Academiejaar ’24-‘25
Samenvatting psychogerontologie
Inhoud
1. Belangrijke thema’s bij veroudering ..................................................................................4
1.1 Vergrijzing ....................................................................................................................4
1.2 Biopsychosociale perspectief ......................................................................................8
1.3 Vier principes van het ouder worden .............................................................................8
1.4 Persoonlijk versus sociaal ouder worden..................................................................... 10
1.5 Modellen van ontwikkeling ......................................................................................... 11
1.6 Benaderingen van het verouderingsproces .................................................................. 12
2. Fysieke verandering bij ouderen...................................................................................... 19
2.1 Verschijning ............................................................................................................... 19
2.2 lichaamsbouw ........................................................................................................... 21
2.3 Bewegingsstelsel ....................................................................................................... 21
2.4 Vitale lichaamsfuncties.............................................................................................. 23
2.5 Controlesystemen van het lichaam ............................................................................ 24
2.6 Zenuwstelsel ............................................................................................................. 26
2.7 Sensatie en perceptie ................................................................................................ 28
3. Fysieke gezondheid (ziektebeelden)................................................................................ 29
3.1 Ziekten van het cardiovasculaire systeem ................................................................... 29
3.2 Kanker ....................................................................................................................... 31
3.3 Ziekten van het musculoskeletale systeem ................................................................. 31
3.4 Diabetes .................................................................................................................... 31
3.5 Ziekten van het ademhalingsstelsel ............................................................................ 32
4. Cognitie en gezond ouder worden ................................................................................... 33
4.1 Cognitie..................................................................................................................... 33
4.2 Cognitieve achteruitgang: proximale factoren ............................................................. 36
4.3 Implicaties voor het functioneren ............................................................................... 40
4.4 Consequenties van het verminderd functioneren ........................................................ 41
4.5 Cognitieve training ..................................................................................................... 42
4.6 Wanneer is het probleem ernstig? .............................................................................. 43
5. Cognitie en pathologisch ouder worden (verschillende ziektebeelden) ............................. 44
5.1 Pathologische veroudering ......................................................................................... 44
5.2 Dementie .................................................................................................................. 45
1
,LenaCoe
Academiejaar ’24-‘25
5.3 Pathologische veroudering ......................................................................................... 56
5.4 Diagnostiek van neurodegeneratieve aandoeningen .................................................... 56
5.5 Omgaan met de persoon met dementie ...................................................................... 60
6. Vroegtijdige detectie van Alzheimerdementie: een neuropsychologische benadering ....... 62
6.1 Uitgangspunten van het onderzoek ............................................................................. 62
6.2 Doelstellingen van het onderzoek ............................................................................... 63
6.3 Methode van het onderzoek ....................................................................................... 63
6.4 Resultaten ................................................................................................................. 66
7. Persoonlijkheid .............................................................................................................. 74
7.1 Psychodynamisch perspectief .................................................................................... 74
7.2 Traitbenadering .......................................................................................................... 77
7.3 Sociaal cognitieve benaderingen ................................................................................ 81
7.3.1 The socioemotional selectivity theory ......................................................................... 81
7.4 Cognitieve perspectief ............................................................................................... 85
7.5 MIDLIFE CRISIS theory ............................................................................................... 86
8. Succesful aging ............................................................................................................. 88
8.1 Theoretische perspectieven ....................................................................................... 88
8.2 Subjective well-being ................................................................................................. 89
9. Zelfbeschadiging bij oudere volwassenen ....................................................................... 91
9.1 Wat is zelfbeschadiging? ............................................................................................ 91
9.2 Waarom is onderzoek hiernaar bij oudere volwassenen belangrijk?.............................. 94
9.3 Wat hield mijn doctoraatsonderzoek in? ..................................................................... 95
9.3.1 Wat verteld de literatuur ons ....................................................................................... 95
9.3.2 Wat vertellen experts uit de ouderenzorg ons? ............................................................. 97
9.3.3 Wat vertellen de oudere volwassenen ons? ................................................................. 99
9.4 Wat wil dit nu allemaal zeggen? ................................................................................ 100
10. Levenseinde en rouw ............................................................................................... 102
10.1 Levenseinde ............................................................................................................ 102
10.2 Rouw ....................................................................................................................... 107
2
,LenaCoe
Academiejaar ’24-‘25
3
,LenaCoe
Academiejaar ’24-‘25
1. Belangrijke thema’s bij veroudering
Psychogerontologie: definitie
• Psychogerontologie: de psychologie van het ouder worden en het sociaal-emotioneel
functioneren van ouderen
Video dia 4:
- Er is een toegenome levensverwachting maar de bijkomende jaren die erbij komen
na 80 jaar gaan vaak niet gepaard met healthy aging
- Sandwich generatie: mensen die ouder worden en de mantelzorgers gaan ook
ouders worden (hun kinderen van 60-65 jaar) waardoor ze ook moeten zorgdragen
voor hun kleinkinderen én hun ouders → ook aandacht voor mantelzorgers
- Weinig tijd bij huisartsen consultatie (15min) maar dit is niet afgestemd op oudere
mensen, die vaak comorbide problemen hebben die samenhangen en daardoor
meer tijd nodig hebben
- Kwetsbaarheid (frailty): wordt vaak fysiek bekeken = fysieke kwetsbaarheid van
minder goed kunnen lopen of kunnen zien, maar moet multidimentioneel worden
gezien. Er is niet enkel sprake van fysieke kwetsbaarheid maar ook psychische,
sociale en omgevingskwetsbaarheid (→ ze wonen in huizen die niet meer aangepast
zijn aan hun situatie (te groot, niet goed verwarmd, veel vocht)), en dit heeft dan weer
impact op andere domeinen
1.1 Vergrijzing
Ouderen: wie zijn ze?
• Verschillende termen: senioren, bejaarden,… → wij gebruiken ouderen!
Older adults in Engelse literatuur
• Welke leeftijd?
- Chronische leeftijd
o 65-74 jaar: “jonge” ouderen
o 75-84 jaar: “oude” ouderen
o > 85 jaar: “oudste” ouderen
o > 100 jaar: “centenarian”
o > 110 jaar: “super centenarian”
Binnen hele grote groep van ouderen veel heterogeniteit dus niet op 1 hoop gooien, deze
terminologie gemaakt om het onderscheid te maken
4
,LenaCoe
Academiejaar ’24-‘25
• Growth in centenarians
Zie dus de toegenomen levensverwachting
• Functionele leeftijd
- Biologisch leeftijd
- Psychologische leeftijd
- Sociale leeftijd
Grote heterogeniteit binnen functionele leeftijd, ook binnen dezelfde kalenderleeftijd
Biologische leeftijd
• = gebaseerd op de kwaliteit van de werking van de lichaamssystemen/organen
• “biologische leeftijdstest” (nagaan levensverwachting + hoe gezond men gaat ouder
worden)
Bv: bij Progeria patiënten ligt hun kalenderleeftijd veel jonger dan hun biologische leeftijd
Psychologische leeftijd
• = gebaseerd op het functioneren op psychologische/cognitieve tests (geheugen,
intelligentie, leercapaciteit,…)
Bv: bij jongdementie komt de psychologische leeftijd niet overeen met kalenderleeftijd
Sociale leeftijd
• = gebaseerd op welke sociale rollen een persoon inneemt (familie, werk,
gemeenschap,…)
• Bv: een grootouder heeft een hogere sociale leeftijd dan een ouder; een gepensioneerde
is “ouder” dan een werkend persoon
Bv: topsporters gaan al op pensioen op 30 en deze hebben dan een hele andere sociale
leeftijd
5
,LenaCoe
Academiejaar ’24-‘25
Functionele leeftijd moet continu aangepast worden bv: morgen kan biologische leeftijd er weer
helemaal anders uitzien
Functionele vs chronologische leeftijd
• Chronologische leeftijd = meest gehanteerd (= leeftijd volgens de jaren)
- Bevolkingspiramides
- Bevolkingsvooruitzichten
Vergrijzing: enkele cijfers
• Vergrijzing van de bevolking (dubbele vergrijzing)
Ook het aantal oudste ouderen gaan sterk toenemen
De babyboomers zijn nu
oud
6
,LenaCoe
Academiejaar ’24-‘25
Ouderen zijn niet gelijk verdeeld over gemeenten en provincies. Grootste aantal ouderen aan de
kust, maar ook veel eenzame ouderen omdat ze dan alleen vallen en kinderen nog in binnenland
wonen
Vergrijzing: levensverwachting (België)
Een kind dat in 2021 werd geboren heeft een levensverwachting van 81 jaar
Vrouwen nog hogere levensverwachting dan mannen, maar het verschil is kleiner aan het
worden
Knikje in de grafiek = corona
7
, LenaCoe
Academiejaar ’24-‘25
Mensen gaan rond 65 jaar op pensioen, dan moet je nog 20 jaar zinvol invullen
• België op plaats 23 van landen met grootste aantal ouderen
1.2 Biopsychosociale perspectief
• = ontwikkeling/veroudering is een complex samenspel van biologische, psychologische
sociale processen
• Biologische: werking van de lichaamsfuncties en structuren doorheen het
verouderingsproces
• Psychologische: cognities, gevoelens, emoties en persoonlijkheid
• Sociale: positie binnen sociale structuren (familie, cultuur, wereld, land, gemeenschap)
1.3 Vier principes van het ouder worden
1. Veranderingen in de levensloop verlopen continu
• Continuïteitsprincipe: hetgene dat gebeurt op oudere leeftijd bouwt voort op
gebeurtenissen uit het verleden en hoe we ons toen gedragen hebben
& nu ook focus op preventieve verhaal → gezond eten, niet of weinig roken, actief
bewegen,… zijn dingen die we moeten doen om te zorgen dat we later in het leven beter
en gezonder leven + het is niet omdat mensen ouder worden dat ze anders zijn
2. Enkel de “overlevende” zijn diegene die oud worden
• De enige voorwaarde om oud te worden = NIET DOODGAAN
Dit heeft repercussie in bv onderzoek bv: jongere vergelijken met ouderen. Maar die
oudere zijn erin geslaagd om niet dood te gaan en gezond te blijven. Er zit dus een bias in
de 80 jarigen die je gaat testen. Er zijn onderzoeken dat risicovol gedrag wordt getest en
daarin kwam dat jongeren meer risicovol gedrag vertonen dan ouderen, maar je kan dit
dan verkeerd concluderen. Want het kan ook dat ouderen die risicovol gedrag vertoonde
er niet meer zijn.
3. Individualiteit doet ertoe
• Mythe: als mensen ouder worden lijken ze steeds meer en meer op elkaar
Het is niet zo iedereen die oud is dezelfde kenmerken heeft. Er zijn bij ouderen grote
interindividuele verschillen (meer verschillen tussen ouderen onderling dan tussen
jongeren onderling) en ook veel intra-individuele verschillen
4. Normaal verouderen is verschillend van ziekte
• Normaal verouderen (primair), pathologisch verouderen (secundair en tertiair) en
optimaal (succesvol) ouder worden
Niet alle ouderen worden dement of krijgen kanker. Het normaal verouderen wat
geprogrammeerd zit in onze hardware: zicht gaat achteruit, haren worden grijs,… → een
bepaald deeltje van onze ouderen krijgen wel een pathologisch verouderingsproces
zoals een CVA of een kanker
- Tertiair verouderen = Op een bepaald punt als mensen richting sterven gaan, gaan ze
heel snel pathologisch achteruit
- Optimaal verouderen/succesvol verouderen: goed compensatiemechanisme om
succesvol te verouderen
8