Neurokinesitherapie
Luc Vereeck
inleiding
Voorbeelden van aandoeningen
o Hemiplegie/hemiparese vs paraplegie/paraparese
o Cerebullaire ataxie: intensionele tremor
o Ziekte van Parkinson: rusttremor
o Spraakstoornis (=dysartrie): patiënt kan taal vormen en construeren MAAR gescandeerde spraak
o Oculomotorische dysartie van de ogen (dysmetrie, hypometrie, hypermetrie)
Cerebrovasculaire accident: subcorticaal en corticaal gelegen kan leiden tot hemiplegie/hemiparese
Hemiplegie = verlamd lidmaat
Hemiparese = krachtsverlies minder uitgesproken dus niet verlamd lidmaat -> krachtsvermindering
Subcorticaal-> uitval basale ganglia (extrapyramidiaal) -> leidt tot ziekte van Parkinson
Cerebellum -> aanleiding tot atactisch bewegen (= cerebullaire ataxie) = ongeordend, ongecoördineerd bewegen
Verlengde merg -> klassieke dwarslaesie -> aanleiding tot paraplegie of paraparese -> uitval van spieren
Hfdst 1: komen tot zinvolle revalidatie
Triade: vertigo – nekpijn – hoofdpijn (Vertigo = draaiduizeligheid)
o BPPV (Benigne Paroxysmale Positionele Vertigo): goedaardige aandoening, kortdurende maar hevige
pijn/draaiduizeligheid, klachten uitgelokt door een beweging, nekpijn is secundair -> door de duizeligheid
hoofd niet meer bewegen want dan worden ze duizelig -> opstijven van de nek
o Problematiek: otoconia (kristalletjes) komen terecht in de semicirculaire kanalen van het labyrint
en dit gaat u duizelig maken -> als therapeut er terug uit krijgen
o Behandeling: Repositie- en bevrijdingsmanoeuvres, habituatietraining, hoofdbewegingen om
kristallen eruit te krijgen
o VBI (Vertebro-Basilaire Insufficiëntie): posterieur deel van uw centraal neurologisch systeem bevloeien ->
lokale ischemie wat aanleiding geeft tot duizeligheid (via extensie en rotatie afklemmen van bloedvat) +
vaak een degeneratieve aandoeningen + contra-indicaties -> cervicale wervelzuil niet manipuleren
o CPV of CGD (Cervicogene Proprioceptieve Vertigo)
o Aspecifieke duizeligheid (instabiliteit) geassocieerd met hoofdbewegingen & nekpijn/nekstijfheid
o Veranderde cervicogene proprioceptieve input vanuit de cervicale wervelzuil
o Degeneratie/dysfunctie facettaire gewrichten & diepe cervicale musculatuur
1
, Let op variaties in klachtenpatroon zoals timing klachten (duizeligheid primair symptoom of secundair aan
langdurige nekklachten); duurtijd klachten; uitlokking?; typisch rotatoire (vertigo) of atypische
duizeligheid (ijl, zweverig); zware ischemische (occipitale) hoofdpijn vs spierspanningshoofdpijn
Homonieme hemianopsie
Stoornis zorgt ervoor dat je telkens een bepaald deel van het gezichtsveld niet ziet
Bv letsel niveau 3 (tractus opticus) rechts (info opnemen door rechtergedeelte retina) en het linker nasale
deel-> info komt niet door naar de visuele cortex (re temporaal deel kijkt naar links en het links nasaal
deel kijkt ook naar links) -> linker en rechter oog linkerkant niet ziet = homonieme hemianopsie!!
Letsel rechter N.opticus -> uitval van rechteroog -> gezichtsveld minder beperkt -> patiënten beseffen probleem
en passen hoofdbewegingen aan
Horizontale blikparese
o = oculomotorisch probleem (probleem met oogmotoriek -> blikrichting niet correct aansturen)
o Middellijn met hun blik niet overkruisen
o Bv je komt binnen en patient volgt u met de ogen maar als je hen bent gepasseerd zien ze u niet meer
o Blikrichting is nooit constant vooruit
o Patient beseffen dat ze een kant niet scannen -> compenseren met hoofdbewegingen
Hemispatieel visueel neglect
o = aandachtsprobleem -> aandacht niet houden op de visuele info van de omgeving van 1 helft van de
leefwereld
o Vaak linkerkant + beseffen dit niet -> niet compenseren
Leerproces -> therapeut is een leerkracht -> patiënt iets motorisch terug aan te leren/reduceren van
klachten -> realistische verwachtingen stellen
Hfdst 2: motoriek bestaat niet
Motorisch gedrag= resultaat van een flexibel functioneel systeem dat zich vlot kan aanpassen aan veranderende
omstandigheden en waarbij de integratie van cognitieve, motorische en perceptuele mechanismen van groot
belang zijn
Model van Mulder => examen
2
,Activatieniveau
o Zintuigelijke en motorische alertheid is een voorwaarde voor iedere vaardigheid
o “wakker zijn”
o Beïnvloedt worden door: coma, suf, somnolent, extreme vermoeidheid, medicatie (sedatie, slaapmiddel),
eenzaam -> sensorische deprivatie
Verminderd activatieniveau
o Hersenletsel -> kan leiden tot coma
Niet bij bewustzijn = niet reageren op prikkels
Akinetisch = niet spreekt en niet beweegt
Langdurig coma kan leiden tot hersendood
Wakker: dag en nachtritme
Aandacht
o Parallell steeds aanwezig
o Is niet unitair -> verschillende aspecten
o Passief (aandachtsproces gestart vanbuiten uit bv luide knal) vs actieve (je bepaald dit zelf als persoon)
aandacht (bron)
o Externe (aandacht vestigen op wat je voelt buiten het lichaam) vs interne (aandacht vestigen op wat je
voelt in je lichaam) aandacht (gericht op)
o Selectiviteitsdimensie van aandacht
o Passief: cue’s (gele tulpen in een rood tulpenveld)
o Actief: gerichte aandacht (focussed attentention) locus / materiaal specifiek (visueel, geluid)
o Coverte (aandacht voor waar je niet naar kijkt) vs overte aandacht (oogbeweging-bron -> koppeling)
o Intensiteitsdimensie (kwantitatief-> niet iedereen evenveel aandacht bij personen)
o Alertheid (fight or flight) (autonomen en centrale processen) (activatieverhoging)
o Volgehouden (kinderen spelen met iets en dan doen ze ineens iets anders, sustained attention) + aan en
uit kunnen zetten (aandoening: perseveratie -> blijven hangen in een bepaalde deeltaak)
3
, o Aandachtscapaciteit
o Verdeelde of gespreide aandacht (input/output, divided attention)
o Aandachtssturing (leerproces: superviserend of automatisatie)
Intentie = doel van de handeling = start van proces
o Probleemoplossend gedrag
o Motivatie (formulering doelstelling op abstract/concreet)
o Intentionele aspecten van een beweging)
o Bv. lesnotities nemen -> willen slagen voor opleidingsonderdeel -> diploma halen
Psyche
o Emotie
o Motivatie belangrijke link met doel
o Impulsiviteit, apathie, depressie -> gedrag
o Geduld, vetrouwen voor oefentherapie
Sensorische input / sensorische selectie / stimulusherkenning -> hangen nauw samen! => sensorische situatie
o Sensorische input: stimulus waarnemen (bombardement van visuele, auditieve … prikkels) ->
multimodaal
o Sensorische selectie:
o Afleiding vs obsessie
o Aandacht/concentratie
o Vermogen CZS om relevante info te selecteren voor de uit te voeren beweging
o Facilitatie geheugen
o Stimulusherkenning:
o Stimulus krijgt betekenis (perceptie/gnosis)
o Perceptie is niet hetzelfde als waarneming
o Geheugen = kennisreservoir -> nodig om betekenis te geven
o Anticipatie
o Sensorische integratie
o Verschillende stimuli samenbrengen -> creatie (multimodale) situatie)
o Wat kan er foutlopen? Illusie (foute betekenisgeving door onvoldoende kwalitatieve prikkels door
bijkomende info) vs hallucinatie (betekenis geven aan zaken die er niet zijn)
Keuze motorisch antwoord
o Programmeerregel: abstracte, amodale representatie van een taak, opgebouwd worden via een
leerproces -> kiezen ifv de situatie (bv match -> voorzet -> bal halve hoogte -> verdediger denkt op die
hoogte voet ertegen en aanvaller zijn hoofd -> schoen tegen hoofd => probleemsituatie -> situatie op
verschillende manier gepercipieerd)
o Obv reeks herhalingen van bepaalde klasse
Programmering
o Programmeren= constructie van ad hoc motor programma obv verworven programmeerregels in de
actuele info die ter beschikking is in de omgeving
o Houdingscontrole
o Parametrische specificatie
4
Luc Vereeck
inleiding
Voorbeelden van aandoeningen
o Hemiplegie/hemiparese vs paraplegie/paraparese
o Cerebullaire ataxie: intensionele tremor
o Ziekte van Parkinson: rusttremor
o Spraakstoornis (=dysartrie): patiënt kan taal vormen en construeren MAAR gescandeerde spraak
o Oculomotorische dysartie van de ogen (dysmetrie, hypometrie, hypermetrie)
Cerebrovasculaire accident: subcorticaal en corticaal gelegen kan leiden tot hemiplegie/hemiparese
Hemiplegie = verlamd lidmaat
Hemiparese = krachtsverlies minder uitgesproken dus niet verlamd lidmaat -> krachtsvermindering
Subcorticaal-> uitval basale ganglia (extrapyramidiaal) -> leidt tot ziekte van Parkinson
Cerebellum -> aanleiding tot atactisch bewegen (= cerebullaire ataxie) = ongeordend, ongecoördineerd bewegen
Verlengde merg -> klassieke dwarslaesie -> aanleiding tot paraplegie of paraparese -> uitval van spieren
Hfdst 1: komen tot zinvolle revalidatie
Triade: vertigo – nekpijn – hoofdpijn (Vertigo = draaiduizeligheid)
o BPPV (Benigne Paroxysmale Positionele Vertigo): goedaardige aandoening, kortdurende maar hevige
pijn/draaiduizeligheid, klachten uitgelokt door een beweging, nekpijn is secundair -> door de duizeligheid
hoofd niet meer bewegen want dan worden ze duizelig -> opstijven van de nek
o Problematiek: otoconia (kristalletjes) komen terecht in de semicirculaire kanalen van het labyrint
en dit gaat u duizelig maken -> als therapeut er terug uit krijgen
o Behandeling: Repositie- en bevrijdingsmanoeuvres, habituatietraining, hoofdbewegingen om
kristallen eruit te krijgen
o VBI (Vertebro-Basilaire Insufficiëntie): posterieur deel van uw centraal neurologisch systeem bevloeien ->
lokale ischemie wat aanleiding geeft tot duizeligheid (via extensie en rotatie afklemmen van bloedvat) +
vaak een degeneratieve aandoeningen + contra-indicaties -> cervicale wervelzuil niet manipuleren
o CPV of CGD (Cervicogene Proprioceptieve Vertigo)
o Aspecifieke duizeligheid (instabiliteit) geassocieerd met hoofdbewegingen & nekpijn/nekstijfheid
o Veranderde cervicogene proprioceptieve input vanuit de cervicale wervelzuil
o Degeneratie/dysfunctie facettaire gewrichten & diepe cervicale musculatuur
1
, Let op variaties in klachtenpatroon zoals timing klachten (duizeligheid primair symptoom of secundair aan
langdurige nekklachten); duurtijd klachten; uitlokking?; typisch rotatoire (vertigo) of atypische
duizeligheid (ijl, zweverig); zware ischemische (occipitale) hoofdpijn vs spierspanningshoofdpijn
Homonieme hemianopsie
Stoornis zorgt ervoor dat je telkens een bepaald deel van het gezichtsveld niet ziet
Bv letsel niveau 3 (tractus opticus) rechts (info opnemen door rechtergedeelte retina) en het linker nasale
deel-> info komt niet door naar de visuele cortex (re temporaal deel kijkt naar links en het links nasaal
deel kijkt ook naar links) -> linker en rechter oog linkerkant niet ziet = homonieme hemianopsie!!
Letsel rechter N.opticus -> uitval van rechteroog -> gezichtsveld minder beperkt -> patiënten beseffen probleem
en passen hoofdbewegingen aan
Horizontale blikparese
o = oculomotorisch probleem (probleem met oogmotoriek -> blikrichting niet correct aansturen)
o Middellijn met hun blik niet overkruisen
o Bv je komt binnen en patient volgt u met de ogen maar als je hen bent gepasseerd zien ze u niet meer
o Blikrichting is nooit constant vooruit
o Patient beseffen dat ze een kant niet scannen -> compenseren met hoofdbewegingen
Hemispatieel visueel neglect
o = aandachtsprobleem -> aandacht niet houden op de visuele info van de omgeving van 1 helft van de
leefwereld
o Vaak linkerkant + beseffen dit niet -> niet compenseren
Leerproces -> therapeut is een leerkracht -> patiënt iets motorisch terug aan te leren/reduceren van
klachten -> realistische verwachtingen stellen
Hfdst 2: motoriek bestaat niet
Motorisch gedrag= resultaat van een flexibel functioneel systeem dat zich vlot kan aanpassen aan veranderende
omstandigheden en waarbij de integratie van cognitieve, motorische en perceptuele mechanismen van groot
belang zijn
Model van Mulder => examen
2
,Activatieniveau
o Zintuigelijke en motorische alertheid is een voorwaarde voor iedere vaardigheid
o “wakker zijn”
o Beïnvloedt worden door: coma, suf, somnolent, extreme vermoeidheid, medicatie (sedatie, slaapmiddel),
eenzaam -> sensorische deprivatie
Verminderd activatieniveau
o Hersenletsel -> kan leiden tot coma
Niet bij bewustzijn = niet reageren op prikkels
Akinetisch = niet spreekt en niet beweegt
Langdurig coma kan leiden tot hersendood
Wakker: dag en nachtritme
Aandacht
o Parallell steeds aanwezig
o Is niet unitair -> verschillende aspecten
o Passief (aandachtsproces gestart vanbuiten uit bv luide knal) vs actieve (je bepaald dit zelf als persoon)
aandacht (bron)
o Externe (aandacht vestigen op wat je voelt buiten het lichaam) vs interne (aandacht vestigen op wat je
voelt in je lichaam) aandacht (gericht op)
o Selectiviteitsdimensie van aandacht
o Passief: cue’s (gele tulpen in een rood tulpenveld)
o Actief: gerichte aandacht (focussed attentention) locus / materiaal specifiek (visueel, geluid)
o Coverte (aandacht voor waar je niet naar kijkt) vs overte aandacht (oogbeweging-bron -> koppeling)
o Intensiteitsdimensie (kwantitatief-> niet iedereen evenveel aandacht bij personen)
o Alertheid (fight or flight) (autonomen en centrale processen) (activatieverhoging)
o Volgehouden (kinderen spelen met iets en dan doen ze ineens iets anders, sustained attention) + aan en
uit kunnen zetten (aandoening: perseveratie -> blijven hangen in een bepaalde deeltaak)
3
, o Aandachtscapaciteit
o Verdeelde of gespreide aandacht (input/output, divided attention)
o Aandachtssturing (leerproces: superviserend of automatisatie)
Intentie = doel van de handeling = start van proces
o Probleemoplossend gedrag
o Motivatie (formulering doelstelling op abstract/concreet)
o Intentionele aspecten van een beweging)
o Bv. lesnotities nemen -> willen slagen voor opleidingsonderdeel -> diploma halen
Psyche
o Emotie
o Motivatie belangrijke link met doel
o Impulsiviteit, apathie, depressie -> gedrag
o Geduld, vetrouwen voor oefentherapie
Sensorische input / sensorische selectie / stimulusherkenning -> hangen nauw samen! => sensorische situatie
o Sensorische input: stimulus waarnemen (bombardement van visuele, auditieve … prikkels) ->
multimodaal
o Sensorische selectie:
o Afleiding vs obsessie
o Aandacht/concentratie
o Vermogen CZS om relevante info te selecteren voor de uit te voeren beweging
o Facilitatie geheugen
o Stimulusherkenning:
o Stimulus krijgt betekenis (perceptie/gnosis)
o Perceptie is niet hetzelfde als waarneming
o Geheugen = kennisreservoir -> nodig om betekenis te geven
o Anticipatie
o Sensorische integratie
o Verschillende stimuli samenbrengen -> creatie (multimodale) situatie)
o Wat kan er foutlopen? Illusie (foute betekenisgeving door onvoldoende kwalitatieve prikkels door
bijkomende info) vs hallucinatie (betekenis geven aan zaken die er niet zijn)
Keuze motorisch antwoord
o Programmeerregel: abstracte, amodale representatie van een taak, opgebouwd worden via een
leerproces -> kiezen ifv de situatie (bv match -> voorzet -> bal halve hoogte -> verdediger denkt op die
hoogte voet ertegen en aanvaller zijn hoofd -> schoen tegen hoofd => probleemsituatie -> situatie op
verschillende manier gepercipieerd)
o Obv reeks herhalingen van bepaalde klasse
Programmering
o Programmeren= constructie van ad hoc motor programma obv verworven programmeerregels in de
actuele info die ter beschikking is in de omgeving
o Houdingscontrole
o Parametrische specificatie
4