoeften kan vervullen, zoals voedsel, onderdak en voortplantingsmogelijkheden. Een
biotoop is dus een specifieke plek met bepaalde abiotische (niet-levende) en biotische (levende)
factoren die de levensomstandigheden voor de organismen binnen dat gebied bepalen.
2.2 Voedselketen, -kringloop, -web en -piramide
Voedselketen: toont de volgorde van organismen die elkaar eten en gegeten worden in
opeenvolgende schakels.
Producenten Consument 1 Consument 2
Planten Konijn (herbivoren) Vos (carnivoren)
4