van Wundt en het functionalisme van William James?
A. Structuralisme richt zich op de biologische basis, terwijl functionalisme focust op
observeerbaar gedrag.
B. Structuralisme onderzoekt de componenten van de geest, terwijl functionalisme de
adaptieve waarde van mentale processen bestudeert. C. Functionalisme maakt gebruik van
introspectie, terwijl structuralisme dit strikt verwerpt als onwetenschappelijk.
D. Functionalisme probeert de geest te verklaren vanuit onbewuste driften, terwijl
structuralisme uitgaat van vrije wil.
2. Een onderzoeker stelt vast dat er een sterke positieve correlatie bestaat tussen het
aantal uren slaap en de prestaties op een geheugentest. Welke conclusie is op basis
hiervan wetenschappelijk gerechtvaardigd?
A. Een gebrek aan slaap veroorzaakt direct een slechtere werking van de hippocampus. B.
Mensen die meer slapen, hebben over het algemeen een hogere score op de test.
C. Het verbeteren van de slaapkwaliteit zal leiden tot een gegarandeerde stijging in
testscores.
D. De geheugentest is een valide instrument om de kwaliteit van de rem-slaap te
meten.
3. Waarom is 'random toewijzing' (willekeurige verdeling) cruciaal voor de interne
validiteit van een experiment?
A. Het zorgt ervoor dat de resultaten van het onderzoek direct generaliseerbaar zijn
naar de gehele wereldbevolking.
B. Het minimaliseert de kans dat systematische verschillen tussen proefpersonen de
afhankelijke variabele beïnvloeden.
C. Het garandeert dat de onafhankelijke variabele op een ethisch verantwoorde manier
wordt gemanipuleerd.
D. Het voorkomt dat de onderzoeker per ongeluk de hypothese aanpast tijdens het
verzamelen van de data.
4. Welk mechanisme staat centraal in het behavioristische perspectief op menselijk
gedrag?
A. De verwerking van informatie in het werkgeheugen door middel van schema's.
B. De invloed van onbewuste conflicten die voortkomen uit ervaringen in de vroege
jeugd.
C. Het aanleren van reacties door de consequenties die volgen op specifiek gedrag.
D. De genetische aanleg die bepaalt hoe een individu reageert op sociale stressoren.
5. Wat is de primaire functie van regulatorische genen binnen de biologische
ontwikkeling?
A. Het direct coderen voor de fysieke structuur van aminozuren in het spierweefsel.
2
, B. Het controleren van de activatie en expressie van andere genen in specifieke
contexten.
C. Het voorkomen dat mutaties optreden tijdens het proces van de meiose.
D. Het opslaan van herinneringen aan adaptieve gedragingen van eerderegeneraties.
6. Bij een recessieve overerving van een bepaalde eigenschap komt het fenotype alleen tot
uiting als:
A. Er ten minste één dominant allel aanwezig is in het genotype.
B. Het individu heterozygoot is voor dat specifieke gen.
C. Beide ouders de dominante variant van het gen fysiek vertonen.
D. Het individu twee kopieën van het recessieve allel bezit.
7. Hoe verklaart de epigenetica het ontstaan van individuele verschillen bij genetisch
identieke tweelingen?
A. Door toevallige verschillen in de DNA-sequentie die ontstaan tijdens de mitose.
B. Door chemische aanpassingen die de genexpressie beïnvloeden zonderde DNA-code
te wijzigen.
C. Door de wet van onafhankelijke assortering die optreedt tijdens de vorming van de
zygote.
D. Door het feit dat monozygotische tweelingen slechts 50% van hun regulatorische
genen delen.
8. Wat is het gevolg van een verstoring in de 'triplet-codons' tijdens de eiwitsynthese?
A. De zenuwcel kan geen actiepotentiaal meer genereren door een tekort aan natrium. B. Er
wordt een foutief aminozuur ingebouwd, wat de functie van het resulterende proteïne kan
veranderen.
C. De cel schakelt direct over van mitose naar meiose om de schade te herstellen.
D. Het genotype verandert onmiddellijk in een fenotype dat resistent is voor
omgevingsinvloeden.
9. In het kader van de evolutietheorie, wat wordt bedoeld met 'selectief voordeel'? A. De
bewuste keuze van een individu om zich aan te passen aan een veranderende omgeving.
B. De eigenschap die de kans op overleving en succesvolle voortplanting vergroot in een
specifieke context.
C. Het proces waarbij mensen kunstmatig de beste eigenschappen in dieren selecteren
voor fokprogramma's.
D. De neiging van een populatie om genetische variatie te minimaliseren om stabiel te
blijven.
10. Wat is het belangrijkste kenmerk van een 'dubbelblind' onderzoeksonderwerp? A.
Zowel de proefpersoon als de onderzoeker weten niet wie de actieve behandeling
ontvangt.
B. De proefpersonen worden in twee groepen verdeeld die beide een actieve
behandeling krijgen.
3