Leerdoelen:
1. De verschillende aspecten van sociale, emotionele, culturele en praktische intelligentie in eigen woorden uitleggen
2. Intelligentie op verschillende wijzen (bv. naïef psychologisch, wetenschappelijk) definiëren
3. De belangrijkste theorieën binnen de cognitief-experimentele (bv. Sternberg, Gardner, PASS-model...) en psychometrische benadering (bv.
Spearman, Thurstone, Cattell.) m.b.t. intelligentie in eigen woorden uitleggen
4. De ontwikkeling van (de theorievorming rond) het CHC-intelligentiestructuurmodel schetsen
5. de beperkingen van de klassieke intelligentietests (WPPSI, WISC, WAIS...) vanuit het perspectief van het CHC-model in eigen woorden uitleggen
6. De genetische en omgevingseffecten op de ontwikkeling van individuele verschillen in intelligentie in eigen woorden uitleggen
7. Het CHC-intelligentiestructuurmodel en de actuele CHC-theorie toelichten
8. de toepassingsgebieden van verschillende intelligentietests (m.i.v. sociale, culturele en emotionele intelligentie) toelichten
9. een psychodiagnostische test (i.e. intelligentiestest (bv., WISC, WAIS…), persoonlijkheidstest, motivatietest) correct afnemen
10. de antwoorden op een psychodiagnostische test (i.e., intelligentiestest (WISC, WAIS…),persoonlijkheidstest, motivatietest) correct verwerken
11. de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek (i.e., intelligentiestest (WISC, WAIS…),persoonlijkheidstest, motivatietest) correct interpreteren
12. de resultaten van een pychodiagnostisch onderzoek correct weergeven in een verslag
1
,HOOFDSTUK 1: WAT IS INTELLIGENTIE?
1. Wat is intelligentie?
1.1 Intelligentie in de naïeve psychologische theorie
1.2 wetenschappelijke afbakening van het begrip
1.1 intelligentie in de naïeve psychologische theorie
1.1.1 standpunten met betrekking tot intelligentie
Veel verschillende opvattingen over intelligentie
Iedereen geeft andere betekenis aan intelligentie -> heel uiteenlopende meningen
1.1.2 intuïtieve mensenkennis
Intelligentie in de volksmond: slim, knap, snel van begrip, snel iets doorhebben, goed problemen
kunnen oplossen, iemand met veel kennis en inzicht, …
1.1.3 Onderzoek van Sternberg: wat denkt een leek over intelligentie?
Wat denkt een leek over intelligentie?
-> een leek = een niet-deskundige = iemand die niet geschoold is in een bepaald gebied.
Sternberg ging dit onderzoeken via een indirecte benadering -> niet gewoon een definitie vragen dus.
-> Merkten op dat leken intelligentie niet als een enkelvoudig begrip opvatten, maar dat ook zij heel
divers en genuanceerd denken over intelligentie als begrip.
Besluit onderzoek Sternberg:
• Leken hebben een impliciete( = niet uitgesproken)theorie over intelligentie
-> de leken zijn zich niet bewust van hun intelligentietheorie
-> iedereen heeft er een bepaald idee of beeld van, maar kan dit niet altijd in woorden
uitdrukken
• Inschatting van intelligentie bij anderen correleert hoog met resultaten uit
intelligentietesten (bij iemand die je goed kent)
-> we kunnen goed inschatten hoe intelligent iemand is, zeker als we die goed kennen
-> niet perfect: altijd bias (=denkfouten)
• Breder en diffuser beeld van intelligentie dan de wetenschap:
❖ Ook alledaags functioneren in rekening genomen door leken
-> leken houden ook rekening met wat persoon in dagelijks leven doet -> dit wordt
niet opgenomen in een IQ test
❖ “Common sense” idee van intelligentie
-> ‘boerenverstand’ -> een goede alledaagse intelligentie
-> leken hebben dus een breder en diffuser (minder afgelijnd) beeld van intelligentie, want
alledaagse leven wordt mee in kaart gebracht en houden rekening met common sense
2
,1.1.4 Taak van psychologie als wetenschap
• Vanuit veelheid aan opvattingen: begrip intelligentie afbakenen
• Door middel van onderzoek: definitie formuleren -> wordt heel duidelijk gedefinieerd
• Wetenschappelijke opvattingen onderscheiden zich van ‘leken’-opvattingen:
• Wetenschappelijke opvatting: werken met zo zuiver mogelijk gedefinieerde en
meetbare concepten
1.2 Wetenschappelijke opvattingen: theorieën, hypothesen en verwachtingen over
psychologische verschijnselen worden getoetst -> kijken of wat wij denken wel klopt (bij leken
niet zo belangrijk, in wetenschap wel!)
1.3 Wetenschappelijke afbakening van het begrip
1.3.1 academische intelligentie
Intelligentie in onderzoek = afgebakend tot ‘academische’ intelligentie
-> = de vorm van intelligentie die helpt om te studeren of leerstof eigen te maken (niet alleen op
school, maar in alles wat we (bij)leren)
1.3.2 Definitie van Boring: Intelligentie is dat wat de test meet
Definitie van Boring uit 1923:"Intelligentie is dat wat de test meet"
• De definitie = circulair -> de 2 delen van de definitie hebben elkaar nodig
-> ‘wat is intelligentie? -> dat wat de test meet’ => ‘en wat meet de test? -> intelligentie’
-> geen goede definitie dus
1.3.3 wetenschappelijke definities
Definities van intelligentie – wetenschappers:
-> geen enkele wetenschapper had dezelfde definitie;
heel moeilijk dus om 1 definitie te geven
1.3.4 Niveaus van intelligentie: A, B en C
De vele definities zorgen dus voor veel verwarring over het begrip
-> gaan een orde binnen de definities aanbrengen door een onderscheidt te maken in de verschillende
niveaus van intelligentie
Ordenen van intelligentie in niveaus A, B en C (Vernon)
Niveau A = intelligentie A
- de intelligentie die in onze genetica vastligt zonder invloed van buitenaf (stukje dat
aangeboren is zonder omgevingsinvloeden)
- Aangeboren potentieel (mogelijkheid om te gebruiken) tot intelligent handelen
- Ligt vast in de hersenen
3
, - Cultuuronafhankelijk en stabiel -> onafhankelijk van omgevingsfactoren, gebeurtenissen…
+ blijft hetzelfde (onveranderbaar)
- Niet meetbaar (ligt voorbij dat wat meetbaar is) en is daarom een theoretische
veronderstelling -> kunnen dit niet meten want kunnen niemand zijn IQ meten zonder dat
deze beïnvloed is door de omgeving (zelfs al tijdens zwangerschap beïnvloed door
omgeving)
-> wij staan nooit los van onze omgeving
-> is dus een theoretische veronderstelling: gaan ervan uit dat het er is, maar kunnen het niet vaststellen
Niveau B = Intelligentie B:
• Interactie tussen genetische aanleg en omgevingsinvloeden/leerervaringen
• Mede afhankelijk van:
- Opvoeding
- Leefomstandigheden voor en na de geboorte (voeding, culturele gewoonten)
- Onderwijs
- Levenservaringen
• Cultuurgebonden en veranderlijk -> kan dus door omgevingsfactoren veranderen
• In principe meetbaar
Intelligentie C:
• wat een intelligentietest meet -> is nooit helemaal de volledige intelligentie van de persoon
• de gemeten intelligentie van een persoon
* meeste wetenschappelijke definities van intelligentie: gebaseerd op niveau van intelligentie B en
intelligentie C (omdat die zichtbaar en meetbaar zijn)
We hebben een bepaalde intelligentie (=B) en als we die gaan meten komen we op een bepaald
resultaat (=C)
-> onze echte intelligentie= B
-> de gemeten intelligentie = C -> want kunnen niet alles in kaart brengen
1.3.5 Niet 1 definitie: wat nu??
Verschillende moderne definities van intelligentie:
- Nadruk op allerlei onderliggende verstandelijke cognitieve processen en vaardigheden
- Belang van “metacognitie” (het meer of minder gericht sturen van de eigen cognitieve
processen en vermogens) "denken over denken".
Het gaat erom dat je niet zomaar iets doet of leert, maar bewust nadenkt over hóé je denkt en leert. -> =
dat stuk van de intelligentie die het overzicht behoud (de kapitein van het schip) ->
degene die alle processen aanstuurt
4