Gebitsontwikkeling: tandmorfologie
Inhoud
1. Begrippen & definities ........................................................................................ 3
1.1 Tandnummers ................................................................................................. 3
1.2 Soorten tanden ............................................................................................... 4
1.3 Anatomische structuur van de tand .................................................................. 4
1.3.1 Tandglazuur .............................................................................................. 4
1.3.2 Dentine ............................................................................................... 5
1.3.3 Wortelcement ..................................................................................... 6
1.3.4 Pulpasysteem...................................................................................... 6
1.3.5 Het tandvlees of de gingiva ................................................................... 7
1.4 Oriëntatie................................................................................................... 7
2. Overzicht van de individuele tanden.................................................................... 9
3. Het melkgebit.................................................................................................. 18
1
,2
,Tandmorfologie
Tand kunnen tekenen
- Omtrek van tanden
- Ligging toegangen wortelkanalen
- Aanvullen van ontbrekende onderdelen
- Tekenen groevenpatronen
Biomimetische tandheelkunde: de tandarts dient in zijn restauraties de realiteit zo goed
mogelijk te imiteren
1. Begrippen & definities
1.1 Tandnummers
Tanden benoemen: 4 kwadranten, 8 tanden per kwadrant (volwassen gebit)
Voor melkgebit (20 tanden):
Wisselgebit: combi van
volwassen tanden en
melktanden
3
,1.2 Soorten tanden
Snijtanden (incisieven)
• Centraal
• Lateraal
- Hoektanden
- Premolaren (voorkiezen)
• Eerste
• Tweede
- Molaren (kiezen)
• Eerste
• Tweede
• Derde (wijsheidstand)
Anterieure zone of het front = van hoektand naar hoektand
Posterieure zone = alles vanaf de premolaren (waarmee je kauwt)
Maxilla = bovenkaak (maxilair)
Mandibula = onderkaak (mandibulair)
1.3 Anatomische structuur van de tand
1.3.1 Tandglazuur
- Harde buitenlaag anatomische kroon
- Beschermt de tand tegen prikkels van buitenaf
- Doorzichtig Mineraal: Calciumhydroxyapatiet: Ca10(PO4)6(OH)2
- Herstelvermogen
- Groeit niet terug
- Bij ‘zuurstoten’ lost het tandglazuur op wanneer een kritische pH-waarde (5,5)
wordt bereikt (demineralisatie) → remineralisatie: speeksel neutraliseert de pH
waardoor de mineralen zich opnieuw inbouwen in de tand
Opmerking
1. Een mineraal kan oplossen (zie hierboven)
- Cariës: tandweefselverlies, geïnitieerd door zuren afkomstig van bacteriën
- Erosie: tandweefselverlies, geïnitieerd door zuren niet afkomstig van bacteriën
2. Een mineraal kan van structuur veranderen: wanneer een lage concentratie
fluoride aanwezig is in de biofilm rondom het tandoppervlak, kan dit zich
incorporeren in gedemineraliseerd tandglazuur
= Fluoro(hydroxy)apatiet: Ca10(PO4)6F2 (gemodificeerde vorm van tandglazuur)
→ Belangrijkste mechanische eigenschap: zuurbestendig (met factor 10)
waardoor kritische ph verlaagd kan worden
→ Hierdoor fluoridezouten onmisbaar in tandpasta
4
,1.3.2 Dentine
- ‘Tandbeen’
- Mineraal + vezels (collageen)
- Bevat buisjes (tubuli)
• Gevuld met vloeistof
• In verbinding met zenuwuiteinden van het pulpasysteem
• Bij contact met prikkels: alarmsignaal (bacteriële toxines, temperatuur,
‘suiker’: osmose)
- Pijngeleiding
- Komt in normale omstandigheden niet in contact met buitenwereld
- Dentine is zachter dan glazuur
Waarom niet gewoon tandglazuur zonder (het zachtere) dentine? Dentine werkt
schokdempend
- Glazuur en dentine samen vormen het perfecte compromis tussen stijfheid,
sterkte en buigzaamheid
- Glazuur: harde bescherming
- Dentine: schokdemper, minder bros
- Restauraties moeten zo veel als mogelijk over diezelfde eigenschappen
beschikken
Algemeen:
Waar tand zich moet wapenen tegen horizontale en laterale krachten → meer dentine
Waar tand zich moet wapenen tegen verticale (kauw)krachten → meer glazuur
Waarom bestaat de tand niet volledig uit glazuur of dentine?
- Verschil in opalescentie: deel natuurlijk licht doorlaten (rood) en andere
reflecteren (blauw)
• Hydroxyapatietkristallen in glazuur verstrooien blauw licht
• Dentine gaat het licht niet weerkaatsen
- Verschil in fluorescentie: straling absorberen en terug uitsturen in een andere
golflengte
• Veel bij dentine
• Zorgt voor vitaal uitzicht tand (gezonde kleur en normale glans)
Belangrijke rol voor glazuur-dentinegrens als buffer tegen ongunstige krachten
- Eerst gevormde deel van de tand
- Minder gemineraliseerd
- Von Korff vezels: zorgt voor sterke verankering glazuur-dentine
5
, 1.3.3 Wortelcement
- Heel dunne laag die worteldentine bedekt
- Andere oorsprong dan tandglazuur (mesoderm)
- Maakt eigenlijk deel uit van het parodontium: ankerplaats van het
parodontaal ligament
1.3.4 Pulpasysteem
- Pulpakamer + kanalen
- Zenuw + bloedvaten + cellen
- 5 functies: • Tandvormend: wortel wordt gevormd vanuit
pulpasytseem (eerst kroon doorbreken)
• Sensorisch
• Voedend
• Verdediging: wnr bacteriële toxines het dentine
bereiken, zal de tand van binnen uit de dentinetubuli
proberen sluiten door deze dicht te laten slibben met
sclerotisch dentine → zorgt ervoor dat dentine eig
‘levend’ weefsel is (o.i.v. tandpulpa)
• Mechano- receptoren: waarschuwing bij hoge
krachten => op iets hard bijten → pijnsignaal →
openen mond (functie valt weg na
wortelkanaalbehandeling)
Mechanoreceptie vanuit parodontaal ligament en pulpasysteem:
1. Vitale tand: signaal door parodontaal
ligament (onderste lijn) + pulpasysteem
(rode lijn)
2. Avitale tand: enkel parodontaal ligament kan
signaal geven → je kan harder bijten dan dat
goed is voor de tand dus kan sneller breken
& breuk kan makkelijk door tand DUS nu
vaak vulling die dentine vervangt én vulling
die glazuur vervangt
3. Implantaat: ingegroeid in bot dus als er een te harde kracht op komt breekt er iets
(kroon of implantaat), geen mechanoreceptie
6
Inhoud
1. Begrippen & definities ........................................................................................ 3
1.1 Tandnummers ................................................................................................. 3
1.2 Soorten tanden ............................................................................................... 4
1.3 Anatomische structuur van de tand .................................................................. 4
1.3.1 Tandglazuur .............................................................................................. 4
1.3.2 Dentine ............................................................................................... 5
1.3.3 Wortelcement ..................................................................................... 6
1.3.4 Pulpasysteem...................................................................................... 6
1.3.5 Het tandvlees of de gingiva ................................................................... 7
1.4 Oriëntatie................................................................................................... 7
2. Overzicht van de individuele tanden.................................................................... 9
3. Het melkgebit.................................................................................................. 18
1
,2
,Tandmorfologie
Tand kunnen tekenen
- Omtrek van tanden
- Ligging toegangen wortelkanalen
- Aanvullen van ontbrekende onderdelen
- Tekenen groevenpatronen
Biomimetische tandheelkunde: de tandarts dient in zijn restauraties de realiteit zo goed
mogelijk te imiteren
1. Begrippen & definities
1.1 Tandnummers
Tanden benoemen: 4 kwadranten, 8 tanden per kwadrant (volwassen gebit)
Voor melkgebit (20 tanden):
Wisselgebit: combi van
volwassen tanden en
melktanden
3
,1.2 Soorten tanden
Snijtanden (incisieven)
• Centraal
• Lateraal
- Hoektanden
- Premolaren (voorkiezen)
• Eerste
• Tweede
- Molaren (kiezen)
• Eerste
• Tweede
• Derde (wijsheidstand)
Anterieure zone of het front = van hoektand naar hoektand
Posterieure zone = alles vanaf de premolaren (waarmee je kauwt)
Maxilla = bovenkaak (maxilair)
Mandibula = onderkaak (mandibulair)
1.3 Anatomische structuur van de tand
1.3.1 Tandglazuur
- Harde buitenlaag anatomische kroon
- Beschermt de tand tegen prikkels van buitenaf
- Doorzichtig Mineraal: Calciumhydroxyapatiet: Ca10(PO4)6(OH)2
- Herstelvermogen
- Groeit niet terug
- Bij ‘zuurstoten’ lost het tandglazuur op wanneer een kritische pH-waarde (5,5)
wordt bereikt (demineralisatie) → remineralisatie: speeksel neutraliseert de pH
waardoor de mineralen zich opnieuw inbouwen in de tand
Opmerking
1. Een mineraal kan oplossen (zie hierboven)
- Cariës: tandweefselverlies, geïnitieerd door zuren afkomstig van bacteriën
- Erosie: tandweefselverlies, geïnitieerd door zuren niet afkomstig van bacteriën
2. Een mineraal kan van structuur veranderen: wanneer een lage concentratie
fluoride aanwezig is in de biofilm rondom het tandoppervlak, kan dit zich
incorporeren in gedemineraliseerd tandglazuur
= Fluoro(hydroxy)apatiet: Ca10(PO4)6F2 (gemodificeerde vorm van tandglazuur)
→ Belangrijkste mechanische eigenschap: zuurbestendig (met factor 10)
waardoor kritische ph verlaagd kan worden
→ Hierdoor fluoridezouten onmisbaar in tandpasta
4
,1.3.2 Dentine
- ‘Tandbeen’
- Mineraal + vezels (collageen)
- Bevat buisjes (tubuli)
• Gevuld met vloeistof
• In verbinding met zenuwuiteinden van het pulpasysteem
• Bij contact met prikkels: alarmsignaal (bacteriële toxines, temperatuur,
‘suiker’: osmose)
- Pijngeleiding
- Komt in normale omstandigheden niet in contact met buitenwereld
- Dentine is zachter dan glazuur
Waarom niet gewoon tandglazuur zonder (het zachtere) dentine? Dentine werkt
schokdempend
- Glazuur en dentine samen vormen het perfecte compromis tussen stijfheid,
sterkte en buigzaamheid
- Glazuur: harde bescherming
- Dentine: schokdemper, minder bros
- Restauraties moeten zo veel als mogelijk over diezelfde eigenschappen
beschikken
Algemeen:
Waar tand zich moet wapenen tegen horizontale en laterale krachten → meer dentine
Waar tand zich moet wapenen tegen verticale (kauw)krachten → meer glazuur
Waarom bestaat de tand niet volledig uit glazuur of dentine?
- Verschil in opalescentie: deel natuurlijk licht doorlaten (rood) en andere
reflecteren (blauw)
• Hydroxyapatietkristallen in glazuur verstrooien blauw licht
• Dentine gaat het licht niet weerkaatsen
- Verschil in fluorescentie: straling absorberen en terug uitsturen in een andere
golflengte
• Veel bij dentine
• Zorgt voor vitaal uitzicht tand (gezonde kleur en normale glans)
Belangrijke rol voor glazuur-dentinegrens als buffer tegen ongunstige krachten
- Eerst gevormde deel van de tand
- Minder gemineraliseerd
- Von Korff vezels: zorgt voor sterke verankering glazuur-dentine
5
, 1.3.3 Wortelcement
- Heel dunne laag die worteldentine bedekt
- Andere oorsprong dan tandglazuur (mesoderm)
- Maakt eigenlijk deel uit van het parodontium: ankerplaats van het
parodontaal ligament
1.3.4 Pulpasysteem
- Pulpakamer + kanalen
- Zenuw + bloedvaten + cellen
- 5 functies: • Tandvormend: wortel wordt gevormd vanuit
pulpasytseem (eerst kroon doorbreken)
• Sensorisch
• Voedend
• Verdediging: wnr bacteriële toxines het dentine
bereiken, zal de tand van binnen uit de dentinetubuli
proberen sluiten door deze dicht te laten slibben met
sclerotisch dentine → zorgt ervoor dat dentine eig
‘levend’ weefsel is (o.i.v. tandpulpa)
• Mechano- receptoren: waarschuwing bij hoge
krachten => op iets hard bijten → pijnsignaal →
openen mond (functie valt weg na
wortelkanaalbehandeling)
Mechanoreceptie vanuit parodontaal ligament en pulpasysteem:
1. Vitale tand: signaal door parodontaal
ligament (onderste lijn) + pulpasysteem
(rode lijn)
2. Avitale tand: enkel parodontaal ligament kan
signaal geven → je kan harder bijten dan dat
goed is voor de tand dus kan sneller breken
& breuk kan makkelijk door tand DUS nu
vaak vulling die dentine vervangt én vulling
die glazuur vervangt
3. Implantaat: ingegroeid in bot dus als er een te harde kracht op komt breekt er iets
(kroon of implantaat), geen mechanoreceptie
6