SV sociaal ondernemen 2e Sem. Ortho 3
SOCIAAL ONDERNEMEN
HOOFDSTUK 1: ONTSTAAN BELANG ONDERNEMEN
1. ONDERNEMEN: INVLOED MAATSCHAPPIJ
1.1 EVOLUTIE VAN MANAGEMENTMODELLEN
Reductie van complexe werkelijkheid
Afspiegeling van samenleving, maatschappij wordt beïnvloed door wat er gebeurt
Constante vernieuwing
o Levenslang leren
Ontstaan managementmodellen
o = Wisselwerking tss technologische, sociale en politieke factoren
1900- 1925: ROARING TWENTIES
= Leven vol contrasten: rijken worden rijker
Overvloed productiemiddelen, goedkope arbeidskrachten en economisch beleid = laissez-faire
Rijken konden werkmensen uitbuiten in fabrieken (ook kinderen)
Grote gezinnen, kleine huizen
Vakbonden: onbestaand
o Niemand kwam op voor belangen van arbeiders= zware periode voor arbeiders
Grote kindersterfte
Veel uitvindingen= industriële evolutie
Henry Ford:
Uitvinding van de lopende band= sneller werk
o Arbeiders kunnen het snelle tempo moeilijker vol/bijhouden
o Moesten volhouden want sociaal darwinisme op werkvloer
Maak van auto:
o Voor lopende band: 93 dagen
o Na: 93 minuten
Auto’s werden voor middenklasse goedkoper
Sociaal Darwinisme:
Survival of the fittest
Als men niet 100% kon werken, was je tegen het einde van de dag je werk kwijt
o Dit omdat er veel arbeiders waren
Enkel de beste/snelste arbeiders, behouden hun job
Dit alles leidt tot
,SV sociaal ondernemen 2e Sem. Ortho 3
1900-1925: RATIONEEL-DOELMODEL
= Productiviteit en winst
Duidelijke leiding winst
o Doel-middelentheorie= duidelijke leiding levert productieve resultaten op
Nadruk: verhelderen van doelen, rationele analyse en handelend optreden
Rationeel economisch klimaat
o Geen emotionele beslissingen gemaakt, enkel rationeel
o Beslissing maken Enkel focus op hoe men meer winst kon maken en het eindresultaat
Bv: werknemer van 20j produceert aan 80%, vervangen door werknemer die
werkt aan 100% efficiency. Ookal was die werknemer de fabriek al lang trouw.
Taak manager= harde bestuurder en producent
Slechte behandeling van werknemers door opzichters en managers
o Bv: toilet in midden fabriekshal met glazen ruiten kijken wie en hoe lang
Onderzoek naar hoe men meer uit de arbeiders kon halen
o Beide handen en voeten gebruiken zo kan je meer werk verrichten
o Kan je dit niet volhouden = werk kwijt
1900-1925: INTERN PROCES MODEL
= Stabiliteit en continuïteit
Routines efficiëntie
o Doel-middelentheorie= het tot stand brengen van routines leidt tot stabiliteit
Hiërarchische cultuur en structuur
o Alle beslissingen weerspiegelen de bestaande regels, structuren en tradities
Taak manager= gestructureerde controleur en coördinator
o Er waren verschillende leidinggevende die zorgen voor controle en duidelijkheid
o Men werd constant in de gaten gehouden
o Vb: als efficiency van werknemer daalt, wordt de controle opgevoerd door toepassing van
verschillende maatregelen en procedures
Ondernemer was gericht op winst en hard werken
Uitleg symbool: driehoek= effectiviteit, stabiliteit en continuïteit. Niets stabieler dan een driehoek
TIJDEN VERANDEREN:
WOII Gevolg = Beurscrash
o Rijken verliezen veel geld= geen geld om fabrieken te onderhouden werkloosheid en armoede
o Burgers hadden gevoel dat ze iets gedaan hadden voor land, wouden geen slaven
meer zijn in fabriek
o Ontstaan vakbonden: impact op onze levensstandaard
Vb. 6/7 werken, geen kinderarbeid
Industriële evolutie (bij de vrouwen)
o Vrouwelijke taak= huishouden
o Door de vele nieuwe uitvindingen kreeg de vrouw veel meer vrije tijd
Vb. stofzuiger, koelkast, wasmachine…
Cursussen volgen, daguitstappen droegen meer bij aan economie
Zorgde voor andere dynamiek in maatschappij
,SV sociaal ondernemen 2e Sem. Ortho 3
1926-1950: HUMAN-RELATIONSMODEL
= Inzet, samenhang en moreel
Lichtexperiment betrokkenheid
o Doel-middelentheorie= betrokkenheid leidt tot inzet
Participatie – consensus – teamgerichtheid
Taak manager= mentor en stimulator
o Alert op signalen reageren
o Zorgen dat men graag komt werken
o Bazen werden minder streng en moesten rekening houden met de werknemers
Klimaat= gekenmerkt door saamhorigheid en teamgerichtheid
Besluitvorming= sterke betrokkenheid
o Wanneer efficiency afneemt, zien managers dat als een ontwikkeling waarbij
motivatie een belangrijke rol speelt. Maken gebruik van sociaal-psychologische
factoren en kiezen er bv voor om iemand minder zelfstandig te laten werken
Fabrieken moeten mee met maatschappij= menselijker worden
Men ging niet werken om te werken, maar werken om er plezier uit te halen
Uitleg symbool= verbondenheid
NA JAREN 50:
Economisch: oorlog China en Amerika
o Elkaar aftroeven om economische vooruitgang te bieden
Technologische vooruitgang:
o 1969: eerste maanlanding men kon live meekijken thuis (Neil Armstrong)
Televisie, laptop werd meer toegankelijk
o Men kreeg meer informatie
o Vb. Vietnamoorlog: soldaten werden niet meer gezien als helden zoals vroeger
(verhaal werd gedaan door soldaten adhv brieven). Er werden beelden getoond van
de oorlog waardoor men het perspectief van de slachtoffers te zien kreeg
o Men kwam meer op voor de rechten, opstanden
o Vrouwen mochten stemmen (door deze opstanden)
1970: olie-embargo (= handelsverbod op olie-export naar bepaalde landen)
o Veel technologie werkte op olie overheden maakten grote schulden zodat
fabrieken niet opnieuw moesten sluiten
o Economisch gezien= delicaat gebeuren
o Er was in deze jaren niet veel nodig om de economie omzeep te krijgen
1951-1975: OPEN-SYSTEEMMODEL
= Aanpassingsvermogen en externe ondersteuning
Concurrentie innovatie, flexibiliteit
o Doel-middelentheorie= voortdurende aanpassing en vernieuwing leidt
tot het verwerven en onderhouden van productiemiddelen buiten de
organisatie
o Door de vele veranderingen moet men snel kunnen schakelen
Taak producent= innovator en bemiddelaar
o Men gaat bemiddelen met arbeiders dat ze de innovatie wilden
gaan volgen en moeten tegelijkertijd rekening houden met de noden van hun werknemers
, SV sociaal ondernemen 2e Sem. Ortho 3
o Door de vele veranderingen moet men snel kunnen schakelen – flexibiliteit belangrijk
Efficiency is hoog gedurende langere perioden. Bij daling komt dit meestal door te veel stress
Uitleg symbool= amoebes= organismen met een groot reactievermogen die snel veranderen
en zich aan hun omgeving kunnen aanpassen
BIJNA HUIDIGE MAATSCHAPPIJ:
1989: val Berlijnse muur
o = overwinning kapitalisme = Grote gevolgen voor kapitalisme
1991: Sovjet-Unie uit elkaar
o Ontstaan aparte staten
o Kleinere machten worden steeds belangrijker
o Kleinere landen spelen op wereldniveau mee men heeft van alles nodig
1976-HEDEN: 'EN/EN’ VOORONDERSTELLINGEN
= Alle modellen door elkaar gebruiken
Aantrekken, houden, ontwikkelen van mensen
Strategisch denken
Innovatie
Waarborgen prestatiegericht klimaat
Verbeteren van klanttevredenheid
o Klant heeft een grote macht, kunnen bedrijven stilleggen
o Bv: massaal stoppen met kopen van Tesla’s
Burn-outs stijgen
EVENWICHT
HEDEN:
Timemanagement en stressbeheersing
Concurrentie voorblijven
Leven en werk in balans houden
Interne processen verbeteren
Innovatie stimuleren
Hybride werken
1.1.1 MODEL VAN CONCURRERENDE WAARDEN
Het concurrerende-waardenkader= criteria voor effectiviteit
Alle elementen moeten in bedrijf, onderneming en leiding
aanwezig zijn
Bedrijven die dit niet hebben, bestaan niet meer
Alles samengevoegd in 1 persoon = ondernemende
coachende manager
SOCIAAL ONDERNEMEN
HOOFDSTUK 1: ONTSTAAN BELANG ONDERNEMEN
1. ONDERNEMEN: INVLOED MAATSCHAPPIJ
1.1 EVOLUTIE VAN MANAGEMENTMODELLEN
Reductie van complexe werkelijkheid
Afspiegeling van samenleving, maatschappij wordt beïnvloed door wat er gebeurt
Constante vernieuwing
o Levenslang leren
Ontstaan managementmodellen
o = Wisselwerking tss technologische, sociale en politieke factoren
1900- 1925: ROARING TWENTIES
= Leven vol contrasten: rijken worden rijker
Overvloed productiemiddelen, goedkope arbeidskrachten en economisch beleid = laissez-faire
Rijken konden werkmensen uitbuiten in fabrieken (ook kinderen)
Grote gezinnen, kleine huizen
Vakbonden: onbestaand
o Niemand kwam op voor belangen van arbeiders= zware periode voor arbeiders
Grote kindersterfte
Veel uitvindingen= industriële evolutie
Henry Ford:
Uitvinding van de lopende band= sneller werk
o Arbeiders kunnen het snelle tempo moeilijker vol/bijhouden
o Moesten volhouden want sociaal darwinisme op werkvloer
Maak van auto:
o Voor lopende band: 93 dagen
o Na: 93 minuten
Auto’s werden voor middenklasse goedkoper
Sociaal Darwinisme:
Survival of the fittest
Als men niet 100% kon werken, was je tegen het einde van de dag je werk kwijt
o Dit omdat er veel arbeiders waren
Enkel de beste/snelste arbeiders, behouden hun job
Dit alles leidt tot
,SV sociaal ondernemen 2e Sem. Ortho 3
1900-1925: RATIONEEL-DOELMODEL
= Productiviteit en winst
Duidelijke leiding winst
o Doel-middelentheorie= duidelijke leiding levert productieve resultaten op
Nadruk: verhelderen van doelen, rationele analyse en handelend optreden
Rationeel economisch klimaat
o Geen emotionele beslissingen gemaakt, enkel rationeel
o Beslissing maken Enkel focus op hoe men meer winst kon maken en het eindresultaat
Bv: werknemer van 20j produceert aan 80%, vervangen door werknemer die
werkt aan 100% efficiency. Ookal was die werknemer de fabriek al lang trouw.
Taak manager= harde bestuurder en producent
Slechte behandeling van werknemers door opzichters en managers
o Bv: toilet in midden fabriekshal met glazen ruiten kijken wie en hoe lang
Onderzoek naar hoe men meer uit de arbeiders kon halen
o Beide handen en voeten gebruiken zo kan je meer werk verrichten
o Kan je dit niet volhouden = werk kwijt
1900-1925: INTERN PROCES MODEL
= Stabiliteit en continuïteit
Routines efficiëntie
o Doel-middelentheorie= het tot stand brengen van routines leidt tot stabiliteit
Hiërarchische cultuur en structuur
o Alle beslissingen weerspiegelen de bestaande regels, structuren en tradities
Taak manager= gestructureerde controleur en coördinator
o Er waren verschillende leidinggevende die zorgen voor controle en duidelijkheid
o Men werd constant in de gaten gehouden
o Vb: als efficiency van werknemer daalt, wordt de controle opgevoerd door toepassing van
verschillende maatregelen en procedures
Ondernemer was gericht op winst en hard werken
Uitleg symbool: driehoek= effectiviteit, stabiliteit en continuïteit. Niets stabieler dan een driehoek
TIJDEN VERANDEREN:
WOII Gevolg = Beurscrash
o Rijken verliezen veel geld= geen geld om fabrieken te onderhouden werkloosheid en armoede
o Burgers hadden gevoel dat ze iets gedaan hadden voor land, wouden geen slaven
meer zijn in fabriek
o Ontstaan vakbonden: impact op onze levensstandaard
Vb. 6/7 werken, geen kinderarbeid
Industriële evolutie (bij de vrouwen)
o Vrouwelijke taak= huishouden
o Door de vele nieuwe uitvindingen kreeg de vrouw veel meer vrije tijd
Vb. stofzuiger, koelkast, wasmachine…
Cursussen volgen, daguitstappen droegen meer bij aan economie
Zorgde voor andere dynamiek in maatschappij
,SV sociaal ondernemen 2e Sem. Ortho 3
1926-1950: HUMAN-RELATIONSMODEL
= Inzet, samenhang en moreel
Lichtexperiment betrokkenheid
o Doel-middelentheorie= betrokkenheid leidt tot inzet
Participatie – consensus – teamgerichtheid
Taak manager= mentor en stimulator
o Alert op signalen reageren
o Zorgen dat men graag komt werken
o Bazen werden minder streng en moesten rekening houden met de werknemers
Klimaat= gekenmerkt door saamhorigheid en teamgerichtheid
Besluitvorming= sterke betrokkenheid
o Wanneer efficiency afneemt, zien managers dat als een ontwikkeling waarbij
motivatie een belangrijke rol speelt. Maken gebruik van sociaal-psychologische
factoren en kiezen er bv voor om iemand minder zelfstandig te laten werken
Fabrieken moeten mee met maatschappij= menselijker worden
Men ging niet werken om te werken, maar werken om er plezier uit te halen
Uitleg symbool= verbondenheid
NA JAREN 50:
Economisch: oorlog China en Amerika
o Elkaar aftroeven om economische vooruitgang te bieden
Technologische vooruitgang:
o 1969: eerste maanlanding men kon live meekijken thuis (Neil Armstrong)
Televisie, laptop werd meer toegankelijk
o Men kreeg meer informatie
o Vb. Vietnamoorlog: soldaten werden niet meer gezien als helden zoals vroeger
(verhaal werd gedaan door soldaten adhv brieven). Er werden beelden getoond van
de oorlog waardoor men het perspectief van de slachtoffers te zien kreeg
o Men kwam meer op voor de rechten, opstanden
o Vrouwen mochten stemmen (door deze opstanden)
1970: olie-embargo (= handelsverbod op olie-export naar bepaalde landen)
o Veel technologie werkte op olie overheden maakten grote schulden zodat
fabrieken niet opnieuw moesten sluiten
o Economisch gezien= delicaat gebeuren
o Er was in deze jaren niet veel nodig om de economie omzeep te krijgen
1951-1975: OPEN-SYSTEEMMODEL
= Aanpassingsvermogen en externe ondersteuning
Concurrentie innovatie, flexibiliteit
o Doel-middelentheorie= voortdurende aanpassing en vernieuwing leidt
tot het verwerven en onderhouden van productiemiddelen buiten de
organisatie
o Door de vele veranderingen moet men snel kunnen schakelen
Taak producent= innovator en bemiddelaar
o Men gaat bemiddelen met arbeiders dat ze de innovatie wilden
gaan volgen en moeten tegelijkertijd rekening houden met de noden van hun werknemers
, SV sociaal ondernemen 2e Sem. Ortho 3
o Door de vele veranderingen moet men snel kunnen schakelen – flexibiliteit belangrijk
Efficiency is hoog gedurende langere perioden. Bij daling komt dit meestal door te veel stress
Uitleg symbool= amoebes= organismen met een groot reactievermogen die snel veranderen
en zich aan hun omgeving kunnen aanpassen
BIJNA HUIDIGE MAATSCHAPPIJ:
1989: val Berlijnse muur
o = overwinning kapitalisme = Grote gevolgen voor kapitalisme
1991: Sovjet-Unie uit elkaar
o Ontstaan aparte staten
o Kleinere machten worden steeds belangrijker
o Kleinere landen spelen op wereldniveau mee men heeft van alles nodig
1976-HEDEN: 'EN/EN’ VOORONDERSTELLINGEN
= Alle modellen door elkaar gebruiken
Aantrekken, houden, ontwikkelen van mensen
Strategisch denken
Innovatie
Waarborgen prestatiegericht klimaat
Verbeteren van klanttevredenheid
o Klant heeft een grote macht, kunnen bedrijven stilleggen
o Bv: massaal stoppen met kopen van Tesla’s
Burn-outs stijgen
EVENWICHT
HEDEN:
Timemanagement en stressbeheersing
Concurrentie voorblijven
Leven en werk in balans houden
Interne processen verbeteren
Innovatie stimuleren
Hybride werken
1.1.1 MODEL VAN CONCURRERENDE WAARDEN
Het concurrerende-waardenkader= criteria voor effectiviteit
Alle elementen moeten in bedrijf, onderneming en leiding
aanwezig zijn
Bedrijven die dit niet hebben, bestaan niet meer
Alles samengevoegd in 1 persoon = ondernemende
coachende manager