Methodologie van de sociale
wetenschappen
INLEIDING
- Wetenschappelijke kennis superieur wat maakt het wetenschappelijk en waarom
superieur?
- Positivistische, kwantitatieve benadering: (spiegelt zich aan de natuurwetenschappen,
experimenteel, survey,.. gebruik getallen)
- Constructivistische, kwalitatieve benadering: belang contextuele kennis, betekenis aan
handelen, motieven, interpretatieve sociale behandeling
- Hoe beoordeel je de kwaliteit: betrouwbaarheid en validiteit? Middelen, instrumenten?
- Vraag naar causaliteit aan drie voorwaarden voldoen
1) verband tussen oorzaak gevolg (vb door aanpak broken windows, dalende
criminaliteitscijfers)
2) Ene variabele moet aan de andere vooraf gaan (probleem er was al een daling ervoor)
3) Relatie tussen variabelen niet bepaald door andere variabele (mogelijks andere variabele
in het spel, waar geen broken window was ook daling)
- Vraag naar validiteit meten we wat we willen weten? bronnen van vertekening?
1) vraagstelling: meetfout
2) steekproeftrekking: dekkingsfout, steekproeffout (steekproef uit de populatie), non-
responsfout (vertekening door non-respons (niet deelgenomen), zie formule die 15, hoe
groter percentage non respons, hoe groter vertekening en factor die vaak niet in rekening
genomen wordt => verschillen tussen mensen die hebben geantwoord en de mensen die niet
hebben geantwoord yr mensen die hebben deelgenomen moet hetzelfde zijn aan ym die
mensen die niet hebben deelgenomen moet gelijk zijn aan 0, namelijk geen verschil = geen
vertekening)
HOOFDSTUK 1
Artikel: ruim 1 op 5 volwassen functioneert minder goed door een psychische stoornis – stijging in
verslavingen en angsten, frappantste stijging externaliserende stoornis
- Wetenschappelijk onderzoek is alomtegenwoordig in het dagelijkse leven
- Demarcatieprincipe van de wetenschap
- Voorbeelden: broken window theorie van Wilson en Kelling: crimineel handelen als gevolg
van een gebrek aan sociale normen en een gebrek aan controle om aan die normen te
conformeren (van kwaad naar erger, indien je een kapot raam niet herstelt, zullen mensen
het meer kapot maken) MAAR vraag naar wetenschappelijke causaliteit (oorzakelijk of
causaal verband) 3 VOORWAARDEN VOLDOEN
,HOOFDSTUK 2
Doelstellingen:
- De componenten van de empirische cyclus van onderzoek begrijpen;
- De logica van inductie en deductie kunnen herkennen en toepassen;
- De voornaamste criteria om onderzoek te evalueren—met name geldigheid en
betrouwbaarheid—kunnen identificeren;
- Soorten onderzoek kunnen onderscheiden
- THEORIE (denken) VS. EMPIRIE (observeren, mbv zintuigen)
- Goede kennis gebaseerd op zowel nadenken als observatie
- IDEAALTYPES: Empirische cyclus van onderzoek: sociaal wetenschappelijk onderzoek
combineert theoretische opzichten en empirische observatie
- Hoe combineren? (veel onenigheid hierover)
- Wetenschap niet enige bron van kennis
- Alternatieve bronnen van kennis
Persoonlijke ervaring
Media
Ideologie/religie
- Wat maakt wetenschappelijke kennis superieur?
Observeerbare fenomenen (niets bovennatuurlijk)
Methodologische spelregels
Waarheid als enige criterium
BASISBEGRIPPEN
- Theorie: verhaal verklaart hoe wereld in elkaar zit, geheel van samenhangende uitspraken
die bepaalde fenomenen beschrijven of verklaren (wat, hoe en waarom vragen,
voorspellen?)
- Verschillende theorieën (examenvraag): formele theorieën (geen specifiek toegangsdomein,
geld voor alle gebieden bv: rational choice theory: afwegen kosten en baten) en grand
theorie (mills): ideeen over samenleving, je bent er niets mee, hoog abstractieniveau bv:
samenleving is een netwerkt, het genereert nauwelijks hypothese en middle range theories:
domeinspecifieke theorieen bv. gelden bij gebruik sociale media, makkelijk hypothese uit af
te leiden, bruikbaar voor empirisch onderzoek
Concepten (label om fenomenen te categoriseren) + proposities (veronderstelde relaties
tussen concepten, hoe gecorreleerd?)
Kenmerken: logisch consistent, veralgemeen baar, verklaringskracht, spaarzaam, empirisch
toetsbaar (verifieerbaar en falsifieerbaar)
- Empirie: ervaren van de wereld rondom ons door waarnemingen
Theorie en empirie verbonden door processen: inductie en deductie
- Inductie: van empirie naar theorie, van het specifieke een algemene conclusie/wetmatigheid
- Deductie: gevolgtrekking van algemeen naar specifiek: van theorie naar empirie (vanuit
theorie een voorspelling, verwachting, hypothese afleiden)
- Kwaliteit van onderzoek beoordelen adhv 2 criteria
, - Geldigheid: afwezigheid van systematische fouten
Meetgeldigheid: goed gemeten?
Externe geldigheid: toepasbaar op ruimere context, representatief
Interne geldigheid: relatie binnen onderzoek op juiste manier verloop causaliteit bv in
andere richting?
- Betrouwbaarheid: afwezigheid van toevallige fouten
- Soorten onderzoek:
- Theoretisch/fundamenteel gericht onderzoek: kennisproductie als doel op zich
- Praktijkgericht onderzoek: oplossen van praktisch probleem, kennis als middel
- Evaluatieonderzoek: praktijkgericht onderzoek dat de implementatie, effectiviteit en
efficiëntie van interventies onderzoekt: cyclus dat uit 7 stappen bestaat (vb: muppetshow
gestart als interventie om ongelijkheid in het onderwijs aan te pakken, evaluatieonderzoek:
bereikt de show ook effectief haar doel?)
- Actieonderzoek: kennis geeft macht, beoogt om kennis te verspreiden onder deelnemers en
sociale actie te stimuleren
- Kwantitatief onderzoek: numerieke gegevens, grote aantallen en veralgemeenbaar
- Kwalitatief onderzoek: tekst, beeld, geluid, verdiepend inzicht
Theoretische insteek
- Twee stromen in literatuur om stress te duiden : organisatieklimaat (met drie sub dimensies)
en JDC-S model demands, control en support
- Relaties in theorie: hoge eisen, veel stress ; veel controle, weinig stress;…. (ook kans op derde
binnen relatie = moderatie, voor verder hoofdstuk)
- Model karasek schematich
Kenmerken van een goede theorie?
HOOFDSTUK 3:
Wetenschapsfilosofie: visies op wetenschap
Rode draad: Hoe kom je tot de productie van betrouwbare en geldige kennis
- Empirisme eind 16 begin 17de eeuw, Galilei, systematische observaties tot kennis
zintuigelijke waarnemingen (vb van geocentrisch model naar (via telescoop) naar
heliocentrische want hemellichamen niet perfect gladde bollen en manen rond planeten
(systematische waarnemingen met zijn telescoop) autoriteit van kerkelijk wereldbeeld in
vraag gesteld)
- Mens tabula rasa: Kijken en voelen beschrijven van lei (iedereen dus ongeveer zelfde kennis,
kennis is objectief (inwisselbaarheid van kennende subject)
- Kritiek rationalisme, rede als bron kennis
- Rationalisme: René Descartes: logisch redeneren menselijke rede, menselijke geest bevat
kiemen van alle kennis, zijn die kiemen zeker dan is alles wat je hier uit afleidt ook zeker (ik
denk dus ik ben), wiskunde, logische deductie uit axioma’s
- Francis Bacon en Hume
- Verificatie vs. Falsificatie
- ‘paradigm shift’
- Naturalisme vs constructivisme (geesteswetenschappen)
wetenschappen
INLEIDING
- Wetenschappelijke kennis superieur wat maakt het wetenschappelijk en waarom
superieur?
- Positivistische, kwantitatieve benadering: (spiegelt zich aan de natuurwetenschappen,
experimenteel, survey,.. gebruik getallen)
- Constructivistische, kwalitatieve benadering: belang contextuele kennis, betekenis aan
handelen, motieven, interpretatieve sociale behandeling
- Hoe beoordeel je de kwaliteit: betrouwbaarheid en validiteit? Middelen, instrumenten?
- Vraag naar causaliteit aan drie voorwaarden voldoen
1) verband tussen oorzaak gevolg (vb door aanpak broken windows, dalende
criminaliteitscijfers)
2) Ene variabele moet aan de andere vooraf gaan (probleem er was al een daling ervoor)
3) Relatie tussen variabelen niet bepaald door andere variabele (mogelijks andere variabele
in het spel, waar geen broken window was ook daling)
- Vraag naar validiteit meten we wat we willen weten? bronnen van vertekening?
1) vraagstelling: meetfout
2) steekproeftrekking: dekkingsfout, steekproeffout (steekproef uit de populatie), non-
responsfout (vertekening door non-respons (niet deelgenomen), zie formule die 15, hoe
groter percentage non respons, hoe groter vertekening en factor die vaak niet in rekening
genomen wordt => verschillen tussen mensen die hebben geantwoord en de mensen die niet
hebben geantwoord yr mensen die hebben deelgenomen moet hetzelfde zijn aan ym die
mensen die niet hebben deelgenomen moet gelijk zijn aan 0, namelijk geen verschil = geen
vertekening)
HOOFDSTUK 1
Artikel: ruim 1 op 5 volwassen functioneert minder goed door een psychische stoornis – stijging in
verslavingen en angsten, frappantste stijging externaliserende stoornis
- Wetenschappelijk onderzoek is alomtegenwoordig in het dagelijkse leven
- Demarcatieprincipe van de wetenschap
- Voorbeelden: broken window theorie van Wilson en Kelling: crimineel handelen als gevolg
van een gebrek aan sociale normen en een gebrek aan controle om aan die normen te
conformeren (van kwaad naar erger, indien je een kapot raam niet herstelt, zullen mensen
het meer kapot maken) MAAR vraag naar wetenschappelijke causaliteit (oorzakelijk of
causaal verband) 3 VOORWAARDEN VOLDOEN
,HOOFDSTUK 2
Doelstellingen:
- De componenten van de empirische cyclus van onderzoek begrijpen;
- De logica van inductie en deductie kunnen herkennen en toepassen;
- De voornaamste criteria om onderzoek te evalueren—met name geldigheid en
betrouwbaarheid—kunnen identificeren;
- Soorten onderzoek kunnen onderscheiden
- THEORIE (denken) VS. EMPIRIE (observeren, mbv zintuigen)
- Goede kennis gebaseerd op zowel nadenken als observatie
- IDEAALTYPES: Empirische cyclus van onderzoek: sociaal wetenschappelijk onderzoek
combineert theoretische opzichten en empirische observatie
- Hoe combineren? (veel onenigheid hierover)
- Wetenschap niet enige bron van kennis
- Alternatieve bronnen van kennis
Persoonlijke ervaring
Media
Ideologie/religie
- Wat maakt wetenschappelijke kennis superieur?
Observeerbare fenomenen (niets bovennatuurlijk)
Methodologische spelregels
Waarheid als enige criterium
BASISBEGRIPPEN
- Theorie: verhaal verklaart hoe wereld in elkaar zit, geheel van samenhangende uitspraken
die bepaalde fenomenen beschrijven of verklaren (wat, hoe en waarom vragen,
voorspellen?)
- Verschillende theorieën (examenvraag): formele theorieën (geen specifiek toegangsdomein,
geld voor alle gebieden bv: rational choice theory: afwegen kosten en baten) en grand
theorie (mills): ideeen over samenleving, je bent er niets mee, hoog abstractieniveau bv:
samenleving is een netwerkt, het genereert nauwelijks hypothese en middle range theories:
domeinspecifieke theorieen bv. gelden bij gebruik sociale media, makkelijk hypothese uit af
te leiden, bruikbaar voor empirisch onderzoek
Concepten (label om fenomenen te categoriseren) + proposities (veronderstelde relaties
tussen concepten, hoe gecorreleerd?)
Kenmerken: logisch consistent, veralgemeen baar, verklaringskracht, spaarzaam, empirisch
toetsbaar (verifieerbaar en falsifieerbaar)
- Empirie: ervaren van de wereld rondom ons door waarnemingen
Theorie en empirie verbonden door processen: inductie en deductie
- Inductie: van empirie naar theorie, van het specifieke een algemene conclusie/wetmatigheid
- Deductie: gevolgtrekking van algemeen naar specifiek: van theorie naar empirie (vanuit
theorie een voorspelling, verwachting, hypothese afleiden)
- Kwaliteit van onderzoek beoordelen adhv 2 criteria
, - Geldigheid: afwezigheid van systematische fouten
Meetgeldigheid: goed gemeten?
Externe geldigheid: toepasbaar op ruimere context, representatief
Interne geldigheid: relatie binnen onderzoek op juiste manier verloop causaliteit bv in
andere richting?
- Betrouwbaarheid: afwezigheid van toevallige fouten
- Soorten onderzoek:
- Theoretisch/fundamenteel gericht onderzoek: kennisproductie als doel op zich
- Praktijkgericht onderzoek: oplossen van praktisch probleem, kennis als middel
- Evaluatieonderzoek: praktijkgericht onderzoek dat de implementatie, effectiviteit en
efficiëntie van interventies onderzoekt: cyclus dat uit 7 stappen bestaat (vb: muppetshow
gestart als interventie om ongelijkheid in het onderwijs aan te pakken, evaluatieonderzoek:
bereikt de show ook effectief haar doel?)
- Actieonderzoek: kennis geeft macht, beoogt om kennis te verspreiden onder deelnemers en
sociale actie te stimuleren
- Kwantitatief onderzoek: numerieke gegevens, grote aantallen en veralgemeenbaar
- Kwalitatief onderzoek: tekst, beeld, geluid, verdiepend inzicht
Theoretische insteek
- Twee stromen in literatuur om stress te duiden : organisatieklimaat (met drie sub dimensies)
en JDC-S model demands, control en support
- Relaties in theorie: hoge eisen, veel stress ; veel controle, weinig stress;…. (ook kans op derde
binnen relatie = moderatie, voor verder hoofdstuk)
- Model karasek schematich
Kenmerken van een goede theorie?
HOOFDSTUK 3:
Wetenschapsfilosofie: visies op wetenschap
Rode draad: Hoe kom je tot de productie van betrouwbare en geldige kennis
- Empirisme eind 16 begin 17de eeuw, Galilei, systematische observaties tot kennis
zintuigelijke waarnemingen (vb van geocentrisch model naar (via telescoop) naar
heliocentrische want hemellichamen niet perfect gladde bollen en manen rond planeten
(systematische waarnemingen met zijn telescoop) autoriteit van kerkelijk wereldbeeld in
vraag gesteld)
- Mens tabula rasa: Kijken en voelen beschrijven van lei (iedereen dus ongeveer zelfde kennis,
kennis is objectief (inwisselbaarheid van kennende subject)
- Kritiek rationalisme, rede als bron kennis
- Rationalisme: René Descartes: logisch redeneren menselijke rede, menselijke geest bevat
kiemen van alle kennis, zijn die kiemen zeker dan is alles wat je hier uit afleidt ook zeker (ik
denk dus ik ben), wiskunde, logische deductie uit axioma’s
- Francis Bacon en Hume
- Verificatie vs. Falsificatie
- ‘paradigm shift’
- Naturalisme vs constructivisme (geesteswetenschappen)