• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 126 pagina's
Samenvatting

Samenvatting De Globale Economie 2025 - Algoed Koen (D0E10a)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 126 pagina's

Volledige samenvatting van het vak De Globale Economie gedoceerd door Koen Algoed. Samenvatting bevat alle behandelde leerstof Handboek, slides en lesnotities. Wordt gedoceerd in de BA TEW, EW, Handelsingenieur en schakelprogramma's. Behaalde 17/20 1ste zit.

Voorbeeld van de inhoud

Globale Economie
ALGEMENE INLEIDING
Inleiding
o Leeswijzer bekijken voor wat te kennen
o Macro-economische analyse: greedy of facts
o Macro: greedy of facts – inflatie
• Sociale uitkeringen volgen evolutie van algemene prijzenpijl
• Automatische loonindexering → bescherming koopkracht → als prijzen stijgen
inkomen ook laten stijgen
• Inflatie = Het meten van hoe de algemeen prijzenpijl verandert
▪ Hogere prijzenpijl werd afgewenteld op consument → hierdoor hogere
gasprijzen
o Macro-economische analyse: wat en waarom?
• What is true at the microeconomic level is not necessarily true at the macroeconomic
level. What is true for the parts is not necessarily true for the whole
• Wat rationeel is voor individu hoeft niet rationeel/goed te zijn voor het grotere geheel
▪ Het geheel houdt meer in dan de som van de delen
▪ Iemand die rechtstaat in tribune is slechts beter af als de rest blijft zitten, als
iedereen recht staat is er geen voordeel meer
▪ In micro-economie kijken we vaak maar naar één markt, terwijl we in macro-
economie naar meerdere markten kijken waarbij eer ook
terugkoppelingseffecten kunnen zijn tussen verschillende markten
• Micro-economie:
▪ Gedragsmodellen individuele economische agenten (prijs gegeven)
▪ interageren op markt van één goed/dienst (prijs endogeen)
▪ alle markten samen: algemeen evenwicht
• Macro-economie: de grotere gehelen of aggregaten
▪ “de” economie krimpt of groeit
▪ totale consumptie in België/EU/Wereld
▪ totale tewerkstelling / werkloosheid
▪ het Prijspeil (alle prijzen) → we kijken naar het algemeen prijzenpijl → we zijn
geïnteresseerd in het algemene resultaat
• Maar... aggregaat = optelsom variabelen op individueel niveau
▪ => waarom volstaat Micro-economie dan niet?
▪ hebben we wel aparte macro-economische analyse nodig?
▪ jazeker, en wel om (minstens) drie redenen: zie hieronder




1

,HOOFDSTUK 16. MACRO-ECONOMISCHE ANALYSE
INLEIDING
De macro-economie verkrijgt men niet door louter een optelsom te maken van de micro-economische
activiteiten. Volgende redenen verklaren waarom het geheel meer inhoudt dan de som van de delen.
3 redenen waarom macro-economische analyse relevant kan zijn als aanvulling op micro-econ:

1. Verband tussen de markten van finale goederen en markten van productiefactoren
→ veranderingen in de ene markt, brengen veranderingen teweeg in de andere markt
→ Zogenaamde terugkoppelingseffecten
→ Economische kringloop
→ wet van Say = elk aanbod heeft/creëert zijn eigen vraag

2. het gebruik van geld speelt een grotere rol op macro-economisch vlak
→ ontregelingen van de geldstroom kunnen desastreuze effecten hebben op de
wereldmarkt (Financiële crisis)
→ Monetair beleid kan proberen reële economie te beïnvloeden
→ We gaan ervan uit dat we met geld andere goederen en diensten kunnen kopen

3. over verschillende markten heen is een informatie- en coördinatieprobleem
onvermijdelijk
→ de macro-economische analyse bestudeert ook de negatieve impact van deze
aspecten (Bijvoorbeeld het systeemrisico van het banksysteem of de spaarparadox)
→ Systeemrisico: wanneer iedereen geld van bank haalt kan bank niet aan deze vraag
voldoen, omdat ze niet genoeg bankbiljetten hebben (zie jaren 30 en financiele crisis
08, 09)



1.ECONOMISCHE KRINGLOOP & WET VAN SAY
De macro-economische analyse probeert te begrijpen hoe de som van transacties over verschillende
markten heen samen evolueert en verandert. We nemen aan dat er N verschillende goederen en
diensten worden aangeboden:




ONDERZIJDE = bestedingszijde (door consument)
→ bedrijven verkopen producten aan consumenten
→ totale opbrengst over alle markten heen: P Q

BOVENZIJDE = inkomenszijde (voor consument)
→ consumenten verkopen hun productiefactoren (arbeid / kapitaal) en
worden vergoed met lonen of dividenden
→ Bedrijven kopen productiefactoren
→ Arbeiders vergoed met loon
→ Verschaffers kapitaal: Interest en/of dividend

De totale opbrengsten worden zo integraal uitbetaald aan de consumenten
→ samenhang tussen productie en inkomen
→ terugkoppelmechanismen




2

,De economische kringloop: de wet van Say
o Nood aan input om output te kunnen produceren
o Omdat productie vanzelf tot een vraag naar goederen en diensten leidt, geldt de Wet van Say:
"Elk aanbod creëert zijn eigen vraag" waaruit 2 inzichten af te leiden zijn:
• In macro-analyse zijn er terugkoppelmechanismen die afwezig zijn in micro-economie
• Het klassieke "evenwichtsdenken" werkt niet wanneer consumenten ook sparen
m.a.w. volgens de wet van Say is sparen niet mogelijk
o Kringloop omdat de uitgaven van persoon 1 het inkomen van persoon 2 (de verkoper) is.
o Productie leidt vanzelf tot vraag naar goederen en diensten
o Dus er kan nooit een “vraagtekort” zijn
o Opmerkingen:
• Sparen zorgt voor een "spaarlek" omdat er minder wordt uitgegeven en dus minder
inkomen wordt gecreëerd waardoor men minder kan sparen (cfr. infra)
• De micro-economische analyse is te beperkt op macro-economisch vlak: Stel P ↑ dan
zal Q niet noodzakelijk helemaal afnemen want:


o Maar: samenhang zorgt er ook voor dat macro-economisch effect niet gelijk is aan optelsom
van micro-economische effecten
• Het “geheel” is groter (of anders) dan de “delen”
• Logica: Fallacy of composition → wat opgaat voor het individu hoeft niet noodzakelijk
op te gaan voor het grotere geheel
• Voorbeeld: prijsstijging van àlle goederen en diensten ≠ daling vraag
o Belang? Terugkoppelingsmechanismen
o Voorbeeld: veralgemeende prijsstijging (𝑃 ↑)
• 𝑃 ⋅ 𝑄 ↑ (ceteris paribus)
• inkomen ↑
• Bestedingen ↑/↓ ?
o Nood aan macro-economische analyse
• Effect op sparen?
• Effect op productie?

De economische kringloop: de identiteit van Fisher
o BELANGRIJK dat als er iets verandert met geldsnelheid of omloopsnelheid dat dit ook effecten
heeft op algemeen prijzenpijl en hoeveel geproduceerde goederen en diensten kan hebben in
de algemene, gehele economie
o Alle transacties die plaatsgrijpen in de markten van finale goederen en diensten en in de
markten van productiefactoren maken gebruik van een algemeen ruilmiddel: geld.
o Geld: ons algemeen ruilmiddel (H19)
o Aan kringloop goederen en diensten beantwoordt geldkringloop

In de micro-economische analyse kunnen we ervan
uitgaan dat, omdat de geldstroom en de reële stroom
dezelfde onderliggende realiteit weergeven,
geld neutraal is. Met andere woorden, geld heeft geen
effect op de economische kringloop (factor- en
goederenmarkt)

In de macro-economie interpreteren we het nieuwe
inzicht dat geld NIET neutraal is en wel degelijk
effecten heeft op reële grootheden.




3

, o Gezinnen komen op de goederenmarkt de diensten die ze willen → ondernemers zijn de
aanbieders → Factormarkt waarop gezinnen hun arbeid aanbieden
o M (= hoeveelheid geld) en P (= som van prijzen, BBP-deflator) zijn voorraadvariabelen
(stockvariabele) en zijn dus gemeten op één bepaald tijdstip.
o Q (= som van hoeveelheden, reëel BBP) en V (= omloopsnelheid van geld) zijn
stroomvariabelen en zijn dus gemeten over een bepaald tijdsinterval
• PQ = MV (identiteit van Fisher) = gaat per definitie altijd op → aan de linkerkant
hebben we de hoeveelheid aan goederen en diensten
▪ P.Q (goederenstroom)
▪ M (geldhoeveelheid)
▪ V (Omloopsnelheid van geld)
• Geldwaarde van de goederenstroom = waarde van de geldstroom
• De nominale waarde van de stroom van goederen en diensten op elk ogenblik moet
gelijk zijn aan de geldstroom die gebruikt wordt om deze transacties mogelijk te
maken

De economische kringloop: Het belang van geld
o Beide kringlopen
• geven zelfde onderliggende realiteit weer
• hebben dus dezelfde waarde
o Maar: in micro: geld is neutraal
• vraagfunctie: homogeen van graad 0 in prijzen en inkomens
• alle prijzen (dus zowel inkomens – o.a. prijs van arbeid – als consumptieprijzen)
vermenigvuldigen met zelfde factor => geen verandering in gedrag (bvb. invoering €)
o In macro: geld is niet neutraal
• geld heeft wel degelijk effect op reële grootheden
• Hét voorbeeld: financiële crisis 2008 => recessie 2009
• Maar ook: monetair beleid bij Coronaschok

2.INFORMATIE- EN COÖRDINATIEPROBLEMEN
Een gesloten economie met overheid en investeringen
o De kringloop voor een gesloten economie
• Overheid: netto-belastingen, beschikbaar inkomen van de gezinnen
• Overheid heft niet alleen belastingen maar herverdeelt ook via de sociale zekerheid
• Beschikbaar inkomen van de gezinnen = het verschil tussen het inkomen voor
belasting en de nettobelasting
o Coördinatieproblemen (zoals investeringen en spaarparadox)
• Realiteit wijkt af van ijkmodel perfecte mededinging (bvb. Informatieproblemen)
• Macro-eco: studie situaties waarin coördinatiemechanisme niet goed functioneert
o Netto-belasting = wat overheid overhoudt nadat ze belastingen heeft uitgegeven en na de
transfer die ondersteuning door de overheid aan de bevolking inhoudt ( bv. geven uitkeringen)
o Bij volmaakte mededinging:
• Het prijsmechanisme coördineert de markt
• Vraagoverschot, Prijs zal stijgen
• Gevraagde hoeveelheid ↓, aangeboden hoeveelheid ↑
• Dus: coördinatie via prijsmechanisme
o In de werkelijkheid:
• informatieproblemen bij onvolmaakte mededinging zorgen ervoor dat het
coördinatiemechanisme vaak niet perfect functioneert.
• Werkloosheid kan dus ook onbedoeld zijn door coordinatieproblemen


4

Inhoudsopgave

  1. 01 HOOFDSTUK 16. MACRO-ECONOMISCHE ANALYSE 2
    1. INLEIDING 2
    2. 1.ECONOMISCHE KRINGLOOP & WET VAN SAY 2
    3. 2.INFORMATIE- EN COÖRDINATIEPROBLEMEN 4
    4. Een gesloten economie met overheid en investeringen 4
    5. o De kringloop voor een gesloten economie 4
    6. • Overheid: netto-belastingen, beschikbaar inkomen van de gezinnen 4
    7. • Overheid heft niet alleen belastingen maar herverdeelt ook via de sociale zekerheid 4
    8. • Beschikbaar inkomen van de gezinnen = het verschil tussen het inkomen voor belasting en de nettobelasting 4
    9. o Coördinatieproblemen (zoals investeringen en spaarparadox) 4
    10. • Realiteit wijkt af van ijkmodel perfecte mededinging (bvb. Informatieproblemen) 4
    11. • Macro-eco: studie situaties waarin coördinatiemechanisme niet goed functioneert 4
    12. o Netto-belasting = wat overheid overhoudt nadat ze belastingen heeft uitgegeven en na de transfer die ondersteuning door de overheid aan de bevolking inhoudt ( bv. geven uitkeringen) 4
    13. o Bij volmaakte mededinging: 4
    14. 3.EVOLUTIE IN HET MACRO-ECONOMISCH DENKEN 6
  2. 02 HOOFDSTUK 17. NATIONALE REKENINGEN 7
    1. INLEIDING 7
    2. Waarom nationale rekeningen? 7
    3. o 19de eeuw: bewust van economische schommelingen 7
    4. • Geen denkkader 7
    5. • Geen methodologie om statistieken te verzamelen 7
    6. o Jaren 1930: stroomversnelling (depressie jaren 1930) 7
    7. • Macro-economische theorie (J.M. Keynes) 7
    8. • Statistisch apparaat voor meting economische activiteit 7
    9. • = nationale boekhouding of nationale rekeningen (S. Kuznets en R. Stone) 7
    10. o Geharmoniseerd 7
    11. • Wereldwijd: SNA (System of National Accounts – UN) 7
    12. • EU: ESA (Nl: ESR); ESR95 → ESR2010 7
    13. o Streeft volledigheid en nauwkeurigheid na 7
    14. • Maar feitelijke empirische invulling vaak ‘benaderend’ 7
    15. • o.a. o.b.v. steekproeven, schattingen, gissingen, extrapolaties 7
    16. o Twee grote troeven: 7
    17. • 1. Volledigheid 7
    18. ▪ Vandaar bv. voor inkomen, revival via Piketty: 7
    19. ▪ DINA’s(Distributional National Acounts) 7
    20. • 2. conceptueel: consistentie 7
    21. ▪ zie Figuur 1.1 (Hoofdstuk 1): inkomen ≡ toegevoegde waarde 7
    22. ▪ Leidt tot drie zijden van dezelfde medaille: 7
    23. • 1. bruto binnenlands product 7
    24. • 2. nationaal inkomen 7
    25. • 3. Bestedingen 7
    26. Terminologie van Nationale rekeningen: sectoren en rekeningen 8
    27. o Economische agenten: ‘institutionele sectoren’ 8
    28. • S11 en S12: ondernemingen (resp. niet-financiëel en financiëel) 8
    29. • S14 : gezinnen (+ ook S15: “vzw’s) 8
    30. • S13: overheid 8
    31. • S1: binnenlandse economie (S2: buitenland) 8
    32. o Activiteiten in ‘rekeningen’ (die genummerd worden) 8
    33. • I. productierekening 8
    34. • II.1. Inkomensverdelingsrekening (primair) 8
    35. • II.2. Inkomensverdelingsrekening (secundair: na belastingen en transfers) 8
    36. • II.4. Inkomensbestedingsrekening (consumptie en sparen) 8
    37. 1.BRUTO BINNENLANDS PRODUCT 8
    38. Terminologie 8
    39. 2.DE BETALINGSBALANS 14
    40. De drie rekeningen registreren de oorsprong en de aanwending van de middelen 14
    41. o Betalingsbalans: 14
    42. • Waarde van economische transacties 14
    43. • Die gedurende gegeven jaar plaatsvinden 14
    44. • Tussen land en rest van de wereld 14
    45. o Betreft stroomvariabelen 14
    46. o Drie horizontale rubrieken, twee verticale 14
    47. o Tabel: de structuur van de (Belgische) betalingsbalans 14
    48. 3.HET NATIONAAL INKOMEN 17
    49. Inleiding 17
    50. o Nationaal: overgang van grondgebied naar nationaliteit 17
    51. • grondgebied: territoriale omschrijving 17
    52. • nationaal inkomen: inkomen waarover ‘Belgen’ beschikken 17
    53. o Verschil met binnenlands product: 17
    54. • Belgische rechtspersonen ontvangen inkomen uit buitenland 17
    55. • deel van binnen Belgische grenzen gecreëerde toegevoegde waarde wordt uitbetaald aan niet-Belgen 17
    56. o Voorbeelden 17
    57. • loon inwoner van Maastricht voor werk in Maasmechelen hoort bij Belgische bbp en Nederlandse bni 17
    58. • dividenden Belgische aandeelhouders Microsoft behoren niet tot Belgische bbp, maar wel tot Belgische bni 17
    59. Het bruto en netto nationaal inkomen 17
    60. o Bruto nationaal inkomen 17
    61. • = Bruto binnenlands product 17
    62. • + Instroom van factorinkomens uit buitenland (FIBin) 17
    63. • – Uitstroom van factorinkomens naar buitenland (FIBuit) 17
    64. • NFIB = netto factorinkomens 17
    65. ▪ Negatief: bvb. Luxemburg en Ierland (bbp >> bni) reden: veel buitenlandse investeringen, dus stroom van dividendenen intresten naar buitenland 17
    66. ▪ Positief: bvb. Zwitserland 17
    67. • Afhankelijk van de relatieve grootte van inkomende en uitgaande factorinkomens, kan het netto factorinkomen positief of negatief zijn. 17
    68. ▪ België heeft een NFIB van 0,2 ⇒ bbp is bijna gelijk aan bni 17
    69. ▪ Luxemburg heeft een NFIB van -44,1 ⇒ grote uitstroom van geld naar het buitenland 17
    70. ▪ Japan heeft een NFIB van 4,0 ⇒ grote instroom van geld uit het buitenland 17
    71. o Netto nationaal inkomen 17
    72. • NNI = BNI - Dep. 17
    73. = BBP + NFIB - Dep 17
    74. o Netto Nationaal beschikbaar Inkomen (+ netto binnenlandse vraag en de lopende rekening) 18
    75. • Verband tussen nnbi en binnenlandse vraag (17.10) 18
    76. NNBI en binnenlandse vraag: Lopende rekening 18
    77. o Netto ‘inkomen’ uit het buitenland (LR): 18
    78. • via saldo handelsbalans (X-Z) 18
    79. • via netto factorinkomens (NFIB) 18
    80. • via netto transfers (NTRA) 18
    81. o Het saldo van de Lopende Rekening 18
    82. o Hieruit kunnen we afleiden dat 18
    83. o Deficit op LR: nnbi < netto binnenlandse vraag 18
    84. • als de binnenlandse vraag groter is dan het beschikbaar inkomen, er een deficit ontstaat op de Lopende Rekening 18
    85. • Land geeft meer uit dan binnenkomt: ‘leeft boven zijn stand’ 18
    86. • Tekort financieren door 18
    87. ▪ te ontlenen in buitenland (buitenlandse schuld opbouwen) 18
    88. ▪ Internationale reserves te verkopen 18
    89. o Surplus op LR: nbbi > netto binnenlandse vraag 18
    90. • als de binnenlandse vraag kleiner is dan het beschikbaar inkomen, ontstaat er een surplus op de Lopende Rekening 18
    91. • land geeft minder uit dan zijn beschikbaar inkomen 18
    92. • het overschot leidt tot 18
    93. ▪ opbouwen van vorderingen tegenover andere landen 18
    94. ▪ Internationale reserves opbouwen 18
    95. ▪ afbetaling van buitenlandse schuld 18
    96. o Niet verwonderlijk: de som van de saldi op de LR van alle landen ter wereld = 0 18
  3. 03 HOOFDSTUK 18. HET BBP ALS MAATSTAF VAN DE ECONOMISCHE ACTIVITEIT 21
    1. HET BBP ALS MAATSTAF VAN DE ECONOMISCHE ACTIVITEIT 21
    2. Inleiding 21
    3. o H17 nationale rekeningen – bbp in niveau (502 miljard in 2021) 21
    4. o maar in krant, radio/TV 21
    5. o Terminologie: groei, recessie 21
    6. o hoofdstuk 17: nationale rekeningen als niveau van macro-economische grootheden 21
    7. o hoofdstuk 18: twee nieuwe elementen 21
    8. • 1. verandering van het niveau van grootheden 21
    9. ▪ beschrijft evolutie economische activiteit (‘groei’) 21
    10. ▪ in euro’s 21
    11. ▪ procentueel 21
    12. ▪ a.h.v. indexcijfer 21
    13. • 2. reëel BBP versus nominaal BBP 21
    14. ▪ Notatie: 21
    15. Nominaal en reëel bbp 21
    16. o bbp: aggregaat (= som) van waarden (van finale goederen) 21
    17. • waarde: product van prijs en hoeveelheid 21
    18. o gevolg: veranderingen in bbp kunnen komen van 21
    19. • veranderingen in hoeveelheden 21
    20. • veranderingen in prijzen 21
    21. • beide 21
    22. o welvaart: 21
    23. • hangt af van hoeveelheden 21
    24. • => prijzen: buiten beschouwing laten 21
    25. o reëel bbp: prijswijzigingen wegfilteren; hoe? 21
    26. Tabel 18.1: evolutie van het bbp in een fictieve economie 21
    27. o bbp tegen lopende prijzen of nominaal bbp ( gebruikt geldende prijzen in ‘lopende jaar’ 2023 (lopende prijzen) 21
    28. o bbp tegen constante prijzen of reëel bbp ( gebruikt constante prijzen uit een basisjaar (hier kiezen we 2023) 21
  4. 04 HOOFDSTUK 19. GELD EN HET BANKWEZEN 32
    1. WAAROM GEBRUIKEN WE GELD? 32
    2. Waarom geldmarkt bestuderen? 32
    3. o Zonder geld zijn er geen ‘nominale’, maar enkel 32
    4. • reële grootheden 32
    5. • en relatieve prijzen 32
    6. o Maar geld is niet neutraal 32
    7. • ⇒ motivatie voor macro-economische analyse (→ H18) 32
    8. • financiële crisis: geldhoeveelheid ↓; heeft reële effecten 32
    9. • beleidsreactie: geldhoeveelheid ↑; om reële effecten te bekomen 32
    10. o Start van de kredietcrisis in augustus 2007 32
    11. Hoe geldmarkt bestuderen? 32
    12. De geschiedenis van het geld 32
    13. o Ruilhandel: Goederen en diensten worden rechtstreeks uitgewisseld (directe ruil) 32
    14. • Geen eenduidige rekeneenheid (1 koe ≈ 2 geiten ≈ 40 kippen ≈ 400 liter wijn) 32
    15. • Groot aantal ruilverhoudingen 32
    16. • Moeilijk om op te potten 32
    17. o Goederengeld: Waardevaste goederen, die door iedereen gewild zijn, dienen tot betaalmiddel (indirecte ruil) 32
    18. • Bv. Zeldzame schelpen, leder, zout (= salaris) 32
    19. o Goud (en andere metalen): Goud is het bekendste voorbeeld van goederengeld 32
    20. • Garantie op gewicht en kwaliteit? 32
    21. • Alexander de Grote (4e eeuw v.Chr.) 32
    22. • Transport van goud is erg risicovol. 32
    23. o Bankbiljetten: Een bankbiljet is een papieren substituut voor goud 32
    24. • Goudsmid bewaart goud en geeft een schuldbekentenis/geldwissel (= een brief) in de plaats 32
    25. • goudsmid wordt bankier 32
    26. • De geldwissel stond op naam van de koopman (impliceert dat alleen de koopman zijn goud kanterughalen) 32
    27. • Later stond de naam van de goudsmid op deze geldwissel (impliceert dat de geldwissel kon doorgegeven worden) 32
    28. • Om ook in andere landen te kunnen handelen en misbruik te voorkomen, werden centrale banken opgericht. 32
    29. Geld als waardemeter 33
    30. o “geld” is de maatstaf om waarde van verschillende goederen te vergelijken 33
    31. o Geld is een rekeneenheid, zoals liter, kilogram,... 33
    32. Geld als algemeen aanvaard ruilmiddel 33
    33. o primitieve samenlevingen: directe ruil 33
    34. • inefficiënt: meerdere ruilverhoudingen of ‘markten’ 33
    35. • 10 goederen => 45 markten 33
    36. • 100 goederen => 4950 markten 33
    37. o geld laat indirecte ruil toe 33
    38. • vereenvoudiging: evenveel markten als goederen 33
    39. • goed A wordt gewisseld tegen geld, geld wordt gewisseld tegen B 33
    40. o geldvraag mee bepaald door aantal transacties en waarde ervan 33
    41. o transactievraag naar geld 33
    42. • De vraag naar geld wordt bepaald door de grootte van de economie, gemeten in nominaal BBP: hoe groter de economie, hoe meer transacties er plaatsvinden, hoe groter de vraag naar geld 33
    43. o als economie groeit en/of prijzen stijgen: meer geld “nodig” 33
    44. • P en Q spelen belangrijke rol in vraag naar geld (Fisher-vergelijking) 33
    45. Geld als beleggingsmiddel 33
    46. o Ook alternatieve beleggingsvormen 33
    47. • Reële activa: huis, schilderijen,.... 33
    48. • Financiële activa: aandelen, obligaties, spaarrekening,... 33
    49. o Geld als beleggingsmiddel 33
    50. • voordeel: heel liquide 33
    51. • nadeel: geen gebruikswaarde; geen rendement 33
    52. Goederengeld 34
    53. o = goederen die dienst doen als algemeen aanvaard ruilmiddel 34
    54. o Elk object dat deze drie functies vervult 34
    55. • waardemeter (rekeneenheid) 34
    56. • algemeen aanvaard ruilmiddel 34
    57. • "beleggingsinstrument" 34
    58. o Noemen we ‘geld’ 34
    59. • schelpen op strand 34
    60. • bijzondere knikkers op speelplaats 34
    61. • vee 34
    62. • sigaretten (in concentratiekamp, zie bijv. Primo Levi, Radford) 34
    63. o Eigenschappen 34
    64. • schaars (moeilijk vermeerderbaar ⇒ drankbons) 34
    65. • duurzaam, deelbaar (edele metalen) 34
    66. Van goud naar bankbiljetten en deposito’s 34
    67. o twee stappen in het proces van geldcreatie: 34
    68. • geldsubstitutie: geld neemt andere vorm aan 34
    69. • kredietverlening: wel extra geld in omloop 34
    70. historisch – ontstaan van papieren (chartaal) geld (p.597–599) 34
    71. zelfde verhaal voor ontstaan giraal geld (p.599-602) 35
    72. Denk aan de goudsmid 35
    73. o De goudsmid/geldbewaarder/bank wil ook geld verdienen en merkt dat goud/geld niet vaak opgevraagd wordt... 35
    74. o Vroeger: 35
    75. • Goud wordt bij de bank gedeponeerd 35
    76. • Bankbriefjes worden in ruil gegeven 35
    77. • De goudsmid leent het goud uit om interesten te verdienen. 35
    78. o Nu: 35
    79. • Bankbriefjes worden bij de bank gedeponeerd. 35
    80. • Rekeningstand wordt verhoogd. 35
    81. • De bank verschaft leningen om interesten te verdienen. 35
    82. o Kasreservecoëfficiënt/dekkingscoëfficiënt (r) = percentagegoud/geld dat de goudsmid/bank in zijn kluis houdt, de rest kan hij opnieuw uitlenen. 35
    83. o Goudsmid A bewaart 1000 gouden munten (MB = geldbasis),waarvoor hij een schuldbrief (=voorloper van papieren geld) uitgeeft aan de eigenaar. (fase 1) 35
    84. • Hij leent 900 gouden munten uit wanneer r = 10%. (fase 2) 35
    85. • De ontlener kan die 900 gouden munten gebruiken om betalingen te doen 35
    86. • Geld in omloop: 1000 + 900 gouden munten 35
    87. • Kredietverlening → Geldcreatie 35
    88. o Persoon aan wie ontlener 900 munten betaalt, kan deze deponeren bij goudsmid B, die op zijn beurt een schuldbrief uitgeeft. (fase 3) 35
    89. • 900 gouden munten vervangen door bankbriefjes 35
    90. • Geld in omloop: (nog steeds) 1900 gouden munten 35
    91. • Geldsubstitutie (chartaal geld wordt vervangen door giraal geld) 35
    92. De basismechanismen van geldcreatie 36
    93. o Balans van deze bank-geldbewaarder 36
    94. o Geldsubstitutie: schuldbekentenis vervangt goudmunten 36
    95. o Geldhoeveelheid 36
    96. • M = CH + D = 0 + 1000 = 1000 36
    97. • CH = CHartaal geld bij publiek 36
    98. • R hoort niet bij geldhoeveelheid! 36
    99. o Kredietverlening: Janssens krijgt lening van 900 munten 36
    100. o Geldcreatie 36
    101. • M = ? 36
    102. o Geldsubstitutie 36
    103. • Janssens gebruikt 900 munten om Peeters te betalen 36
    104. • Peeters brengt munten naar de bank 36
    105. o Kredietverlening 36
    106. • Bank heeft overschot aan liquiditeiten (? > 0,10) 36
    107. • Extra krediet van 810 mogelijk (? = 0,10) ⇒ opnieuw geldcreatie 36
    108. o Proces van geldcreatie gaat door (vul zelf aan) 36
    109. o Dit voorbeeld: MB = 1000 en ? = 0,10 36
    110. De basismechanismen van geldcreatie 37
    111. o historisch: creatie papiergeld vanuit gouden munten 37
    112. o essentie: 37
    113. • Kredietverlening door “geldbewaarder” die bank wordt 37
    114. • mits vrijwaring van inwisselbaarheid (convertibiliteit) 37
    115. • vertrouwen essentieel: ‘fiduciair’ geld of ‘fiat’ money 37
    116. • (papiergeld op zich heeft geen intrinsieke waarde) 37
    117. o ook inwisselbaarheid bankbriefjes tegen goud afgeschaft 37
    118. • geen rem meer op geldcreatie door monetaire overheid (soms nauw verweven met fiscale overheid ...) 37
    119. o grootste risico: vertrouwen dat wegvalt 37
    120. • vandaar: monopolisering bankbiljettenuitgifte (na eerste WO) 37
    121. • Maar, er blijft kans op een bankencrisis wanneer banken aan overdreven kredietexpansie doen (solvabiliteit vs. liquiditeit) 37
    122. • Centrale Bank: grotere stabiliteit van banksysteem, liquiditeit als“lender of last resort” 37
    123. Vertrouwen in inwisselbaarheid is essentieel 37
    124. Broosheid van het bankstelsel 37
    125. o Looptijdtransformatie 37
    126. • Asymmetrie in termijnstructuur van enerzijds passiva van banken (vooral deposito’s) en anderzijds activa van banken (kredieten) 37
    127. • Passiva: korte looptijd, deposito’s kunnen op elk moment worden opgevraagd 37
    128. • Activa: kredieten met lange looptijd 37
    129. • ➔ ‘banks borrow short and lend long’ 37
    130. o Domino-effect 37
    131. • Erosie van vertrouwen ten opzichte van één bank met liquiditeitsproblemen leidt tot: 37
    132. • Negatieve externaliteiten in die zin dat andere banken (die misschien wél gezond zijn) ook worden meegesleurd 37
    133. • ➔ Imperfecte informatie voor het publiek ligt aan de basis van dit probleem 37
    134. L’Histoire se répète 37
    135. o Bankencrisis jaren dertig 37
    136. • Moral hazard 37
    137. ▪ Banken vermoeden dat overheid toch zal helpen bij problemen 37
    138. ▪ Dit leidt tot risicovolle investeringen 37
    139. • Belangrijke les: bankiers moeten beperkt worden in nemen van risico’s ➔ scheiding tussen gewone banken en zakenbanken werd ingevoerd door overheid MAAR in de jaren ‘80 en‘90 wordt deze strikte scheiding opgeheven ... 37
    140. o Bankencrisis 2008 37
    141. • Zeepbel 37
    142. ▪ Zelfversterkend mechanisme: 37
    143. ▪ Stijgende aandelenkoersen ➔ waarde van onderneming neemt toe ➔ makkelijker om krediet te krijgen 37
    144. ▪ Stijgende huisprijzen ➔ waarde van huizen neemt toe ➔ makkelijker om (tweede) hypotheek te krijgen 37
    145. • Ook banken zelf gingen meer lenen, dit hefboomeffect noemen we ‘leveraging’ 37
    146. Tussenkomst overheid gerechtvaardigd? 38
    147. o Ja, want bij faillissement banken... 38
    148. • Mensen verliezen hun vermogen. 38
    149. • Kredietverlening komt tot stilstand. 38
    150. • Er ontstaat achteruitgang van de economische activiteit. 38
    151. o Ja maar, want men had enkel de banken kunnen redden en niet hun aandeelhouders, obligatiehouders en management ... 38
    152. De basismechanismen van geldcreatie 38
    153. o Geldhoeveelheid (= M) bestaat uit het chartaal geld in de handen van het publiek (= CP) en de deposito's bij de banken (= D), kortom het geld in omloop: M = CH + D 38
    154. • Chartaal geld in handen van publiek (CH) 38
    155. • Deposito’s bij banken (D) 38
    156. o Geldbasis = "monetary base", MB) is verdeeld over het chartaal geld in de handen van het publiek (= CP) en de kasreserves van de banken (= R): MB = CH + R 38
    157. • Chartaal geld in handen van publiek (CH) 38
    158. • Kasreserves van banken (R) 38
    159. o Geldbasismultiplicator (mm) 38
    160. • Verhouding tussen M en MB 38
    161. • mm = money multiplicator 38
    162. • MB = geldbasis 38
    163. • r = kasreservecoëfficiënt ( rol voor de centrale bank 38
    164. • c = chartale geldvoorkeur ? ( C = CH/(CH + D) 38
    165. • Voorbeeld hierboven: c = 0 ( MB = 100 ( M = 1000 38
    166. • ? = 10% = R/D (Van elke 10 euro die een bank ontvangt, zal ze 1 euro als kasreserve aanhouden) 38
    167. • c = 25% = CH/(D+CH) (Van elke 4 euro die het publiek heeft, houdt men 1 euro aan als chartaal geld en 3 euro onder vorm van deposito’s) 38
    168. • Geldbasismultiplicator 38
    169. • Indien de centrale bank voor 1 miljard basisgeld in omloop brengt, zal de totale geldhoeveelheid toenemen met 3,08miljard 38
    170. o Chartale geldvoorkeur (c) 38
    171. • Chartale geldvoorkeur ↓ ⇒ geldscheppend vermogen banken ↑ 38
    172. ▪ mm maximaal als c = 0 ⇒ mm = 1/? 38
    173. ▪ mm minimaal als c → 1 ⇒ mm = 1 38
    174. • Afhankelijk van 38
    175. ▪ voorkeuren en betalingsgewoonten 38
    176. ▪ technologie en kosten van afhalen 38
    177. ▪ intrestvoet 38
    178. o Kasreservecoëfficient (?) 39
    179. • Kasreservecoëfficiënt ↓ ⇒ geldscheppend vermogen ↑ 39
    180. • Mede bepaald door: 39
    181. ▪ ervaringen met opvraging deposito’s 39
    182. ▪ intrestvoet 39
    183. ▪ wettelijke bepalingen: minimale kasreservecoëfficiënt (ECB legt bijv.1% op in eurozone) 39
    184. Geldcreatie samengevat 39
    185. o Des te minder chartaal geld het publiek wenst aan te houden ten opzichtevan het aantal zichtdeposito’s, des te meer giraal geld kunnen banken creëren (Ceteris paribus!) 39
    186. o (ii) Des te lager de kasreservecoëfficiënt banken mogen/willen aanhouden,des te groter is het geldscheppend vermogen van banken (Ceterisparibus!) 39
    187. o (iii) Des te meer bankbiljetten de ECB direct of indirect in de markt brengt, des te groter is de geldexpansie (Ceteris paribus!) 39
    188. Geldhoeveelheid in enge zin 39
    189. Geldhoeveelheid in ruime zin 39
  5. 05 HOOFDSTUK 23. DE WISSELKOERS, INTERNATIONAAL VERKEER EN NETTO-EXPORT 48
    1. WISSELMARKTEN: ALTIJD ACTUEEL 48
    2. Inleiding 48
    3. o Wisselkoers van de euro in dollar? 48
    4. • €1 = $1,07 48
    5. • = prijs van de euro uitgedrukt in dollar = notering met vaste waarde in binnenland (voor eurozone) 48
    6. o Wisselkoers van de dollar in euro? 48
    7. • $1 = 1/ 1,07 = €0,94 48
    8. • = prijs van de dollar uitgedrukt in euro = notering met vaste waarde in buitenland 48
    9. De wisselkoers 48
    10. o link met rol van 'geld' als ruilmiddel 48
    11. o handel in één specifiek land: nationaal ruilmiddel 48
    12. o handel tussen verschillende landen: verschillende munten 48
    13. o wisselkoers: prijs binnenlandse munt uitgedrukt in termen buitenlandse munt (of vice versa) 48
    14. o we maken een onderscheid tussen bilaterale en effectieve wisselkoersen en tussen nominale en reële wisselkoersen. 48
    15. Nominale wisselkoers: enkele begrippen 48
    16. o wisselmarkt (FOREX: FOReign EXchange market): markt waar nationale munt geruild wordt tegen buitenlandse munten 48
    17. o buitenlandse munten= buitenlandse deviezen= buitenlandse valuta 48
    18. o munten die door betrokken centrale banken vrij worden ingewisseld tegen munten van andere landen zijn convertibel 48
    19. o wisselkoers (???? ??????): prijs van de binnenlandse munt uitgedrukt in eenheden buitenlandse munt ( bv ? ??? ??? : hoeveel dollar is nodig om 1 euro te kopen 48
    20. o wisselkoers die beperkt is tot twee munten en geen rekening houdt met de prijs van (verhandelbare) goederen. Deze wisselkoers (tussen bv. euro en dollar) noemen we de nominale bilaterale wisselkoers 48
    21. Nominale wisselkoers 48
    22. o voorbeeld wisselkoers: prijs van dollar in euro's ( $1 = €0,80 of $1 = ? ??? eur 48
    23. o noteren we als 48
    24. • relatieve prijs van één eenheid buitenlandse munt 48
    25. • notering met vaste waarde in buitenland – voor eurozone (nl. 1 $) 48
    26. o Tabel 1: Wisselkoersen 48
    27. Enkele begrippen: appreciatie versus depreciatie 49
    28. o depreciatie van dollar: dollars worden goedkoper 49
    29. • wisselkoers dollar daalt 49
    30. o keerzijde: appreciatie euro; euro’s worden duurder 49
    31. • wisselkoers euro stijgt 49
  6. 06 HOOFDSTUK 28. ECONOMISCHE GROEI OP LANGE TERMIJN 59
    1. FEITEN OVER ECONOMISCHE GROEI 59
    2. Zuid- vs. Noord-Korea 59
  7. 07 HOOFDSTUK 24. DE VRAAGZIJDE EN DE REELE SFEER 67
    1. EVENWICHT OP KORTE, MIDELLANGE EN LANGE TERMIJN 67
    2. Aggregatief aanbod (AA) op korte, middellange en lange termijn 67
    3. o De aggregatieve aanbodcurve legt een relatie tussen het bbp als indicator voor economische activiteit en het algemene prijspeil in de economie 67
    4. • Aggregatieve aanbod: AA 67
    5. • AA-curve op korte termijn: horizontaal door het ontbreken van prijseffecten die het gevolg zijn van wijzigingen in de productie 67
    6. DE GOEDERENMARKT OP KORTE TERMIJN: UITGANGSPUNTEN 67
    7. De goederenmarkt op korte termijn: uitgangspunten 67
    8. o Geen inflatie (geen geldmarkt, rente: exogeen) ≡ verwijst naar een identiteit 67
    9. o Terugkoppelingseffecten 67
    10. o Evenwicht op basis van drie stappen: 67
    11. • alleen private consumptie en exogene investeringen 67
    12. • overheid en endogene investeringen 67
    13. • open economie 67
    14. Uitgangspunt: een stabiel algemeen prijspeil 67
    15. o algemeen AV-AA-model 67
    16. • schommelingen in econ. activiteit (Q) en in P worden verklaard door verschuivingen van AV-curve en AA-curve 67
    17. • zie hoofdstuk 26 67
    18. o H25: speciaal geval AV-AA-model, nl. horizontale AA-curve 67
    19. • John M. Keynes: General Theory of Employment, Interest and Money (1936) 67
    20. • excess capaciteit => geen P-stijging nodig voor extra productie 67
    21. • alle schommelingen volgen dan uit ∆ vraag 67
    22. • hét voorbeeld: financieel-economische crisis 2008-2009 67
    23. o ≠ schokken aan aanbodzijde (H26) 67
    24. • olieprijsstijging, of – daling (bvb. olieschok 1974 en 1979) 67
    25. • loonkoststijging 67
    26. • technologische veranderingen die kosten doen ↓ 68
    27. EEN GESLOTEN ECONOMIE ZONDER OVERHEID 68
    28. Eenvoudig model: gesloten economie zonder overheid 68
    29. o ?? = ? + ? + ? + ? − ? 68
    30. o reduceert bij gesloten economie zonder overheid, tot: AV = C + I 68
    31. o beschikbaar inkomen Yb = nationaal inkomen Y want geen overheid, dus ook geen belastingen/transfers: Yb = Y 68
    32. o de investeringen zijn exogeen 68
    33. • = omvang van de investeringen wordt volledig buiten het model verklaart 68
    34. o veranderingen in AV, komen dus enkel van C of I 68
    35. De private consumptie C 68
    36. o Determinanten? ? = ? (??, vermogen, vertrouwen, ...) 68
    37. o Consumptiefunctie 68
    38. • ?1 = marginale consumptiequote 68
    39. • ?0 = autonome consumptie 68
    40. o Gemiddelde consumptiequote = de totale consumptie-uitgave per eenheid beschikbaar inkomen ( als C0 > 0 dan is de gemiddelde consumptiequote groter dan de marginale consumptiequote, maar wordt die meer benadert naarmate het beschikbaar inkomen toenee... 68
    41. o Sparen is het deel van het beschikbaar inkomen dat niet gebruikt wordt voor consumptie-uitgaven ( Marginale spaarquota 68
    42. De investeringen van de bedrijven 68
    43. o ? = geplande (ex ante) investeringen van de bedrijven (aankoop van nieuwe duurzame kapitaalgoederen en de gewenste veranderingen) 68
    44. o Macro-economisch evenwicht op goederenmarkt als er geen ongewilde voorraadwijzigingen zijn 68
    45. o Componenten? 68
    46. • Investeringen van de gezinnen en de bedrijven 68
    47. • Overheidsinvesteringen 68
    48. o Determinanten? 68
    49. • Verwachte inkomen 68
    50. • Overheidsconsumptie 68
    51. • Animal spirits (optimisme/pessimisme) 68
    52. • Inkomen ?, Rente ? en risicopremie ? 68
    53. o Formule 68
    54. o Veronderstelling hier: exogene investeringen 69
    55. De structurele vorm van een economisch model 69
    56. o Opbouw van het structurele model van de economie 69
    57. • Structurele vorm 69
    58. • Evenwicht 69
    59. • Onevenwicht 69
    60. ▪ Productie reageert op aggregatieve vraag (→ keynesiaans) 69
    61. ▪ ?? > nationaal product 69
    62. • ⇒ outputtekort (= vraagoverschot) 69
    63. • ⇒ voorraden ↓ ⇒ productie ↑ 69
    64. ▪ ?? < nationaal product 69
    65. • ⇒ outputoverschot (= vraagtekort) 69
    66. • ⇒ voorraden ↑ ⇒ productie ↓ 69
    67. Er zijn 3 manieren om het macro-economisch evenwicht te bepalen 70
    68. o Trial-and error 70
    69. o Grafische methode 70
    70. o Algebraïsche methode 71
    71. • gereduceerde vorm 71
    72. ▪ Onbekenden i.f.v. exogenen en parameters 71
    73. ▪ Numeriek voorbeeld: 71
    74. ▪ Spaarparadox 71
    75. Evenwicht anders bekeken: sparen = investeren 72
    76. o In evenwicht: 72
    77. o Investeringsvraag maw gelijk aan de weggelekte koopkracht, het sparen 72
    78. o Figuur 24.10: Sparen = verschil tussen inkomen (AA-curve) en consumptiefunctie 72
    79. • Stel inkomen = Y1 => S1 = Y1 - C1 < 0 72
    80. • Stel inkomen = Y2 => S2 = 0 72
    81. • Stel inkomen = Y3 => S3 = Y3 – C3 > 0 72
    82. o Grafieken 72
    83. 45 -diagram en beknopte evenwichtsvoorwaarde 72
    84. Comparatieve statica 72
    85. o Figuur 24.11: Impact wijziging van autonome bestedingscomponent op het evenwichtsinkomen 72
    86. Comparatieve statica via de multiplicator 73
    87. o Evenwichtsproductie 73
    88. o Evenwicht verandert als verklarende factoren veranderen 73
    89. o Bijvoorbeeld (autonome) investeringstoename Δ? = 25 73
    90. o Initieel evenwicht 73
    91. o Nieuw evenwicht 73
    92. o Verandering 73
    93. o Investeringstoename ⇒ meervoudige outputtoename 73
    94. o Investeringsmultiplicator 73
    95. • Toename in evenwichtsoutput per euro bijkomende investeringen 73
    96. • Afgeleide van ?? naar ? 73
    97. • Verklaring 73
    98. o verandering in evenwichtswaarde is gelijk aan: 73
    99. o multiplicator: 73
    100. o is afgeleide van ?? naar I, in de functie die evenwichtsniveauvan ?? uitdrukt als functie van exogenen en parameters: 73
    101. o hierboven: investeringsmultiplicator; maar er is een multiplicator voor elke exogene variabele in f , bv multiplicator voor ?0 73
    102. o Figuur 24.12: multiplicator stapsgewijs uitgelegd 74
    103. o Belang van de marginale consumptiequota 74
    104. EEN OPEN ECONOMIE MET OVERHEID (DIT ONDERDEEL WIJKT AF VAN HET HANDBOEK) 75
    105. Open economie met overheid 75
    106. o Aggregatieve vraag ?? = ? + ? + ? + (? – ?) 75
    107. o Rol voor de overheid?→ fiscaal-budgettair beleid 75
    108. o Rol voor het buitenland?→ in- en uitvoer 75
    109. Impact van de overheid op de aggregatieve vraag 75
    110. o AV = C + I + G 75
    111. o Directe en indirecte impact van overheid op ?? 75
    112. • directe impact: overheidsuitgaven ? ( worden vooral door het politieke exogene beslissingsproces bepaalt 75
    113. • indirecte impact: netto-belastingen ? 75
    114. • ⇒ beschikbaar inkomen van gezinnen ?? = ? – ? 75
    115. • ⇒ gezinsconsumptie ? = ?0 + ?1?? = ?0 + ?1 (? – ?) 75
    116. o Modellering 75
    117. • Exogene overheidsuitgaven: 75
    118. • Belastingen: 75
    119. o Overheidsdeficit hangt af van economische activiteit 75
    120. • Overheidsdeficit 75
    121. ▪ Structurele componenten G (met streepje boven) en T0 75
    122. ▪ Conjuncturele componenten t1Y 75
    123. • Hoe begrotingsbeleid beoordelen? 75
    124. ▪ Is er een deficit door structurele componenten? → beleidsfout door de overheid 75
    125. ▪ Is er een deficit door conjuncturele componenten? → geen beleidsfout aanwezig 75
    126. • verandering van het structureel of conjunctuur gezuiverd begrotingssaldo 75
    127. o Impact van overheid op macro-economisch evenwicht? 75
    128. • Totale vraag 75
    129. • Gezinsconsumptie 75
    130. • ⇒ bijkomend terugkoppelingseffect want niet alleen de consumptie, maar ook de belastinge hangen af van het (beschikbaar) inkomen 75
    131. • Gevolgen voor het 45 -diagram en multiplicatoren? 75
    132. 45 -diagram met overheid 76
  8. 08 HOOFDSTUK 22. DE OVERHEID 79
    1. BEGROTINGSSALDI 79
    2. Begrotingssaldi en het structureel tekort 79
    3. o Directe en indirecte impact van overheid op ?????? ????? 79
    4. • directe impact: overheidsuitgaven ? 79
    5. • indirecte impact: netto-belastingen ? 79
    6. • ⇒ beschikbaar inkomen van gezinnen ?? = ? – ? 79
    7. • ⇒ gezinsconsumptie ? = ?0 + ??? = ?0 + ? (? – ?) 79
    8. o Modellering 79
    9. o De middelenbegroting bestaat uit een wetsontwerp, tabellen met gedetailleerde ramingen van alle ontvangsten en een specifieke toelichting 79
    10. • Fiscale inkomsten: vinden hun basis in de fiscale wetgeving 79
    11. • Parafiscale inkomsten: gelijken sterk op belastingen, maar ontstaan niet in het fiscale wetboek 79
    12. • Niet-fiscale inkomsten: 79
    13. • Niet-parafiscale inkomsten: ontstaan door verkoop van goederen en diensten, dividenden van overheidsbedrijven of subsidies die de overheid van de Europese Unie ontvangt 79
    14. o De uitgavenbegroting bestaat uit een machtiging en een lijst met geraamde uitgaves 79
    15. o 2 soorten kredieten: 79
    16. • Vastleggingskredieten: bepalen welke verbintenis de overheid kan aangaan 79
    17. • Vereffeningskredieten: bepalen voor welk bedrag de overheid facturen mag aanvaarden 79
    18. o Overheidsdeficit hangt af van economische activiteit 79
    19. • Overheidsdeficit 79
    20. ▪ Structurele componenten 79
    21. ▪ Conjuncturele componenten 79
    22. • Hoe begrotingsbeleid beoordelen? → verandering van het structureel of conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo 79
    23. o Overheidssaldo wordt zelf endogeen (hangt af van Y) 79
    24. • D = G - T 79
    25. • D > 0 tekort of deficit 79
    26. • D < 0 overschot of surplus 79
    27. o ontvangsten T zijn endogeen, dus wordt ook D endogeen 79
    28. o teken D als functie van Y; dan kan D veranderen omdat: 80
    29. • curve verschuift (veranderingen intercept; structurele factoren) 80
    30. • Y verandert (bewegingen op de curve; conjuncturele factoren) 80
    31. o Endogeniteit overheidssaldo: 80
    32. • vandaar: belang van uitzuivering van conjuncturele factoren 80
    33. • uitgezuiverd tekort wordt “structureel saldo” genoemd 80
    34. • Bv. 2022: outputgap= 0% BBP: 80
    35. ▪ Verwacht nominaal vorderingensaldo: -4% BBP 80
    36. ▪ structureel vorderingensaldo: -4,2% BBP 80
    37. ▪ One-offs aan inkomstenzijde: 0,3% BBP 80
    38. DE OVERHEIDSSCHULD 80
    39. HET EUROPEES BEGROTINGSKADER 82
    40. Kern van het nieuwe kader: 82
    41. o Budgettair-structurele plannen op de middellange termijn met begrotingstraject, hervormingen en investeringen met een looptijd van vier jaar ( Nationaal ownership 82
    42. o Verlenging aanpassingstraject begroting mits hervormingen en investeringen ( RRF-methode 82
    43. o Eén operationele indicator: netto primaire uitgaven (uitgavennorm); schrappen van structureel vorderingensaldo als kompas ( Vereenvoudiging 82
    44. o Richtsnoeren: Referentietraject door Commissie (o.b.v. Debt Sustainability Analysis) ( Landspecifieke aanpak 82
    45. o Gewijzigde buitensporigtekortprocedure: naleving uitgavenpad (i.p.v. 1/20ste regel) & contolerekening ( Betere naleving en handhaving 82
    46. Overheidsuitgaven uitgezonderd van 82
    47. o rente-uitgaven (??) 82
    48. o discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde (????) 82
    49. o uitgaven voor EU-programma’s die volledig met inkomsten uit EU-fondsen worden gefinancierd 82
    50. o nationale co-financiering van EU-programma’s 82
    51. o cyclische elementen van de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen (??) 82
    52. o One-offs en andere tijdelijke maatregelen (??? ??????) 82
    53. o Formeel: net expenditure aggregate (NE) as single operational indicator 82
    54. Debt Sustainablity Analysis 82
    55. o Methodologie om te beoordelen dat schuldquote op een neerwaarts pad gezet wordt of op een prudent niveau blijft, gebaseerd op volgende criteria: 82
    56. • overheidsschuldquote moet dalen of op een prudent niveau blijven, volgens de deterministische scenario’s van medium-term debt projection framework van de COM 82
    57. • risico dat de overheidsschuldquote in de vijf jaar na de aanpassingsperiode niet daalt, is voldoende klein volgens de debt sustainability analysis van de COM 82
    58. o Eerste ronde van plannen: DSA als beschreven in Debt Sustainability Monitor 2023 (nog niet gepubliceerd) 82
    59. o Werkgroep onder EFC (nationale experten, COM, ECB; waarnemers ESM, EFB) om methodologie te verfijnen 82
    60. Vereisten en safeguards technisch traject 83
    61. o Vereisten voor technisch traject 83
    62. • De schuld is aan het einde van de aanpassingsperiode, zonder verdere maatregelen, op een plausibel neerwaarts pad gebracht of blijft op een prudent niveau 83
    63. • Het tekort wordt tijdens de aanpassingsperiode teruggedrongen en blijft onder de referentiewaarde van 3% bbp 83
    64. o Safeguards technisch traject 83
    65. • No-backloading safeguard: de budgettaire inspanning over de looptijd van het plan is “in de regel” lineair en ten minste evenredig aan de totale inspanning over de gehele aanpassingsperiode 83
    66. • Buitensporigtekortprocedure (BTP) safeguard: bij een BTP o.b.v. tekort geldt een minimale jaarlijkse structurele aanpassing van 0,5 % bbp 83
    67. • Debt sustainability safeguard: minimale jaarlijkse daling over aanpassingsperiode 83
    68. ▪ Schuldquote >90 % bbp: ten minste 1 %-punt bbp 83
    69. ▪ Schuldquote >60% - 90 % bbp: ten minste 0,5 %-punt bbp 83
    70. • Deficit resilience benchmark: veiligheidsmarge van 1,5 % bbp ten aanzien van het 3 % tekortcriterium 83
    71. ▪ Aanpassingstraject 4 jaar: jaarlijkse convergentie van 0,4 % bbp 83
    72. ▪ Aanpassingstraject 7 jaar: jaarlijkse convergentie van 0,25 % bbp 83
    73. Voorwaardelijke verlening van de aanpassingsperiode 83
    74. o Pakket van hervormingen en investeringen dat in zijn geheel, “als algemene regel”voldoet aan volgende criteria: 83
    75. • (i) Een verbetering inhouden van groei en weerbaarheid van de economie 83
    76. • (ii) Ondersteunen van budgettaire houdbaarheid; 83
    77. • (iii) Aanpakken van landspecifieke aanbevelingen; 83
    78. • (iv) Bijdragen aan de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU; 83
    79. • (v) het geplande nationaal publieke investeringsniveau tijdens het plan mag niet lager zijn dan het middellange termijn investeringsniveau voor het plan 83
    80. o Voor de eerste ronde van plannen kunnen RRF-investeringen en -hervormingen in achtgenomen worden 83
    81. Controlerekening 83
    82. o Registreert afwijkingen van het uitgavenpad, uitgedrukt in % bbp, op basis van de begrotingsresultaten (‘outturn data’) gerapporteerd in voortgangsrapport 83
    83. o Koppeling tussen preventieve en correctieve arm: Commissie stel trapport op (en mogelijke opening van een buitensporigtekortprocedure) wanneer op de controlerekening afwijkingen geregistreerd zijn van 83
    84. • 0,3 % bbp op jaarbasis 83
    85. • 0,6 % bbp cumulatief 83
    86. o Bij nieuw plan reset van de controlerekening 83
    87. Ontsnappingsclausules 84
    88. o Afwijkingen van uitgavenpad toegestaan in geval van ernstige economische terugval 84
    89. o Algemene ontsnappingsclausule 84
    90. • Activatie: Commissie aanbeveling en Raadsbeslissing 84
    91. • Verlenging (per jaar) 84
    92. • European Fiscal Board opinie bij verlenging 84
    93. o Nationale ontsnappingsclausule 84
    94. • Activatie: Verzoek van Lidstaat; Commissie aanbeveling en Raadsbeslissing 84
    95. • Verlenging (per jaar) 84
    96. Correctieve arm (buitensporigtekortprocedure, BTP) 84
    97. o BTP o.b.v. overschrijding tekortcriterum: grotendeels ongewijzigd 84
    98. o BTP o.b.v. overschrijding schuldcriterium: naleving van uitgavenpad in plaats van 1/20ste regel; drempelwaarden controlerekening (0,3 % bbp jaarbasis; 0,6 % bbpcumulatief) 84
    99. o Aangepaste relevante factoren: implementatie van hervormingen en investeringen; defensie-uitgaven 84
    100. o Raadsaanbevelingen bij buitensporig tekort: 84
    101. • Deadline voor correctie van buitensporig tekort 84
    102. • Verzoek dat LS correctief uitgavenpad implementeert dat: 84
    103. ▪ Tekort onder 3% houdt of brengt 84
    104. ▪ Bij tekort-BTP: minimale structurele aanpassing van 0,5% bbp garandeert 84
    105. ▪ Bij schuld-BTP: minstens even strikt is als oorspronkelijke netto uitgavenpad én cumulatieve afwijkingen corrigeert zoals geregistreerd in controlerekening 84
    106. o Boetes: verlaagd naar 0,05 % bbp; opgelegd met “omgekeerde QMV”; elke 6 maand herhaald zo lang LS geen effectieve actie heeft ondernomen; geen limiet 84
  9. 09 HOOFDSTUK 25. HET IS-LM-model 85
    1. INLEIDING 85
    2. Algemeen overzicht 85
    3. o Hoofdstuk 18: onderscheid tussen 85
    4. • Langetermijngroei 85
    5. • schommelingen economische activiteit rond die langetermijngroei 85
    6. o Hoofdstuk 28: modellen die langetermijngroei verklaren (Solow-model) 85
    7. o Hoofdstuk 24-26: modellen die fluctuaties in economische activiteit rond langetermijngroei verklaren 85
    8. o Hoofdstuk 25: korte termijn evenwicht in reële én monetaire sfeer 85
    9. Opmerkingen leeswijzer 85
    10. o 25.1.3.3 niet te kennen en 25.2.4 niet te kennen en 25.3 niet te kennen 85
    11. HET IS-LM-MODEL 85
    12. Inleiding 85
    13. o geeft effecten weer op economische activiteit van schokken uit 85
    14. • reële sfeer (vertrouwen; effect wisselkoers; Brexit; Corona; oorlog...) 85
    15. • monetaire sfeer (financiële crisis; credit crunch; rente-verhoging...) 85
    16. • en vooral: de interactie ertussen 85
    17. o vat twee van de drie instrumenten van economisch beleid: 85
    18. • monetair beleid (expansief/restrictief) 85
    19. • fiscaal-budgettair beleid of begrotingspolitiek (expansief/restrictief) 85
    20. o IS-deel verwijst naar investment and savings: de goederenmarkt is in evenwicht indien de investeringen gelijk zijn aan de besparingen 85
    21. Het verband tussen de reële en de monetaire sfeer 85
    22. o Economische activiteit (Y) bepaalt de rente (r) ( rechts deel schema 85
    23. o Rente (r) bepaalt de economische activiteit (Y) ( Links deel schema 85
    24. o Economische activiteit bepaalt de rente 85
    25. o Rente bepaalt de economische activiteit 85
    26. o IS-LM → interactie tussen reële en monetaire sfeer 86
    27. IS-curve (Reële sfeer) 86
    28. o Combinaties van rente ? en output ? waarvoor reële sfeer in evenwicht is 86
    29. o Genoemd naar beknopte evenwichtsvoorwaarde ? = ? 86
    30. o De IS-curve bepaalt voor elk renteniveau het inkomen waarvoor geldt dat de goederenmarkt in evenwicht is 86
    31. De IS-curve grafisch 86
    32. o Punten op de IS-curve geven een evenwicht in de reële sfeer weer. 86
    33. o Gegeven de rente r, wat is het evenwichtsinkomen Y? 86
    34. o links van IS-curve: AV > AA 86
    35. o rechts van IS-curve: AV < AA 86
    36. De IS-curve: algebraïsch (kunnen interpreteren – niet kunnen afleiden) 86
    37. o Hoofdstuk 24 §3: evenwichtsoutput reële sfeer (gesloten economie) 86
    38. o ... zonder interactie met monetaire sfeer want 86
    39. o IS-curve: evenwicht met interactie want 86
    40. De IS -curve: helling 87
    41. Lm-curve 87
    42. o Combinaties van rente ? en output ? waarvoor monetaire sfeer in evenwicht is 87
    43. o Staat voor Liquidity and Money 87
    44. o Bepaalt voor elk inkomensniveau de rente waarvoor de geldmarkt in evenwicht is 87
    45. o Genoemd naar evenwicht tussen de geldvraag (“Liquidity preference”) en het geldaanbod (“Money supply”) 87
    46. o → let op, ? = ? + ?? (?? wordt hier verondersteld constant te zijn, dus speelt geen rol) 87
    47. Lm-curve: grafisch 88
    48. o Punten op de LM-curve geven een evenwicht in de monetaire sfeer weer 88
    49. o Gegeven het inkomen Y, wat is de evenwichtsrente i? 88
    50. o Boven van LM-curve: ?? > ?? 88
    51. o Onder van LM-curve: ?? < ?? 88
    52. LM-curve: algebraïsch (kunnen interpreteren – niet kunnen afleiden) 88
    53. o LM-curve: evenwicht op de geldmarkt 88
    54. • Geldvraag: 88
    55. • Geldaanbod: 88
    56. • ⇒ evenwichtsrente: 88
    57. o Helling? 88
    58. • ?1 = inkomensgevoeligheid van geldvraag 88
    59. • ?2 = interestgevoeligheid van geldvraag 88
    60. o Determinanten van verschuiving? 88
    61. • ?0 = ‘autonome’ geldvraag 88
    62. • ?? / ? = reëel geldaanbod 88
    63. LM-curve: helling 89
    64. o Inkomen stijgt: ?0 → ?1 89
    65. o Transactievraag naar geld neemt toe = ?? verschuift naar rechts. 89
    66. o ? neemt minder toe naarmate geldvraagcurve meer rentegevoelig (= vlakker) is 89
    67. o → Naarmate rentegevoeligheid van de geldvraag (?2) groter is, is LM-curve vlakker 89
    68. LM-curve: verschuivingen 89
    69. Evenwicht in het IS-LM-model 89
    70. o fiscaal-budgettair beleid: verandering in G en in T 89
    71. • multiplicator: kleiner met monetaire effecten 89
    72. • door stijging intrestvoet is er crowding-out (verdringingseffect) 89
    73. o monetair beleid: verandering in MS 89
    74. Evenwicht in het IS-LM-model: Grafisch 90
    75. Voorbeeld: het effect van een toename van de autonome investeringen 90
    76. o bvb. producenten zijn optimistischer over toekomst 90
    77. • Bemerk: voorbeeld is het omgekeerde van wat vandaag gebeurt (2019) 90
    78. o stap 1: IS-curve verschuift naar rechts 90
    79. • => intercept I0 neemt toe (“animal spirits”) 90
    80. • => multiplicatormechanisme in werking 90
    81. • => toename nationaal inkomen (Q↑) 90
    82. o stap 2: evenwicht reële sfeer (op IS), niet in monetaire sfeer 90
    83. • Q↑ => toename in transactievraag naar geld 90
    84. • => opwaartse druk intrestvoet voor evenwicht geldmarkt 90
    85. • beweging in richting LM-curve tot nieuw evenwicht 90
    86. o Q neemt dus toe en ook intrestvoet stijgt, maar... 90
    87. • Q neemt minder toe dan als de geldmarkt buiten beschouwing blijft 90
    88. • deel van effect gaat verloren door stijging van r (=i met verwachte inflatie gelijk aan nul), = crowding out 90
    89. o interactie monetaire en reële sfeer verkleint multiplicator 90
    90. • hoeveel hangt af van helling LM-curve: zie ook verder 90
    91. o andere schokken in exogene componenten van AV: 90
    92. • herstel consumentenvertrouwen: IS-curve naar rechts 90
    93. • verlies aan competitiviteit: IS-curve naar links 90
    94. • ... (bedenk zelf voorbeelden) 90
    95. • fiscaal-budgettair beleid 90
    96. Gevolgen van het coronavirus in het IS-LM model: daling van het consumentenvertrouwen 91
    97. Gevolgen van het coronavirus in het IS-LM model: daling van het consumenten- én producenten vertrouwen 92
    98. Gevolgen van het coronavirus in het IS-LM model: reactie van de budgettaire overheden 92
    99. Expansief Budgettair beleid 92
    100. ECONOMISCH BELEID IN HET IS-LM-MODEL 93
  10. 10 HOOFDSTUK 21. DE ARBEIDSMARKT 97
    1. INLEIDING 97
    2. Figuur 21.1. bevolking, beroepsbevolking, werkenden en werklozen in België (2020) 97
    3. Tabel 21.1. werkloosheids- en tewerkstellingsgraden voor groepen van werknemers in België en de eurozone (2020) 97
    4. o Werkloosheidsgraad is niet 1 – tewerkstellingsgraad 97
    5. INLEIDING SPECIFIEKEN KENMERKEN VAN DE ARBEIDSMARKT 97
  11. 11 HOOFDSTUK 26. HET AA-AV-MODEL 103
    1. INLEIDING 103
    2. DE AGGREGATIEVE VRAAG 104
    3. Inleiding 104
    4. o aggregatieve vraagcurve (AV): andere voorstelling IS-LM 104
    5. o LM-curve hangt af van de prijzen: 104
    6. o => evenwichtsniveau BBP hangt ook af van prijsniveau: 104
    7. o AV-curve: geeft voor elk niveau van P het evenwichtsniveau van het nationaal product Q (= BBP, inkomen, Y) 104
    8. o AV-curve toont grafisch het verband tussen de gevraagde hoeveelheid goederen en diensten en het algemene prijspeil in een economie (negatief verband) 104
    9. o Stijgt het algemene prijspeil ( dan zal vraag naar goederen en diensten dalen 104
    10. o Daalt algemene prijspeil ( dan neemt aggregatieve vraag naar goederen en diensten toe 104
    11. o kan grafisch afgeleid worden uit IS-LM-schema 104
    12. AV-curve grafisch 105
    13. o Negatief verband tussen 105
    14. • economische activiteit (? = ?) 105
    15. • en algemeen prijspeil (?) 105
    16. o Intuïtie? toename prijsniveau ? 105
    17. • ⇒ afname reële geldvoorraad 105
    18. • ⇒ evenwicht in geldmarkt bij hogere rente 105
    19. • ⇒ afname investeringen 105
    20. • ⇒ afname economische activiteit ? = Y 105
    21. o Verschuivingen van de AV-curve 106
    22. • Goederenmarkt: wanneer IS naar rechts verschuift, verschuift AV naar rechts. 106
    23. • Geldmarkt: wanneer LM naar onder verschuift, verschuift AV naar rechts. 106
    24. • Een schok in de reële sfeer (IS) of de monetaire sfeer (LM), zorgt voor een wijziging van het evenwichtsinkomen Y, gegeven het prijspeil P 106
    25. • → AV-curve verschuift horizontaal 106
    26. o Verschuiving en helling van de AV-curve 106
    27. DE AANBODZIJDE IN DE ECONOMIE EN HET AGGREGATIEVE AANBOD 106
    28. Inleiding 106
    29. o Aggregatieve aanbodcurve (AA) drukt relatie uit tussen P en Q: 106
    30. o Relatie wordt bepaald door: 106
    31. • Productiefunctie: inzet van productiefactoren bepaalt productie. 106
    32. • Arbeidsmarkt: gegeven tewerkstelling en prijsverwachtingen komt nominaal loon tot stand (zie H21). 106
    33. • Prijszettingsgedrag: op basis van nominale lonen bepalen ondernemingen hun prijzen. 106
    34. De arbeidsmarkt 107
    35. o Nieuwe elementen in dit hoofdstuk in vgl met H21: 107
    36. • Arbeidsmarktmodel is afhankelijk van tewerkstelling N i.p.v. werkloosheid u 107
    37. ▪ Arbeidsmarktmodel: omzetten van werkloosheid naar tewerkstelling. 107
    38. ▪ met N = aantal werkenden = tewerkstelling, L = beroepsbevolking 107
    39. ▪ Arbeidsmarktmodel in functie van tewerkstelling N 107
    40. • Nieuw element in model: productiviteit 107
    41. ▪ Productiviteit (A) beïnvloedt de onderhandelingen tussen WG en WN. Hoe hoger de productiviteit, hoe hoger de onderhandelde lonen 107
    42. ▪ Productiviteit (A) beïnvloedt de kostprijs per eenheid product. Loonkost voor bedrijf is dus gelijk aan W/A 107
    43. o Arbeidsmarktmodel in functie van tewerkstelling N 107
    44. o Met nieuw element: arbeidsproductiviteit A 108
    45. o Opmerking: in toepassingen/oefeningen maken we gebruik van het WS-PS-model in functie van werkloosheid u en zonder arbeidsproductiviteit A (zie H21) 108
    46. De productiefunctie 108
    47. o Verband tussen productie en inzet van productiefactoren (technologie A, kapitaal K, arbeid N,…) 108
    48. o ? = ? (?,?, ?, … ) 108
    49. o Veronderstellingen: 108
    50. • technologie en kapitaal constant 108
    51. • Lineaire productiefunctie: ? = ?N 108
    52. o Grafiek 108
    53. De AA-curve: algebraïsch 108
    54. o Positief verband tussen Q en P : 108
    55. • Q stijgt = tewerkstelling N stijgt 108
    56. • → Onderhandelingsmacht werknemers neemt toe 108
    57. • → Nominale lonen nemen toe 108
    58. • → Bedrijven verhogen prijzen P 108
    59. De AA-curve: grafisch 108
    60. De AA-curve 109
    61. o elke AA-curve is getekend voor verwacht prijsniveau 109
    62. o waarbij geldt: 109
    63. o als verwachte prijsniveau gelijk is aan P0 , dan gaat AA-curve door punt (P0 , Qn ) – punt A in de grafiek 109
    64. o als verwachte prijsniveau gelijk wordt aan P1 , dan gaat AA-curve door punt (P1 , Qn ) 109
    65. o is de verschuiving in grafiek: 109
    66. o conclusie: 109
    67. • op KT kan Q afwijken van natuurlijk outputniveau 110
    68. • op MLT niet 110
    69. o hoe lang duurt het voor nieuwe evenwicht in C wordt bereikt? 110
    70. • hangt af van snelheid waarmee prijsverwachtingen zich aanpassen 110
    71. • hangt (o.a.) af van looptijd (arbeids)contracten 110
    72. • of van (bvb.) automatische indexering lonen: AA-curve snel omhoog 110
    73. • ‘Adaptieve’ prijsverwachtingen: P e = Pt-1 (prijzen vorige periode) 110
    74. o leidt ook tot verschil tussen modellen en visies: 110
    75. • consensus: op LT zijn prijzen flexibel en economie tendeert naar Qn 110
    76. • over MLT: minder overeenstemming 110
    77. o ook natuurlijk outputniveau Qn kan wijzigen 110
    78. • verandering markmacht 110
    79. • flexibilisering arbeidsmarkt 110
    80. • productiviteitstoename, 110
    81. • … 110
    82. o hierna grafisch: verschuiving AA-curve voor de twee vb’en 110
    83. • meer concurrentie op outputmarkt (lagere mark-up) 110
    84. • erosie vakbondsmacht 110
    85. De AA-curve grafisch 110
    86. Voorbeeld 1: meer concurrentie op de outputmarkten: ? daalt 110
    87. Voorbeeld 2: toename onderhandelingsmacht vakbonden 110
    88. HET AA-AV-MODEL 111
    89. Inleiding 111
    90. o AV-curve geeft het inkomen Y (= output Q) weer, voor een gegeven prijspeil P 111
    91. o AA-curve geeft het prijspeil P weer, voor een gegeven inkomen Y (= output Q) 111
    92. o Evenwicht ( Combinatie van P en Q waarvoor de aggregatieve vraag gelijk is aan het aggregatieve aanbod 111
    93. Het evenwicht op middellange termijn 111
    94. o ? = evenwicht op middellange termijn ?0,?? 111
    95. • ?? = ?? 111
    96. • ?? = ? 111
    97. o Evenwicht op 111
    98. • Goederen- en dienstenmarkt 111
    99. • Geld- en financiële markt 111
    100. • Arbeidsmarkt 111
    101. o ?? = natuurlijk outputniveau = potentieel bbp 111
    102. Vraag- en aanbodschokken: positieve vraagschok 111
    103. o enkel in punt D zijn feitelijke prijzen = verwachte prijzen 111
    104. • prijsniveau steeg van P0 naar P2 112
    105. • hogere prijzen volledig gecompenseerd door nominale loonstijgingen 112
    106. • reëel loon (en tewerkstelling) ongewijzigd 112
    107. o bij ‘rationele’ verwachtingen is omweg via punten B en C uitgesloten: ogenblikkelijke prijsstijgingen 112
    108. o we bekijken 112
    109. • Eerst achterliggend IS-LM-schema 112
    110. • dan onderliggend WS-PS-schema 112
    111. Vraag- en aanbodschokken: positieve vraagschok 112
    112. Positieve vraagschok in AV-AA e onderliggend WS-PS 112
    113. Vraag en aanbodschokken: negatieve vraagschok 112
    114. De financiële crisis en de recessie van 2009 in het AV-AA schema (negatieve vraagschok) 113
    115. o oorzaak: 113
    116. o analyse in AV-AA: 113
    117. • oorsprong: in financiële sector (LM) 113
    118. • via verschillende kanalen impact op reële sfeer: recessie 113
    119. ▪ vertrouwen => C en I ↓ 113
    120. ▪ gevolg: daling Amerikaanse AV naar buitenlandse goederen en diensten => ook Europese, Chinese, etc. AV↓ (via netto-export) 113
    121. o Figuur: reële groei in eurozone en bijdrage componenten 113
    122. o Figuur: nominale groei, reële groei en inflatie in België 1961-2027 113
    123. o is een negatieve vraagschok 113
    124. • => AV-curve naar links 113
    125. • => daling economische activiteit op KT 113
    126. • met neerwaartse druk op prijzen 113
    127. • wat het verschil verklaart met 1975 (aanbodschok; zie verder) 113
    128. o beleid: counterde negatieve vraagschok 113
    129. • terecht met expansief vraagbeleid 114
    130. • monetair (QE): LM-curve naar onder duwen (en dus AV-curve naar rechts) 114
    131. • budgettair-fiscaal: IS-curve (en dus AV-curve) naar rechts duwen 114
    132. • discussie: beleidsmakers in surpluslanden hebben te weinig expansief fiscaal-budgettair beleid gebruikt 114
    133. Olieprijsschokken van jaren zeventig in AV-AA-schema (negatieve aanbodschok) 114
    134. o okt 1973: 114
    135. • Yom Kippoer oorlog (Israel versus Egypte, Syrië) 114
    136. • als vergelding voor Westerse steun: OPEC verviervoudigt olieprijzen en reduceert aanbod 114
    137. • einde van lange periode groei (Golden Sixties, Trente Glorieuses, …) 114
    138. o tweede olieschok: 1979 (Iraanse revolutie) 114
    139. o plaatst aanbod- in plaats van vraagschokken op voorgrond 114
    140. • stijging olieprijs: is negatieve aanbodschok voor kopers olie 114
    141. o hoe beïnvloedt olieprijs ↑ macro-economisch evenwicht? 114
    142. o Prijzen voor ruwe aardolie (1970-2021) 114
    143. o de olieprijsstijgingen in het AV-AA-model en het achterliggend WS-PS-schema 114
    144. Olieprijsschokken: nieuwe inzichten 114
    145. o de - weliswaar tijdelijke - trade-off tussen werkloosheid en hogere inflatie van een vraagschok komt hier niet voor 114
    146. o integendeel, bij (negatieve) aanbodschok komen hogere werkloosheid én hogere inflatie samen voor = stagflatie 114
    147. o de werkloosheid (of lagere output) is structureel 114
    148. • expansief vraagbeleid om werkloosheid te ↓ : enkel inflatoir 114
    149. • deze ‘beleidsfout’ bracht Keynesiaans vraagbeleid in diskrediet 114
    150. • alleen verhoging Qn in WS-PS-schema kan soelaas brengen (bvb door WS-curve naar beneden te verschuiven; zie par. 5) 114
    151. o sterke toename in olieprijs tussen 2000 en 2008 leidde niet tot stagnatie Amerikaanse en Europese economie 114
    152. o Redenen: 115
    153. • olieprijsstijging gevolg van economische groei Aziatische landen 115
    154. • => ook extra besteedbaar inkomen in V.S. en Europa (via export) 115
    155. • verminderde afhankelijkheid van olie 115
    156. • centrale banken: minder sterk restrictief (anti-inflatoir) beleid 115
    157. o dus: oorzaak verandering olieprijs is belangrijk 115
    158. Gevolgen van het coronavirus (negatieve aanbodschok) 115
    159. Vraag en aanbodschokken – samengevat 115
    160. Evenwicht op lange termijn 115
    161. o Eur. Commissie: dringt vaak aan op ‘structurele hervormingen’ 115
    162. o is een containerbegrip: maatregelen om 115
    163. • natuurlijk werkloosheidsniveau te doen dalen 115
    164. • natuurlijk outputniveau te verhogen (of: potentiële bbp) 115
    165. • = maatregelen in aanbodzijde van de economie 115
    166. o in AV-AA: komt neer op verschuiven van AA-curve (en WSen/of PS-curve) 115
    167. • flexibiliseren arbeidsmarkt (minder strakke regulering) 115
    168. ▪ minder vakbondsmacht = WS naar beneden 115
    169. ▪ AA naar beneden 115
    170. • dereguleren outputmarkten en meer concurrentie (→ Eeckhout) 115
    171. ▪ mark-up (?) daalt = PS naar boven 115
    172. ▪ AA-curve naar beneden 115
  12. 12 HOOFDSTUK 30. GLOBALISERING EN INTERNATIONALE HANDEL 116
    1. GLOBALISERING: INTERNATIONALE KAPITAALSTROMEN EN MIGRATIE 116
    2. Inleiding 116
    3. o Vorig hoofdstuk: internationale handel in goederen en diensten 116
    4. o dit hoofdstuk: internationale handel in productiefactoren 116
    5. • kapitaal 116
    6. • arbeid 116
    7. o economen zijn het eens dat liberalisering I.H. in goederen en diensten een goede zaak is 116
    8. o maar meningen veel minder duidelijk wat betreft liberalisering 116
    9. • van internationale kapitaalbewegingen (sommige economen ronduit tegen of toch heel voorzichtig) 116
    10. • van internationale migratie 116
    11. Enkele gegevens over internationale kapitaalstromen 116
    12. o financiële middelen kunnen vandaag vrij belegd worden 116
    13. • was ooit anders 116
    14. • eind 19de eeuw: vrije kapitaalmarkten 116
    15. • maar na tweede wereldoorlog: sterke beperkingen 116
    16. • liberalisering vooral na 1970 116
    17. • zelfs nu liberalisering nog vaak in vraag gesteld door economen 116
    18. o redenen om kapitaalmarkten niet (volledig) te liberaliseren 116
    19. • 1. nationalistische overwegingen: controle door buitenland beperken (zie kaderstukje overname OHL door Thaise investeerder) 116
    20. • 2. in- en uitstroom van kapitaal is veel volatieler dan I.H. 116
    21. • 3. impact op wisselkoers: plotse uitstroom leidt tot daling koers nationale munt; 116
    22. => terugbetaling schulden in buitenlandse munt veel duurder 116
    23. o kapitaalstromen: zijn veranderingen in 116
    24. • tegoeden tegenover het buitenland 116
    25. • schulden tegenover het buitenland 116
    26. o vormen uitdrukking van een saldo op betalingsbalans, 116
    27. • nl. het saldo op lopende rekening (LR) en kapitaalrekening (KR) 116
    28. • saldo van betalingsbalans is boekhoudkundig steeds nul 116
    29. o lopende rekening (LR) en kapitaalrekening (KR) samen > 0 116
    30. • => toename van tegoeden tegenover buitenland 116
    31. • die verschijnen op financiële rekening (FR) 116
    32. o lopende rekening (LR) en kapitaalrekening (KR) samen < 0 116
    33. • => toename van schulden (verplichtingen) tegenover buitenland 116
    34. • die verschijnen op financiële rekening (FR) 116
    35. o vier soorten internationale kapitaalstromen 116
    36. • 1. Buitenlandse directe investeringen (BDI of in het engels: FDI) 116
    37. ▪ moederonderneming richt dochter op in buitenland 116
    38. • 2. Portefeuille-investeringen 116
    39. ▪ beleggen in buitenlandse aandelen, obligaties, waardepapieren 116
    40. • 3. ‘andere’ investeringen 116
    41. ▪ buitenlandse leningen door banken en financiële instellingen 116
    42. ▪ deposito’s bij buitenlandse banken 116
    43. • 4. veranderingen in deviezenreserves 116
    44. ▪ toename deviezenreserves = ‘lening’ aan het buitenland en dus uitstroom financieel kapitaal 116
    45. o kan als flow (stroom) of als stock (voorraad) worden weergegeven 117
    46. o stocks: omvang van tegoeden en verplichtingen 117
    47. • activa: buitenlandse bezittingen van onze ingezetenen 117
    48. • passiva: bezittingen van buitenland in ons land 117
    49. o flow: veranderingen in stocks 117
    50. • econ. agent in land A staat lening toe aan econ. agent in land B: = kapitaaluitstroom uit land A en instroom in land B 117
    51. • terugbetaling van lening door econ. agent in B aan A: kapitaalinstroom in land A en uitstroom uit land B 117
    52. o instroom: vorderingen buitenlanders op onze economie stijgen (onze verplichtingen nemen toe) 117
    53. o uitstroom: onze vorderingen op buitenland nemen toe (onze verplichtingen dalen) 117
    54. Beleid inzake kapitaalstromen 117
    55. o landen kunnen enkel twee van volgende drie opties kiezen (trilemma) 117
    56. o Gouden Standaard (geen autonoom monetair beleid) 117
    57. • 1870-1914 117
    58. • vaste wisselkoers tov. goud 117
    59. • weinig kapitaalbeperkingen 117
    60. • gevolg: autonoom monetair beleid is onmogelijk: 117
    61. ▪ bij dreigende depreciatie moet i ↑ 117
    62. ▪ of: deflatoir beleid, met inzinking economie, dalende prijzen toename werkloosheid, … 117
    63. • was enkel mogelijk in weinig democratische samenleving met relatief zwakke vakbonden 117
    64. • vandaar mislukking herstel Gouden Stand. na eerste wereldoorlog 117
    65. o Bretton Woods (geen vrije kapitaalstromen) 117
    66. • na WO II, sterkere vakbonden en algemeen stemrecht 117
    67. • beleid dat werkloosheid doet stijgen wordt moeilijk/onmogelijk 117
    68. • monetair beleid moet rekening kunnen houden met politiek-sociale haalbaarheid 117
    69. • ook voorkeur voor vaste WK, via goud-$ convertibiliteit (zie H22) 117
    70. • kan enkel met beperking op kapitaalbewegingen 117
    71. ▪ Wereldbank (IBRD) om nood aan leningen te lenigen in OL 117
    72. ▪ IMF om stabiele WK na te streven 117
    73. o na Bretton Woods (geen vaste wisselkoersen) 117
    74. • VS, dat reservemunt levert, brengt steeds meer $’s in omloop 117
    75. • => inflatie, en vooral: Triffin-dilemma 117
    76. • => vaste WK met goud/$ wordt losgelaten (1971, Nixon) 117
    77. • netto-uitstroom van kapitaal wordt opgevangen met daling WK 117
    78. • = minder internationale koopkracht 117
    79. • IMF krijgt daarom nieuwe rol: 117
    80. ▪ leningen aan landen met betalingsbalansproblemen, mits landen hervormen (cf. Griekenland); ‘conditionaliteit’ 117
    81. ▪ consultaties over monetair economisch beleid 117
    82. • Eurozone: (strak) antwoord op nadeel vlottende WK in Europa 118
    83. Enkele gegevens over de internationale migratie 118
    84. o ook migratie is van alle tijden 118
    85. o Middeleeuwen: 118
    86. • West-Europeanen migreerden in oostelijke richting 118
    87. • later ook naar Centraal-, Noord- en Zuid-Amerika 118
    88. o negentiende eeuw: migratiestroom Europa → Amerika 118
    89. o na 1950: migratiestromingen naar hoge-inkomens-landen 118
    90. o Tabel (volgende slide): 118
    91. • Australië: toename absoluut, relatief constant gebleven 118
    92. • US: toename absoluut, relatief gedaald 118
    93. • Europa: omkering stroom (van uitstroom naar instroom) 118
    94. o Figuur 1: internationale inkomensverschillen en migratie 118
    95. De effecten van internationale migratie 118
    96. o Drie partijen (of perspectieven) 118
    97. • 1. land van oorsprong 118
    98. • 2. land van bestemming 118
    99. • 3. migrant zelf 118
    100. o migranten 118
    101. • ofwel slagen ze in hun opzet om hoger inkomen te verdienen en verbeteren ze hun welvaart 118
    102. • ofwel slagen ze er niet in -> terugkeer mogelijk 118
    103. o effect op gastland: Figuur 2 118
    104. • homogene arbeid en perfecte mede-dinging op arbeidsmarkt 118
    105. • linkerpaneel: kapitaal-stock in gastland ongewijzigd 118
    106. o Figuur 2: effecten van immigratie op het gastland 118
    107. o Figuur 2: effecten van immigratie op het gastland 119
    108. De effecten van internationale migratie 119
    109. o besluit: 119
    110. • migratie leidt tot inkomenstoename in gastland 119
    111. • voordelen ongelijk verdeeld (herverdeling van arbeid naar kapitaal) 119
    112. • hangt af van al dan niet constante kapitaalstock 119
    113. o verhoog realiteitswaarde door 119
    114. • kapitaal te lezen als: kapitaal + hooggeschoolde arbeid 119
    115. • arbeid = laaggeschoolde arbeid 119
    116. o in dat geval wordt het besluit hierboven: 119
    117. • migratie leidt tot inkomenstoename in gastland 119
    118. • maar er is herverdeling van laaggeschoolde arbeid naar kapitaal en hooggeschoolden 119
    119. • hangt af van al dan niet constante kapitaalstock 119
    120. o omvang effecten: uiteindelijk een empirische vraag 119
    121. o maakt gebruik van natuurlijke experimenten (o.a. D. Card) 119
    122. • zie leeskader p. 863 119
    123. • 1980: Cubanen massaal naar Florida 119
    124. • 1989-2001: 330000 Russische Joden naar Israel 119
    125. o impact van immigratie, zoals vaak: ‘mixed’ 119
    126. • op lonen laaggeschoolden: negatief effect, maar tijdelijk 119
    127. • op tewerkstellingskansen: meestal geen negatief effect, maar uitz. 119
    128. • op overheidsfinanciën: hangt sterk af van 119
    129. ▪ punt in levenscyclus 119
    130. ▪ scholingsgraad immigranten 120
    131. • op inkomen als geheel: beperkt positief 120
    132. Beleid betreffende internationale migratie 120
    133. o hoge-inkomenslanden 120
    134. • voorstander van open internationale handel in goederen en diensten 120
    135. • (vaak) voorstander van liberalisering kapitaalstromen 120
    136. • maar minder enthousiast over migratie 120
    137. o was in West-Europa anders tot 1973 120
    138. • grote vraag naar ‘gastarbeiders’ in jaren zestig 120
    139. • na oliecrisis 1973: grenzen worden gesloten (niet absoluut) 120
    140. o mei 2009: EU-regeling voor immigratie hooggeschoolden 120
    141. o migratiebeleid ≠ asielbeleid 120
    142. GLOBALISERING: INTERNATIONALE HANDEL 120
    143. Globalisering en internationale handel: teasers 120
    144. Enkele gegevens over internationale handel 120
    145. o mensen drijven al millennia handel (zijderoute; ontdekkingsreizigers, …) 120
    146. o tot eind 19e : producten met hoge waarde 120
    147. o vanaf dan: massagoederen 120
    148. • stoomtrein en stoomschip: sneller en goedkoper 120
    149. • Suezkanaal 120
    150. o jaren 1930: Grote Depressie 120
    151. • handel valt sterk terug 120
    152. o na WO II: globaliseringsgolf 120
    153. • snelle groei van internationale handel 120
    154. • containers, roll-on roll-off-schepen 120
    155. o Figuur 30.1: handel groeide meestal sneller dan output, 120
    156. • behalve tijdens crises 120
    157. ▪ eerste olieschok (1973) 120
    158. ▪ recessie (2001) 120
    159. ▪ grote Recessie (2009) 120
    160. • maar na herstel na recessie 2009: nu dalende lijn 120
    161. ▪ zeker versterkt door Covid (tijdelijk? Heropleving vanaf 2021?) 120
    162. ▪ en nu door oorlog Oekraïne 120
    163. o beschikbare cijfers voor 2020 (WDI) 120
    164. • wereldexport in % van wereldoutput: 26% 120
    165. • groei wereldexport 2020 t.o.v. 2019: - 6% 120
    166. o Figuur 30.1: evolutie van de verhouding tussen wereldoutput en wereldexport van goederen en diensten, 1970-2020 120
    167. 2. Comparatieve kostenvoordelen als bepalende factoren voor internationale handel 120
    168. o internationale specialisatie en arbeidsverdeling (A. Smith) 120
    169. • elk land legt zich toe op de productieprocessen waarin het relatief het best is 120
    170. • dit verruimt de consumptiemogelijkheden (par. 4) 120
    171. • ook voor land dat minder efficiënt is in eender welke activiteit 120
    172. o = theorie van comparatieve kostenvoordelen 120
    173. • niet noodzakelijk absolute kostenvoordelen 120
    174. o illustratie comparatieve kostenvoordelen (Ricardo) 120
    175. • twee landen, VS en Europa 120
    176. • twee producten, graan en kleding 120
    177. • arbeid is enige productiefactor 120
    178. • beide landen beschikken over 100 miljoen manjaar 121
    179. • constante schaalopbrengsten 121
    180. • geen transportkosten etc 121
    181. o Tabel 30.4: output en kost van graan en kleding wanneer één land een absoluut kostenvoordeel heeft in beide producten 121
    182. • Amerika heeft absoluut kostenvoordeel in productie van zowel graan als kleding 121
    183. o veronderstel eerst situatie zonder handel 121
    184. • kan bvb. door prohibitieve invoerrechten in Amerika 121
    185. • Amerikaanse consumptiemogelijkheden = Amerikaanse output 121
    186. • Europese consumptiemogelijkheden = Europese output 121
    187. • dergelijke situatie noemt men autarkie 121
    188. o grafische voorstelling in Fig. 30.3 121
    189. o Figuur 30.3: productie- en consumptiemogelijkheden zonder en met handel 121
    190. Comparatieve kostenvoordelen als bepalende factoren voor internationale handel 122
    191. o er zal handel ontstaan (door winstmogelijkheden), want 122
    192. • handelaar kan met 1 ton graan in EU 1,25 stuks kleding kopen 122
    193. • als hij die in VS verkoopt voor 2,5 ton graan (want 1 k = 2 g in VS) 122
    194. • dan wint hij 1,5 ton graan 122
    195. o voorwaarde is dat de relatieve productiekosten verschillen 122
    196. • land mag absoluut kostenvoordeel/nadeel hebben in beide goederen 122
    197. • dan nog is handel voordelig voor beide landen 122
    198. o elk land specialiseert in goed met comparatief kostenvoordeel 122
    199. o waardoor consumptiemogelijkheden beide landen uitbreiden 122
    200. 3.Verklaringen voor comparatieve kostenvoordelen 122
    201. o Ricardo: verschillen in technologie 122
    202. o Heckscher & Olin: relatieve beschikbaarheid productiefactoren 122
    203. • kwaliteit en hoeveelheid land, fysiek kapitaal, arbeidskrachten,… 122
    204. • verschil tussen hoge- en lage inkomenslanden 122
    205. o P. Krugman: toenemende schaalvoordelen en monopolistische mededinging 122
    206. • uitgangspunt voor theorie van schaalvoordelen gecombineerd met productdifferentiatie 122
    207. • verklaring voor handel tussen hoge-inkomenslanden (intra-industriehandel) 122
    208. 4.Internationale handel breidt consumptiemogelijkheden uit 122
    209. o Figuur 30.3: productie- en consumptiemogelijkheden zonder en met handel 123
    210. Winnaars en verliezers 123
    211. o globaal is er winst, en op LT is I.H. zeker voordelig, maar 123
    212. o ondernemingen en werkgevers moeten zich aanpassen 123
    213. • in het vb. VS arbeiders van textiel- naar landbouwsector 123
    214. • en omgekeerd in EU: landbouwers moeten textielarbeiders worden 123
    215. • sommige slagen daar niet in, en raken werkloos 123
    216. o er zijn dus, zeker op korte termijn, ook verliezers 123
    217. o winnaars zouden verliezers kunnen vergoeden, maar 123
    218. • gebeurt slechts in beperkte mate 123
    219. • winnaars en verliezers vergelijken: is en blijft normatief 123
    220. • => politieke en sociale weerstand, zoals recent in VS en West-Europa 123
    221. • nood aan herscholing, werkloosheids- of andere vergoedingen 123
    222. Effecten van handelsbelemmeringen 123
    223. Protectie en de argumenten ervoor 123
    224. o protectie = Internationale handel niet volledig geliberaliseerd 123
    225. o douanerechten (zoals een indirecte belasting) 123
    226. • op invoer 123
    227. • op uitvoer: is uitzonderlijk (soms wel exportsubsidies) 123
    228. o kwantitatieve beperkingen (invoerquota’s of contingenten) 124
    229. o niet-tarifaire handelsbelemmeringen 124
    230. • wettelijke en reglementaire voorschriften 124
    231. Argumenten waarmee protectie verdedigd wordt 124
    232. o Bescherming van specifieke groepen 124
    233. o Diversificatie van de productie 124
    234. o Nationale onafhankelijkheid en strategische zelfvoorziening 124
    235. o Bescherming tegen de concurrentie van landen met lage lonen 124
    236. o Bescherming van de werkgelegenheid 124
    237. o Bescherming van jonge nijverheden 124
    238. o Handelspolitiek op strategische markten 124
    239. o Beïnvloeding van de ruilvoet 124
    240. Bescherming van specifieke groepen 124
    241. o werkgevers- en werknemersorganisaties steunen vaak handelsbelemmerende maatregelen 124
    242. o reden: 124
    243. • sectoren lijden zichtbaar verlies bij afschaffen van belemmeringen 124
    244. • baten van I.H. zijn breed gespreid zijn en minder goed zichtbaar 124
    245. o hogere prijs door douanerechten 124
    246. • is een verborgen transfer naar de beschermde sector 124
    247. • waar de hele samenleving de prijs voor betaalt 124
    248. • daardoor ook moeilijk af te schaffen 124
    249. Diversificatie van de productie 124
    250. o specialisatie leidt tot afhankelijkheid 124
    251. o van schommelingen in prijs en vraag op wereldmarkt 124
    252. o kan ontwrichtend zijn voor klein land 124
    253. o => pleiten voor bescherming van eigen binnenlandse productie die in plaats komt van invoer (= importsubstitutie) 124
    254. • kost blijft: lagere efficiëntie leidt tot lager reëel inkomen 124
    255. • grotere stabiliteit van economische activiteit op langere termijn? 124
    256. Nationale onafhankelijkheid en strategische zelfvoorziening 124
    257. o importafhankelijkheid beperken voor vitale goederen en technologieën 124
    258. • bvb. landbouw, wapenindustrie, computerchips, energievoorziening,… 124
    259. o wordt te pas en te onpas gebruikt 124
    260. Bescherming tegen de ‘onfaire’ concurrentie van landen met lage lonen 124
    261. o rijke landen kunnen niet concurreren met landen met lage lonen 124
    262. • staat haaks op theorie van I.H. (nl. absoluut voordeel niet van belang) 124
    263. • rijke landen importeren maar exporteren ook naar lageloonlanden 124
    264. • deviezen die lageloonlanden verdienen met uitvoer en waarmee ze schulden betalen, gebruiken ze voor invoer 124
    265. • lonen zijn slechts één factor bij vgl. tussen landen: infrastructuur, kwaliteit van overheidsdiensten,… 124
    266. o sociale dumping 124
    267. • draait oorzaak en gevolg om 125
    268. • is het lager inkomensniveau dat minder ruimte geeft voor uitbouw sociale zekerheid en arbeidswetgeving 125
    269. • meer I.H. zou ontwikkeling kunnen ↑ en ook uitbouw S.Z 125
    270. Bescherming van de werkgelegenheid 125
    271. o vaak in periode van hoge werkloosheid 125
    272. • bvb. Grote Depressie, oliecrisis, of recessie 2008-2009 125
    273. • bvb. VS tarief van 35% op invoer autobanden 125
    274. o is problematisch als alle landen dit doen (coördinatieprobleem) 125
    275. o om aanpassing van sectoren in moeilijkheden te verzachten zijn tijdelijke subsidies wellicht beter instrument 125
    276. Bescherming van jonge nijverheden 125
    277. o levenskansen van infant industries verhogen 125
    278. o land kan comparatief voordeel ontwikkelen als het bepaalde activiteiten effectief van de grond krijgt 125
    279. • overbruggen van periode met kinderziektes, gebrek aan ervaring, financiële beperkingen,… 125
    280. • na een bepaalde tijd zou bescherming tegen concurrentie van gevestigde industriële landen dan overbodig worden 125
    281. o moet in elk geval tijdelijk zijn (en is dat vaak niet) 125
    282. Handelspolitiek op strategische markten 125
    283. o er zijn sterke monopolistische of oligopolistische tendensen 125
    284. • = sectoren met toenemende schaalvoordelen (bvb. omwille van hoge vaste kosten) 125
    285. • realiseren grotere winsten 125
    286. • en worden ‘strategische sectoren’ 125
    287. o overheid zorgt voor protectie van strategische sectoren zodat die winst in eigen land blijft 125
    288. o maar: 125
    289. • hoe bepaalt men wat ‘strategisch’ is? 125
    290. • onderhevig aan druk van belangengroepen 125
    291. • tegenreactie mogelijk van andere landen 125
    292. Beïnvloeding van de ruilvoet 125
    293. o landen die belangrijke fractie van werelduitvoer of –invoer van een product verzorgen 125
    294. o kunnen importbeperking instellen, zodat wereldwijde vraag daalt en prijs daalt 125
    295. o kunnen uitvoer beperken, zodat wereldaanbod afneemt en prijs stijgt ( hét voorbeeld: OPEC 125
    296. Naoorlogse internationale handelssysteem: GATT en WTO 125
    297. o hoofdreden: herhaling van de rampzalige gevolgen van het protectionisme van de jaren 1930 vermijden 125
    298. o Bretton Woods 1944, fundamenten van naoorlogse wereldorde 125
    299. • IMF (International Monetary Fund) – KT monetaire schommelingen 125
    300. • Wereldbank – LT investeringen 125
    301. • Internationale Handelsorganisatie (voorloper GATT; later WTO) 125
    302. o 1947: Algemene Overeenkomst over Handel en Tarieven (GATT) 126
    303. • zo vrij mogelijke multilaterale handel (i.t.t. bilateraal) 126
    304. • periodieke onderhandelingen over oa. verlaging douanerechten 126
    305. • niet-discriminatie: clausule van meest begunstigde natie 126
    306. • afdwingbare regels => geschillen beslechten (international arbitrage) 126
    307. Het internationale handelssysteem: GATT 126
    308. o GATT liet uitzondering toe op principe van niet-discriminatie: 126
    309. • 1. vrijhandelszone 126
    310. ▪ afschaffing handelsbelemmeringen; uniforme productstandaarden 126
    311. ▪ tegenover derde landen behoudt lidstaat eigen handelsbeleid 126
    312. • 2. douane-unie 126
    313. ▪ handel in goederen volledig geliberaliseerd tss deelnemende landen 126
    314. ▪ gemeenschappelijk handelsbeleid tegenover andere landen 126
    315. • 3. eenheidsmarkt 126
    316. ▪ vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en arbeid 126
    317. ▪ grote markt met geharmoniseerde wetgeving op EU-niveau 126
    318. ▪ garandeert gelijke concurrentie: strenge mededingingsregels 126
    319. • 4. monetaire unie 126
    320. ▪ één gemeenschappelijke munt; monetair beleid bij Centrale Bank 126
    321. ▪ vrij kapitaalverkeer 126
    322. Regionale economische integratie – Beneluc 126
    323. o 1948: start als een douane-unie 126
    324. o 1966: verdrag voor Economische Unie, met als doel 126
    325. • 1. liberalisering goederen en dienstenverkeer 126
    326. • 2. vrij verkeer van productiefactoren 126
    327. • 3. coördinatie en harmonisatie economische politiek 126
    328. o uiteindelijk enkel 1 gerealiseerd 126
    329. o 2 en 3 werden geabsorbeerd in constructie Europese Unie 126
    330. o wel monetaire unie tussen België en Luxemburg 126
    331. Regionale economische integratie: EU 27-stappen 126
    332. o 1958: België, Nederland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Luxemburg 126
    333. o 1973: Denemarken, Ierland, Verenigd Koninkrijk 126
    334. o 1981: Griekenland 126
    335. o 1986: Portugal, Spanje 126
    336. o 1995: Oostenrijk, Finland, Zweden 126
    337. o 2004: Hongarije, Cyprus, Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Slovenië 126
    338. o 2007: Bulgarije, Roemenië 126
    339. o 2013: Kroatië 126
    340. o 2020: Brexit (referendum in 2016; effectief 31/1/2020) 126
    341. Regionale economische integratie: EU 126
    342. o 1999: Economische en Monetaire Unie (EMU of Eurozone) 126
    343. • één gemeenschappelijke munt (=onveranderlijke vaste wisselkoers) 126
    344. • monetair beleid bij ECB in Frankfurt 126
    345. • gemeenschappelijk toezicht op financiële instellingen 126
    346. • vrij kapitaalverkeer 126
    347. • economische unie: coördinatie van economisch en begrotingsbeleid bvb. afspraken rond staatsschuld en begrotingssaldo 126
    348. • 19 landen; Denemarken en VK deden niet mee (opt-out) 126
    349. • op termijn moet elke EU-lidstaat in principe meedoen met Eurozone 126

Gekoppeld boek
 image
Erwin Ooghe, Tom Verbeke Economie, een inleiding
Uitgever: Onbekend ISBN: 9789464146493 Druk: Onbekend

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
15 mei 2025
Aantal pagina's
126
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€17,06

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Julesverstrepen
4,1
(8)
Verkocht
136
Volgers
16
Items
37
Laatst verkocht
5 dagen geleden




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen