1 INLEIDING
1.1 WAT IS PERSOONLIJKHEID?
Het woord persoonlijkheid komt van het woord “persona”
Latijns voor masker
Ze droegen een persona om een rol te spelen
We hebben geen definitie dat geaccepteerd is door alle wetenschappers
maar gebruiken de volgende om het begrip duidelijk te maken.
Definitie: Een patroon van relatief permanente karaktertrekken (traits) en
unieke kenmerken die zowel voor consistentie als individualiteit zorgen in
het gedrag van een persoon
Trekken: consistent, stabiel over situaties en zorgen voor individuele
verschillen
Karakteristieken/ kenmerken: unieke kwaliteiten van een individu (bv
temperament)
1.2 WAT IS EEN THEORIE?
Definitie: Een set van gerelateerde veronderstellingen die
wetenschappers toelaten om op basis van logisch deductief redeneren
testbare hypotheses te formuleren
Het is dus niet omdat iets een theorie is dat het de waarheid is.
Verwantschap tussen het woord theorie en:
Filosofie: filosofie zegt wat dingen moeten en kunnen zijn, een
theorie doet dit niet
- Filosofie is veel breder dan een theorie
- Theorieën relateren het meest met epistemologie (soort filosofie)
Speculatie: een theorie is meer dan een speculatie omdat ze
verbonden zijn aan empirische data en wetenschap
Hypothese: theorie en breder dan een hypothese, een theorie kan
zorgen voor meerdere hypotheses. Een hypothese kan getest
worden maar een theorie kan nooit volledig bewezen zijn
Taxonomie: dit is een classificatie o.b.v. de natuurlijke relaties en
genereert hypotheses, geen theorie
- Het kan evolueren naar een theorie door hypotheses te
genereren
We hebben meerdere theorieën nodig omdat elke theorie een ander
perspectief geeft. Elke theorie is een reflectie van de onderzoeker
,(kindertijd, ervaringen, achtergrond), de onderzoekt probeert objectief te
blijven maar beslist hoe de data geïnterpreteerd wordt. De nuttigheid van
een theorie wordt niet bepaald door het overeenkomen met andere
theorieën maar door de mogelijkheid om onderzoek te genereren.
Aangezien de theorieën van wetenschappers worden gebouwd uit de
personaliteit van de wetenschappers kan het interessant zijn om deze
personaliteiten te bestuderen.
Psychology of science ging kijken naar de persoonlijke eigenschappen
van wetenschapers
Gingen zowel het denken als het gedrag van een wetenschapper
bestuderen
Ze gingen kijken hoe de personaliteit, ervaringen en geschiedenis
van de wetenschapper de theorieën die deze maakte ging
beïnvloeden
Het persoonlijk leven van een wetenschapper kan een grote rol spelen in
wat deze gaat geloven. De persoonlijkheid mag echter niet het enige zijn
dat de theorie maakt. We moeten theorieën evalueren gebaseerd op
empirische data.
1.3 WAT MAAKT EEN THEORIE ZINVOL?
Een goede theorie moet hypotheses kunnen maken en moet leiden tot
wetenschappelijk onderzoek. We hebben 6 criteria opgesteld om te
besluiten of een theorie zinvol is.
1. Genereert onderzoek:
- Stimuleert het testen van hypotheses zodat we verder onderzoek
kunnen voortzetten
- Gaat 2 soorten onderzoek stimuleren: beschrijvend onderzoek
(uitbreiden van de theorie en het testen van hypotheses
2. Is falsifieerbaar (te verifiëren, controleren)
- Moet precies genoeg zijn dat data het ofwel ondersteund ofwel
weerlegd
3. Organiseert gekende data
- Kennis dat er al is moet geïntegreerd zijn in de theorie
- Data moet georganiseerd zijn en een logisch geheel vormen
4. Leidt handelen (praktisch)
- Zorgt ervoor dat mensen de theorie kunnen gebruiken om
praktische dingen op te lossen
5. Is intern consistent
- Moet consistent zijn binnen de theorie zelf
6. Is spaarzaam (niet complexer dan noodzakelijk is)
- Parsimonious: eenvoudigste theorie is de beste
,1.4 DIMENSIES VOOR EEN ‘CONCEPT’ OVER DE MENSHEID
We hebben verschillende dimensies die we gebruiken om het perspectief
van wetenschappers op de menselijkheid te beschrijven.
Determinisme vs. vrije keuze alles is al bepaald vs je kan eigen
keuzes maken
Pessimisme vs. Optimisme zaken kunnen niet veranderen
Causaliteit vs. Teleologie gedrag is een functie van verleden vs
gedrag is in functie van de toekomst
Bewuste vs. onbewuste determinanten van gedrag
Biologische vs. sociale invloeden op persoonlijkheid nature vs
nurture
Individualiteit vs. similariteit kijken naar de uniekheid van de
mens of naar de gelijkenissen
1.5 ONDERZOEK NAAR PERSOONLIJKHEIDSTHEORIEËN
Deze moeten onderzoek kunnen genereren en een betekenis geven aan
de data. Deze data moet voortkomen uit onderzoek dat ontworpen is om
hypotheses te testen.
Wetenschappers proberen systematisch te zijn zodat hun voorspellingen
aan de hand van hun theorieën accuraat en consistent zijn. Om hiermee
te helpen hebben ze meetinstrumenten uitgevonden.
Deze moeten betrouwbaar zijn: goede consistentie (altijd dezelfde
uitkomst)
Deze moeten een hoge validiteit hebben: kijken of het meet wat het
hoort te meten
- Construct validiteit: kijken of het het construct meet (bestaat uit
volgende andere validiteiten)
- Convergerend (gaat het samen?), divergerend , discriminant
(geen correlaties met instrumenten die een ander construct
meten)
- Predictieve validiteit: mate waarin het toekomstig gedrag kan
voorspellen
, 2 FREUD: PSYCHOANALYSE
Freud geloofde dat we herinneringen uit onze kindertijd onderdrukken,
deze kunnen door een trigger terug naar boven komen.
Voorbeeld dat empirisch bewijs gaf voor deze theorie:
Man krijgt een belletje van zijn zus met het nieuws dat haar zoon bij
het koor gaat
De man is niet blij, wordt gespannen en depressief
Na een tijdje herinnerd hij zich dat hij seksueel misbruikt is door een
beheerder van een koor
De schuldige werd jaren later dan gearresteerd
2.1 PSYCHODYNAMISCHE THEORIEËN
Psychoanalyse:
Toegepaste methode van Freud voor de behandeling van
psychische stoornissen
Geen theorie (behandeling)
Psychoanalytische theorie:
Een theorie rond persoonlijkheid van Freud
2 bouwstenen: seks en agressie sprak mensen aan (interessant)
Verspreid door een toegewijde groep
Populair omdat Freud een goede schrijven was en zijn theorie mooi
kon verwoorden
Hij ging zijn visie op de persoonlijkheid laten veranderen door zijn
patiënten, hierdoor evolueerden zijn visie op het concept persoonlijkheid
constant. Hij maakte meer gebruik van deductief redeneren dan
wetenschappelijke experimenten en maakt de observaties op een kleine
steekproef. Verder ging hij de condities ook niet controleren en
kwantificeerde zijn data niet.
2.2 BIOGRAFIE VAN FREUD
was de oudste zoon van 8 kinderen