1. een eerste kennismaking
1.1. Inleiding: niet iedereen leeft even lang
1e grafriek gaat omtrent levensverwachting naar opleidingsniveau.
Een hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook de persoonlijke vorming.
Vrouwen hebben een hogere levensverwachting dan mannen. + beiden met een diploma
hoger onderwijs hebben en hogere levensverwachting.
2e grafiek gaat omtrent de gezonde levensverwachting naar opleidingsniveau.
Als het aantal jaren dat een gemiddeld persoon mag verwachten te leven in goede
gezondheid. We zien ook hier weer dat naarmate mensen een hoger diploma hebben ze een
betere gezondheid hebben.
Een aantal redeneringen
Een hogere opleiding stimuleert het vermogen om ingewikkelde problemen in te
schatten.
Een diploma leidt naar een job in onze samenleving. Hoe hoger diploma > hoe hoger de
loon > wonen in betere buurten > zorgt voor een betere gezondheid door de
mogelijkheid van uitgebreide medische verzorging.
Gezondere arbeidsomstandigheden, hogere arbeidstevredenheid naargelang opleiding.
Samenvattend: een hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook de persoonlijke
vorming. Beide zorgen ervoor dat men het eigen leven beter in de hand heeft. Men heeft de
mogelijkheden & vaardigheden ontwikkeld om gezonder te leven en om met bedreigingen om te
gaan. > tot uiting in een hogere levensverwachting.
Samenvattend: we hebben een vrije wil, we staan op en we doen dingen in volle bewustzijn. Ook
hebben we hersenencentra die invloed hebben op ons functioneren zoals: hormonen, biologische
processen,… Maar wat de sociologie zegt is dat we ook vrienden, familie, buren, dingen, bedrijven,..
rondom ons. Die omgeving die heeft een enorme inpakt op ons functioneren, en enorme gevolgen
voor ons leven.
De sociologische redenering: Wij gaan eigenlijk gaan kijken wat er naast wat er in ons hoofd
gebeurd, alle processen in onze hersenen waar we ons niet bewust van zijn –> heel
belangrijk deze biologie/ psychologie. Maar sociologen zeggen dat de omgeving (sociale
klassen, land, cultuur) datgene is wat ze willen gaan bestuderen. = essentie
Wel erkenning van biologische en psychologische factoren
1.2. De sociologische verbeelding
= manier van kijken die sociale wetenschappers hebben/ politicologen/ criminologen/…
= sociologische visie, een manier om naar de wereld te kijken die verbanden legt tussen persoonlijke,
individuele gebeurtenissen enerzijds, en de sociale krachten die er vorm aan geven anderzijds (Mills)
We kijken naar gebeurtenissen die het leven van mensen typeren, gezien worden vanuit het
ruimere geheel waarbinnen mensen met elkaar samenleven.
1
,Onze biografie = ondergaat de invloed van het geheel van de sociale relaties waarvan we deel
uitmaken. Is het geheel van in wisselende mate ingrijpende levensgebeurtenissen die individuen
gaan ervaren.
STAP 1: BIOGRAFIE
Levensloop van het individu
- Jeugdbeweging, kiezen van school, gaan werken, …
- Volgen van universitaire opleiding
STAP 2: SOCIALE OMGEVING
Hoe is de biografie van mensen aan de sociale omgeving gelinkt?
Individuele levensloop is hieraan gelinkt
- Ouders betalen je studies, zorgen voor de financiering en de bouw van het chirolokaal, …
STAP 3: HISTORISCHE ONTWIKKELING
Sociale omgeving is het resultaat van de historische ontwikkeling
We hebben een sociale omgeving dat het product is van bepaalde historische
gebeurtenissen.
Industrialisering
- Vroeger werken iedereen altijd, na een tijd ontwikkelde er vrije tijd maar deze vrije tijd
moet opgevuld worden. + intimiteit bij ouders was geen taboe
o Door stoppen van kinderarbeid, meer vrije tijd & ouders met noden
o Gevolg is de oprichting van bv jeugdbewegingen
- Wij zijn het product van de samenleving
- Voorbeeld van kiezen voor unief + huisman> Een gender egalitaire samenleving vandaag
de dag: dat is een norm geworden, omdat er heel wat modernisering rond is geweest:
verminderende invloed van de kerk, vrouwen die autonoom worden en economische
macht opbouwen,.. Hoe we dus vandaag de dag denken over man- vrouwrelaties is
gelinkt aan onze sociale omgeving die het product is van de evolutie.
- + bv onze sociale omgeving bestaat uit bedrijven die smartphones aanbieden, onze
omgeving bestaat uit ouder die zakgeld geven en dat deze twee dingen bestaan heeft te
maken met de technologische evolutie, de kapitalistische concurrentie en toenemende
levensstandaard.
> Moraalfilosoof jan Verplaetse, ‘het vermogen om zelf, oorzaakloos, te beslissen wat en hoe
je het doet’ MAAR we handelen niet oorzaakloos, want er zijn scoiale en politieke oorzaken
die daar ingestoken worden en die bepaalde uitkomsten genereren.
> Onze vrije wil is aanwezig
1.3. Van gedrag tot samenleving
1.3.1. Gedrag
Inzoom op de bouwstenen van de biografie en de
maatschappelijke omgeving.
2
,Gedrag = elke actie of reactie van een individu, zoals een lichamelijke beweging, een verbale uiting
of een subjectieve gewaarwording. Gedrag bevat altijd zowel een objectief waarneembaare als een
subjectief waarneembaare dimensie.
Objectief waarneembare of externe componenten = kunnen door minstens 2 individuen (alter en
ego) kunnen worden waargenomen.
Vb. Gesproken woord, gebaren en lichamelijke bewegingen
Subjectieve waarneembare of interne componenten = slechts door 1 waarnemer (ego),
waarneembaar.
Belangrijk onderdeel van de subjectieve dimensie is:
motivationele component: ultieme drijfveren van het handelen die aanzetten, motiveren tot
gedrag. Hier enkele voorbeelden:
- Selfesteem = winstmaximalisatie, zucht naar sociale erkenning
- Mastery = zucht naar controle en sekuele lust
Emotionele component: innerlijke gevoelens van angst, schuld, schaamte, onrust
Cognitieve component: beelden die we ons vormen over de werkelijkheid
Reflectieve component: beelden die men over zichzelf vormt
De verschillende dimensies van het gedrag kunnen doorgaans enkel analytisch van elkaar worden
gescheiden. In de praktijk kruisen ze elkaar. Voorbeeld.
1.3.2. Sociaal handelen
De definitie van gedrag zoals hier gegeven is heel ruim. Handelen wordt gekenmerkt door een
gerichtigheid op een object. Maw: handelen heeft als finaliteit altijd de realisatie van een doel.
Handelen is dus gedrag met een nadrukkelijke doelgerichtigheid.
Bv. Kijken waar de uitgang van een gebouw zich bevind, voorbereiden voor het verlaten van
het lokaal. > zonder obstakels, dan zullen we ons niet bewust zijn van die mentale
voorbereiding. > indien obstakels, zullen we ons veel bewuster zijn van die mentale
voorbereiding. = de betekenis van een handeling is gelijk aan de mentale voorbereiding of
projectie van de voltooide handeling.
(Max Weber)
Sociale handelingstypologie ontworpen door Max Weber: handelen is sociaal wanneer de actor bij
het plannen van haar/ zijn handelen rekening houdt met wat anderen deden, doen of kunnen doen.
Er bestaat van uit handelende actor een subjectieve betekenis aanwezig die in verband staat met
een onderscheid tussen:
Instrumenteel rationeel handelen = actor wil bepaald doel bereiken binnen een specifieke
handelingssituatie. > handelingssituatie bestaat uit andere mensen en/ of objecten. Die
zullen de voorwaarden gaan bepale waaronder tot doelrealisatie overgegaan kan worden.
- Condities van het handelen: niet te wijzigen elementen, kunnen dus niet vrij
gemanipuleerd worden.
- Middelen: Andere objecten/ mensen zullen echter niet conditionerend, maar eerder
faciliterend werken. Dit zijn dus de middelen waarover de actor kan beschikken om zijn/
haar doel te realiseren. > Te wijzigen elementen
3
, - Elke handelingssituatie waarin actoren doelen wensen te realiseren, bevat volgens
Weber dus zowel condities als middelen.
- Kenmerkend bij doel rationeel handelen is dat de actoren afwegen: Welke middelen zijn
het best geschikt om doel te bereiken? >optimalisatie van de efficiëntie is het
belangrijkste kenmerk van doel rationeel handelen.
Waarde rationeel handelen = een bewust geloof in de waardevolheid van de handeling staat
centraal. De handeling op dus op zichzelf waardevol en niet het realiseren van een doel.
- Daarom draait dit ype handelen omtrent het volgen van eisen die de actor als bindend
inschat.
- Mensen volgen een religieuze roeping, laten zich leiden door een inherent plichtsgevoel
of streven ze schoonheid of persoonlijke loyaliteit na, wat ook de kosten zijn voor
zichzelf.
- Onderscheid met instrulenteel handelen: analytisch onderscheid = in de praktijk
(empirie) zal het zo zijn dat waarderationeel handelen ook binnen een situatie
plaatsvindt met mogelijkheden (middelen) en bperkingen (condities).
- We moeten ons dus afvragen of het gaat omtrent de efficiëntie of de inherente
waardevolheid van de hadeling zelf.
Affectief handelen = wordt gedreven door het navolgen van gevoelens.
- Affectief handelen kan bestaan uit een ongecontroleerde reactie op een bepaalde
stimulus.
- Wanneer mensen gedreven zijn door gevoelens, is de betekenis ervan niet altijd even
duidelijk.
- Handelen gedreven door gevoelens kan van een betekenis voorzien worden.
Traditioneel handelen = komt voort uit ingeworteld gewoontehandelen.
- Traditie: leidt tot herhaling van eenzelfde handeling en wordt gekenmerkt door een
verplicht karakter. > traditie perkt handelen in en stuwt hen in een bepaalde richting.
- Bij traditioneel handelen is het verleden bepalend voor het vormgeven van de toekomst.
- Als mensen zich bewust worden van de traditie en die op zichzelf gaan waarderen, dan
spreken we van waarderationeel handelen.
Reflexief handelen = gebaseerd op “stoppen, denken en kiezen“
- De reflexieve mens wordt niet meer voortgestuwd door de kracht van het verleden.
- Nadenken over welke richting je wil uitgaan
- Gaat gepaard met onzekerheid
1.3.3. Interactie
Sociaal handelen vormt de onderbouw van interactie.
Interactie = wordt gevormd door handelingen van een persoon én de reactie daarop door een
andere persoon. Dus het ontstaat wanneer twee of meerdere personen een gedeelde of op zijn
minst een complementaire betekenis geven aan elkaars handelen (actie-reactie).
- Betekenisvol
4
1.1. Inleiding: niet iedereen leeft even lang
1e grafriek gaat omtrent levensverwachting naar opleidingsniveau.
Een hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook de persoonlijke vorming.
Vrouwen hebben een hogere levensverwachting dan mannen. + beiden met een diploma
hoger onderwijs hebben en hogere levensverwachting.
2e grafiek gaat omtrent de gezonde levensverwachting naar opleidingsniveau.
Als het aantal jaren dat een gemiddeld persoon mag verwachten te leven in goede
gezondheid. We zien ook hier weer dat naarmate mensen een hoger diploma hebben ze een
betere gezondheid hebben.
Een aantal redeneringen
Een hogere opleiding stimuleert het vermogen om ingewikkelde problemen in te
schatten.
Een diploma leidt naar een job in onze samenleving. Hoe hoger diploma > hoe hoger de
loon > wonen in betere buurten > zorgt voor een betere gezondheid door de
mogelijkheid van uitgebreide medische verzorging.
Gezondere arbeidsomstandigheden, hogere arbeidstevredenheid naargelang opleiding.
Samenvattend: een hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook de persoonlijke
vorming. Beide zorgen ervoor dat men het eigen leven beter in de hand heeft. Men heeft de
mogelijkheden & vaardigheden ontwikkeld om gezonder te leven en om met bedreigingen om te
gaan. > tot uiting in een hogere levensverwachting.
Samenvattend: we hebben een vrije wil, we staan op en we doen dingen in volle bewustzijn. Ook
hebben we hersenencentra die invloed hebben op ons functioneren zoals: hormonen, biologische
processen,… Maar wat de sociologie zegt is dat we ook vrienden, familie, buren, dingen, bedrijven,..
rondom ons. Die omgeving die heeft een enorme inpakt op ons functioneren, en enorme gevolgen
voor ons leven.
De sociologische redenering: Wij gaan eigenlijk gaan kijken wat er naast wat er in ons hoofd
gebeurd, alle processen in onze hersenen waar we ons niet bewust van zijn –> heel
belangrijk deze biologie/ psychologie. Maar sociologen zeggen dat de omgeving (sociale
klassen, land, cultuur) datgene is wat ze willen gaan bestuderen. = essentie
Wel erkenning van biologische en psychologische factoren
1.2. De sociologische verbeelding
= manier van kijken die sociale wetenschappers hebben/ politicologen/ criminologen/…
= sociologische visie, een manier om naar de wereld te kijken die verbanden legt tussen persoonlijke,
individuele gebeurtenissen enerzijds, en de sociale krachten die er vorm aan geven anderzijds (Mills)
We kijken naar gebeurtenissen die het leven van mensen typeren, gezien worden vanuit het
ruimere geheel waarbinnen mensen met elkaar samenleven.
1
,Onze biografie = ondergaat de invloed van het geheel van de sociale relaties waarvan we deel
uitmaken. Is het geheel van in wisselende mate ingrijpende levensgebeurtenissen die individuen
gaan ervaren.
STAP 1: BIOGRAFIE
Levensloop van het individu
- Jeugdbeweging, kiezen van school, gaan werken, …
- Volgen van universitaire opleiding
STAP 2: SOCIALE OMGEVING
Hoe is de biografie van mensen aan de sociale omgeving gelinkt?
Individuele levensloop is hieraan gelinkt
- Ouders betalen je studies, zorgen voor de financiering en de bouw van het chirolokaal, …
STAP 3: HISTORISCHE ONTWIKKELING
Sociale omgeving is het resultaat van de historische ontwikkeling
We hebben een sociale omgeving dat het product is van bepaalde historische
gebeurtenissen.
Industrialisering
- Vroeger werken iedereen altijd, na een tijd ontwikkelde er vrije tijd maar deze vrije tijd
moet opgevuld worden. + intimiteit bij ouders was geen taboe
o Door stoppen van kinderarbeid, meer vrije tijd & ouders met noden
o Gevolg is de oprichting van bv jeugdbewegingen
- Wij zijn het product van de samenleving
- Voorbeeld van kiezen voor unief + huisman> Een gender egalitaire samenleving vandaag
de dag: dat is een norm geworden, omdat er heel wat modernisering rond is geweest:
verminderende invloed van de kerk, vrouwen die autonoom worden en economische
macht opbouwen,.. Hoe we dus vandaag de dag denken over man- vrouwrelaties is
gelinkt aan onze sociale omgeving die het product is van de evolutie.
- + bv onze sociale omgeving bestaat uit bedrijven die smartphones aanbieden, onze
omgeving bestaat uit ouder die zakgeld geven en dat deze twee dingen bestaan heeft te
maken met de technologische evolutie, de kapitalistische concurrentie en toenemende
levensstandaard.
> Moraalfilosoof jan Verplaetse, ‘het vermogen om zelf, oorzaakloos, te beslissen wat en hoe
je het doet’ MAAR we handelen niet oorzaakloos, want er zijn scoiale en politieke oorzaken
die daar ingestoken worden en die bepaalde uitkomsten genereren.
> Onze vrije wil is aanwezig
1.3. Van gedrag tot samenleving
1.3.1. Gedrag
Inzoom op de bouwstenen van de biografie en de
maatschappelijke omgeving.
2
,Gedrag = elke actie of reactie van een individu, zoals een lichamelijke beweging, een verbale uiting
of een subjectieve gewaarwording. Gedrag bevat altijd zowel een objectief waarneembaare als een
subjectief waarneembaare dimensie.
Objectief waarneembare of externe componenten = kunnen door minstens 2 individuen (alter en
ego) kunnen worden waargenomen.
Vb. Gesproken woord, gebaren en lichamelijke bewegingen
Subjectieve waarneembare of interne componenten = slechts door 1 waarnemer (ego),
waarneembaar.
Belangrijk onderdeel van de subjectieve dimensie is:
motivationele component: ultieme drijfveren van het handelen die aanzetten, motiveren tot
gedrag. Hier enkele voorbeelden:
- Selfesteem = winstmaximalisatie, zucht naar sociale erkenning
- Mastery = zucht naar controle en sekuele lust
Emotionele component: innerlijke gevoelens van angst, schuld, schaamte, onrust
Cognitieve component: beelden die we ons vormen over de werkelijkheid
Reflectieve component: beelden die men over zichzelf vormt
De verschillende dimensies van het gedrag kunnen doorgaans enkel analytisch van elkaar worden
gescheiden. In de praktijk kruisen ze elkaar. Voorbeeld.
1.3.2. Sociaal handelen
De definitie van gedrag zoals hier gegeven is heel ruim. Handelen wordt gekenmerkt door een
gerichtigheid op een object. Maw: handelen heeft als finaliteit altijd de realisatie van een doel.
Handelen is dus gedrag met een nadrukkelijke doelgerichtigheid.
Bv. Kijken waar de uitgang van een gebouw zich bevind, voorbereiden voor het verlaten van
het lokaal. > zonder obstakels, dan zullen we ons niet bewust zijn van die mentale
voorbereiding. > indien obstakels, zullen we ons veel bewuster zijn van die mentale
voorbereiding. = de betekenis van een handeling is gelijk aan de mentale voorbereiding of
projectie van de voltooide handeling.
(Max Weber)
Sociale handelingstypologie ontworpen door Max Weber: handelen is sociaal wanneer de actor bij
het plannen van haar/ zijn handelen rekening houdt met wat anderen deden, doen of kunnen doen.
Er bestaat van uit handelende actor een subjectieve betekenis aanwezig die in verband staat met
een onderscheid tussen:
Instrumenteel rationeel handelen = actor wil bepaald doel bereiken binnen een specifieke
handelingssituatie. > handelingssituatie bestaat uit andere mensen en/ of objecten. Die
zullen de voorwaarden gaan bepale waaronder tot doelrealisatie overgegaan kan worden.
- Condities van het handelen: niet te wijzigen elementen, kunnen dus niet vrij
gemanipuleerd worden.
- Middelen: Andere objecten/ mensen zullen echter niet conditionerend, maar eerder
faciliterend werken. Dit zijn dus de middelen waarover de actor kan beschikken om zijn/
haar doel te realiseren. > Te wijzigen elementen
3
, - Elke handelingssituatie waarin actoren doelen wensen te realiseren, bevat volgens
Weber dus zowel condities als middelen.
- Kenmerkend bij doel rationeel handelen is dat de actoren afwegen: Welke middelen zijn
het best geschikt om doel te bereiken? >optimalisatie van de efficiëntie is het
belangrijkste kenmerk van doel rationeel handelen.
Waarde rationeel handelen = een bewust geloof in de waardevolheid van de handeling staat
centraal. De handeling op dus op zichzelf waardevol en niet het realiseren van een doel.
- Daarom draait dit ype handelen omtrent het volgen van eisen die de actor als bindend
inschat.
- Mensen volgen een religieuze roeping, laten zich leiden door een inherent plichtsgevoel
of streven ze schoonheid of persoonlijke loyaliteit na, wat ook de kosten zijn voor
zichzelf.
- Onderscheid met instrulenteel handelen: analytisch onderscheid = in de praktijk
(empirie) zal het zo zijn dat waarderationeel handelen ook binnen een situatie
plaatsvindt met mogelijkheden (middelen) en bperkingen (condities).
- We moeten ons dus afvragen of het gaat omtrent de efficiëntie of de inherente
waardevolheid van de hadeling zelf.
Affectief handelen = wordt gedreven door het navolgen van gevoelens.
- Affectief handelen kan bestaan uit een ongecontroleerde reactie op een bepaalde
stimulus.
- Wanneer mensen gedreven zijn door gevoelens, is de betekenis ervan niet altijd even
duidelijk.
- Handelen gedreven door gevoelens kan van een betekenis voorzien worden.
Traditioneel handelen = komt voort uit ingeworteld gewoontehandelen.
- Traditie: leidt tot herhaling van eenzelfde handeling en wordt gekenmerkt door een
verplicht karakter. > traditie perkt handelen in en stuwt hen in een bepaalde richting.
- Bij traditioneel handelen is het verleden bepalend voor het vormgeven van de toekomst.
- Als mensen zich bewust worden van de traditie en die op zichzelf gaan waarderen, dan
spreken we van waarderationeel handelen.
Reflexief handelen = gebaseerd op “stoppen, denken en kiezen“
- De reflexieve mens wordt niet meer voortgestuwd door de kracht van het verleden.
- Nadenken over welke richting je wil uitgaan
- Gaat gepaard met onzekerheid
1.3.3. Interactie
Sociaal handelen vormt de onderbouw van interactie.
Interactie = wordt gevormd door handelingen van een persoon én de reactie daarop door een
andere persoon. Dus het ontstaat wanneer twee of meerdere personen een gedeelde of op zijn
minst een complementaire betekenis geven aan elkaars handelen (actie-reactie).
- Betekenisvol
4