SOCIALE ZEKERHEID
MODULE 1: INLEIDING, HISTORIEK, ORGANISATIE
WAT IS SOCIALE ZEKERHEID?
TERMINOLOGIE VAAG EN UITEENLOPEND
Er wordt heel wat verschillende terminologie gebruikt. Ze houden allemaal op de een of andere manier verband
met de algemene term sociale zekerheid.
• Sociaal recht
• Sociale zekerheid
• Sociale verzekering
• Sociale risico’s: vb. verlies van een job, ziekte, …
• Sociaal statuut
• Sociale bescherming
• Sociale bijstand
• Ook: sociale voorzieningen (huisvesting), arbeidsmarkt en tewerkstelling, welzijnsrecht → ontwikkeling
verzorgingsstaat/sociale welvaartsstaat
Definitie sociale zekerheid: verschillende ankerpunten
̶ ILO (int’le arbeidsorganisatie) Verdrag nr. 102 betreffende de minimumnormen der sociale zekerheid
(negen sociale risico’s) (1952)
̶ Europese Verordeningen 883/2004/EG en 987/2009/EG
̶ Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid (art. 3) (1981) en Wet Kruispuntbank Sociale Zekerheid (art.
2, 1°) (1990)
̶ Grondwet (art. 23) (1994) (infra) => brede invulling
“Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.
Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de
overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden
voor de uitoefening bepalen.
Die rechten omvatten inzonderheid :
1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen
werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel
mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning,
alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;
2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en
juridische bijstand;
3° het recht op een behoorlijke huisvesting;
4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;
5° het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing;
, 6° het recht op gezinsbijslagen” (˃ zesde staatshervorming - 2014) => staat er zo specifiek in omdat
bijslag een bevoegdheid is geworden van de gemeenschap. Omdat men schrik had dat men de
gezinsblijslagregeling zou afschaffen ten gevolge van de bevoegdheidsoverdracht heeft men dit
verankerd in de grondwet
̶ Wet Handvest Sociaal Verzekerde (art. 2, 1°) (1995)
➢ Ruimer: ook overheidspersoneel, zelfstandigen, sociale bijstand
SOCIALE ZEKERHEID
= Geheel van sociale voorzieningen dat tot doel heeft aan alle burgers op elk ogenblik van hun bestaan minstens
een bestaansminimum te waarborgen
̶ Klassieke sectoren + sociale bijstand = ruime invulling
HOE?
Je hebt 2 mechanismen:
LOONAANVULLENDE VERGOEDINGEN = iets wat je nog krijgt, aanvullend, bijkomend (heeft niet het oogpunt om
het wegvallen van loon op te vangen). Je kan het dus ook verkrijgen wanneer het sociaal risico niet leidt tot het
vervallen van je verdienvermogen
• Gezondheidszorg
o Beroepsactiviteit of afgeleide rechten: er kan beroep op worden gedaan door burgers die nog
niet over een beroepsinkomen beschikken
o Vrijwel de ganse bevolking
• Gezinsbijslagen
o Recht van het kind geworden door de regionalisering
o Het basisbedrag is niet afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Het is voor
iedereen hetzelfde
LOONVERVANGENDE UITKERINGEN = mechanisme in situaties waarin het verdienvermogen wordt aangetast
• Arbeidsongeschiktheid
o Ziekte en ongeval privéleven
o Arbeidsongeval en beroepsziekte (professioneel risico)
• Werkloosheid
• Ouderdom en overlijden
Op basis van beroepsactiviteit (hier is het dus wel van belang)
In België hebben we drie (grote) beroepsgroepen
• Werknemers
• Zelfstandigen
• Ambtenaren (! ≠ overheidspersoneel)
, o Bij de overheid werken niet alleen statutair personeel, maar ook particulieren op basis van een
arbeidsovereenkomst. Die vallen dan onder de sociale zekerheid van de werknemers.
! Grote verschillen in financiering en prestaties (maar de regelingen groeien meer en meer naar elkaar toe => ze
convergeren, er is daar ook een tendens toe)
SOCIALE BIJSTAND
= het ultiem vangnet voor wie niet beroepsactief is. Voor de tegemoetkoming gaat men kijken naar:
̶ Onderzoek bestaansmiddelen: het wordt volledig gefinancierd vanuit de begroting, vandaar dat men
het enkel wil toekennen aan degenen die het daadwerkelijk nodig hebben
̶ Versus individuele rechten in de klassieke sociale zekerheid
HISTORIEK BELGISCHE SOCIALE ZEKERHEID
HISTORIEK: SOCIALE BIJSTAND
Het is ontstaan vanuit particuliere iniatieven
• Armenzorg
• Kerken
Na verloop van tijd gaat het zich meer gaan structuren
• Burgerlijke godshuizen en burelen van weldadigheid, initiatief gaat uit van de steden en gemeenten
(lokale besturen)
• Evolutie naar commissies voor Openbare Onderstand (wet 10 maart 1925) => voolopers huidige OCMW
besturen
• OCMW’s (OCMW-Wet 8 juli 1976)
, HISTORIEK: SOCIALE VERZEKERING
Ook ontstaan vanuit private initiatieven
• Gildenbussen: arbeiders die zich verenigden
• Onderlinge bijstandskassen
➢ Initiatief arbeiders (soms steun private weldoener, maar dit is allemaal nog heel vrijblijvend =>
weinig gestructureerd)
• Overheid: ‘gesubsidieerde vrijheid’
➢ Steun en subsidiëring in ruil voor meer controle + toezien op de goede besteding van de
middelen aan de hand van een aantal regels die worden opgesteld
➢ Oprichting Algemene Lijfrentekas (1848): bedoelt om geld opzij te zetten met het oog op een
latere pensionering
• Ontwikkeling socialistische coöperatieven (Vooruit)
• Belangrijk: oprichting Belgische Werkliedenpartij 1885
AMBTENARENPENSIOENEN
Wet 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen
• Rustpensioen als beloning voor aan de staat bewezen diensten: idee van ‘uitgesteld loon’ voor uw
bewezen diensten, voor het feit dat je je hebt ingezet voor het algemeen belang
o Ambtenaren hebben als eerste de algemene pensienregeling
• Dekking invaliditeit
• Pensioenleeftijd 65 jaar
KANTELPUNT
Kantelpunt in de ontwikkeling in sociale wetgeving: bloedige stakingen 1886
• Arbeidswetgeving (o.a. beperking vrouwen- en kinderarbeid)
• Sociale maatregelen (steunfonds arbeidsongevallen, verdere ondersteuning en subsidiëring
mutualiteitsverenigingen)
Eerste socialistische verkozenen in parlement (1894)
Belangrijke stappen in de ontwikkeling van de sociale zekerheid (er worden verdere stappen gezet)
• Arbeidsongevallenwet (1903)
• Tussenkomst invaliditeitsverzekering via mutualiteiten (1912)
• Ondersteuning werkloosheidskassen (staatssubsidies 1907)
WO I zorgt voor een zekere vertraging in de verdere ontwikkeling van de verschillende facetten van de Belgische
sociale zekerheid
MODULE 1: INLEIDING, HISTORIEK, ORGANISATIE
WAT IS SOCIALE ZEKERHEID?
TERMINOLOGIE VAAG EN UITEENLOPEND
Er wordt heel wat verschillende terminologie gebruikt. Ze houden allemaal op de een of andere manier verband
met de algemene term sociale zekerheid.
• Sociaal recht
• Sociale zekerheid
• Sociale verzekering
• Sociale risico’s: vb. verlies van een job, ziekte, …
• Sociaal statuut
• Sociale bescherming
• Sociale bijstand
• Ook: sociale voorzieningen (huisvesting), arbeidsmarkt en tewerkstelling, welzijnsrecht → ontwikkeling
verzorgingsstaat/sociale welvaartsstaat
Definitie sociale zekerheid: verschillende ankerpunten
̶ ILO (int’le arbeidsorganisatie) Verdrag nr. 102 betreffende de minimumnormen der sociale zekerheid
(negen sociale risico’s) (1952)
̶ Europese Verordeningen 883/2004/EG en 987/2009/EG
̶ Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid (art. 3) (1981) en Wet Kruispuntbank Sociale Zekerheid (art.
2, 1°) (1990)
̶ Grondwet (art. 23) (1994) (infra) => brede invulling
“Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.
Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de
overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden
voor de uitoefening bepalen.
Die rechten omvatten inzonderheid :
1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen
werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel
mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning,
alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;
2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en
juridische bijstand;
3° het recht op een behoorlijke huisvesting;
4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;
5° het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing;
, 6° het recht op gezinsbijslagen” (˃ zesde staatshervorming - 2014) => staat er zo specifiek in omdat
bijslag een bevoegdheid is geworden van de gemeenschap. Omdat men schrik had dat men de
gezinsblijslagregeling zou afschaffen ten gevolge van de bevoegdheidsoverdracht heeft men dit
verankerd in de grondwet
̶ Wet Handvest Sociaal Verzekerde (art. 2, 1°) (1995)
➢ Ruimer: ook overheidspersoneel, zelfstandigen, sociale bijstand
SOCIALE ZEKERHEID
= Geheel van sociale voorzieningen dat tot doel heeft aan alle burgers op elk ogenblik van hun bestaan minstens
een bestaansminimum te waarborgen
̶ Klassieke sectoren + sociale bijstand = ruime invulling
HOE?
Je hebt 2 mechanismen:
LOONAANVULLENDE VERGOEDINGEN = iets wat je nog krijgt, aanvullend, bijkomend (heeft niet het oogpunt om
het wegvallen van loon op te vangen). Je kan het dus ook verkrijgen wanneer het sociaal risico niet leidt tot het
vervallen van je verdienvermogen
• Gezondheidszorg
o Beroepsactiviteit of afgeleide rechten: er kan beroep op worden gedaan door burgers die nog
niet over een beroepsinkomen beschikken
o Vrijwel de ganse bevolking
• Gezinsbijslagen
o Recht van het kind geworden door de regionalisering
o Het basisbedrag is niet afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Het is voor
iedereen hetzelfde
LOONVERVANGENDE UITKERINGEN = mechanisme in situaties waarin het verdienvermogen wordt aangetast
• Arbeidsongeschiktheid
o Ziekte en ongeval privéleven
o Arbeidsongeval en beroepsziekte (professioneel risico)
• Werkloosheid
• Ouderdom en overlijden
Op basis van beroepsactiviteit (hier is het dus wel van belang)
In België hebben we drie (grote) beroepsgroepen
• Werknemers
• Zelfstandigen
• Ambtenaren (! ≠ overheidspersoneel)
, o Bij de overheid werken niet alleen statutair personeel, maar ook particulieren op basis van een
arbeidsovereenkomst. Die vallen dan onder de sociale zekerheid van de werknemers.
! Grote verschillen in financiering en prestaties (maar de regelingen groeien meer en meer naar elkaar toe => ze
convergeren, er is daar ook een tendens toe)
SOCIALE BIJSTAND
= het ultiem vangnet voor wie niet beroepsactief is. Voor de tegemoetkoming gaat men kijken naar:
̶ Onderzoek bestaansmiddelen: het wordt volledig gefinancierd vanuit de begroting, vandaar dat men
het enkel wil toekennen aan degenen die het daadwerkelijk nodig hebben
̶ Versus individuele rechten in de klassieke sociale zekerheid
HISTORIEK BELGISCHE SOCIALE ZEKERHEID
HISTORIEK: SOCIALE BIJSTAND
Het is ontstaan vanuit particuliere iniatieven
• Armenzorg
• Kerken
Na verloop van tijd gaat het zich meer gaan structuren
• Burgerlijke godshuizen en burelen van weldadigheid, initiatief gaat uit van de steden en gemeenten
(lokale besturen)
• Evolutie naar commissies voor Openbare Onderstand (wet 10 maart 1925) => voolopers huidige OCMW
besturen
• OCMW’s (OCMW-Wet 8 juli 1976)
, HISTORIEK: SOCIALE VERZEKERING
Ook ontstaan vanuit private initiatieven
• Gildenbussen: arbeiders die zich verenigden
• Onderlinge bijstandskassen
➢ Initiatief arbeiders (soms steun private weldoener, maar dit is allemaal nog heel vrijblijvend =>
weinig gestructureerd)
• Overheid: ‘gesubsidieerde vrijheid’
➢ Steun en subsidiëring in ruil voor meer controle + toezien op de goede besteding van de
middelen aan de hand van een aantal regels die worden opgesteld
➢ Oprichting Algemene Lijfrentekas (1848): bedoelt om geld opzij te zetten met het oog op een
latere pensionering
• Ontwikkeling socialistische coöperatieven (Vooruit)
• Belangrijk: oprichting Belgische Werkliedenpartij 1885
AMBTENARENPENSIOENEN
Wet 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen
• Rustpensioen als beloning voor aan de staat bewezen diensten: idee van ‘uitgesteld loon’ voor uw
bewezen diensten, voor het feit dat je je hebt ingezet voor het algemeen belang
o Ambtenaren hebben als eerste de algemene pensienregeling
• Dekking invaliditeit
• Pensioenleeftijd 65 jaar
KANTELPUNT
Kantelpunt in de ontwikkeling in sociale wetgeving: bloedige stakingen 1886
• Arbeidswetgeving (o.a. beperking vrouwen- en kinderarbeid)
• Sociale maatregelen (steunfonds arbeidsongevallen, verdere ondersteuning en subsidiëring
mutualiteitsverenigingen)
Eerste socialistische verkozenen in parlement (1894)
Belangrijke stappen in de ontwikkeling van de sociale zekerheid (er worden verdere stappen gezet)
• Arbeidsongevallenwet (1903)
• Tussenkomst invaliditeitsverzekering via mutualiteiten (1912)
• Ondersteuning werkloosheidskassen (staatssubsidies 1907)
WO I zorgt voor een zekere vertraging in de verdere ontwikkeling van de verschillende facetten van de Belgische
sociale zekerheid