College 1: 27/9/24
HB gaan halen in Groene Waterman
Verplicht proefexamen (tijdens vijfde week -> 25 oktober)
DEEL 1: NARRATOLOGIE
= wetenschappelijke benadering van verhalen
-> wat maakt van verhalen een verhaal? Wat is een verhaal?
-> hoe definieer je zoiets?
Verhaalanalyse = narratologie (recente term)
-> uitgevonden door Todorov (1969)
-> we moeten duidelijk weten wat we bedoelen met “narrative”
Wat is een verhaal?
- Dramatische boog, transformatie
- Vertelt iets, gebeurtenissen, al dan niet chronologische schikking (begin, midden, slot) ->
volgorde
- Personages, entiteiten die dingen in gang zetten
- Causaal verband (oorzaak – gevolg)
- Verhaal wordt verteld met een reden, motivering
- Tekenen, signalen hebben ook een betekenis
Jerome Bruner:
- Verantwoordelijk voor de “narrative turn” – narrative argumenten
- 1991: The Narrative Construction of Reality
o Wij geven betekenis aan de wereld door er een verhaal rond te vertellen
- Twee manieren om betekenis te geven aan de dingen die we zien
o Via wiskunde, cijfers
o Door een verhaal te vertellen (niet hetzelfde als fictie)
- Narratief: conventionele vorm, we zijn er vertrouwd mee
o Narratieven worden cultureel doorgegeven
o Omvang daarvan wordt beperkt door individu zelf
Oliver Sacks – bekende psychiater
-> de persoon die we denken dat we zijn is het verhaal dat we onszelf vertellen (& aan anderen)
Daniel Dennett – bekende psycholoog
-> narratief zit in ons brein, ons zelf is the center of narrative gravity
Narratologie:
- Verhaalanalyse / verhaaltheorie
- Term die in zwang is sinds 1969 – in tijd van de structuralisten
o Zochten naar elementaire structuren om een verhaal te benaderen
o Nood aan een wet. verantwoording van wat een verhaal net is
- Kan je ook doen met drama + poëzie, …
- Op zoek naar de onderliggende structuren van verhalen / theorie van verhalende tekst
Een verhaal heeft een soort van plot, een geschiedenis niet
,Story en plot (geschiedenis en verhaal):
- E. M. Forster -> twee voorbeelden (wat is het verschil tussen die twee?)
o Tweede vb. heeft een causaal verband, soort causale verklaring
o Eerste heeft een chronologisch verband
ste
- 1 is een vb. van een geschiedenis (story) -> chronologie van gebeurtenissen (events)
- 2de is een verhaal, heeft een plot -> causaal verband tussen gebeurtenissen
- +/- definitie verhaal: aaneenschakeling v/gebeurtenissen + chronologie -> is niet genoeg
o Je hebt verbanden nodig, oorzaak en gevolg
o Zie definitie HB
Zijn de verbanden wel altijd temporeel/causaal? Zijn ze er of verzinnen we
die?
Zie vb. Freud – je kan die verbanden op verschillende manier interpreteren
Correlation is not causation: het is niet omdat zaken gelijk lopen met elkaar,
dat er een causaal verband is
Wij willen vaak verbanden zien…
Tweede poging tot definitie:
- Gerald Prince en zijn minimal story (heeft het hier wel degelijk over verhaal)-> kijken naar de
minimale voorwaarden om van een verhaal te kunnen spreken
o Beginsituatie
o Actie of gebeurtenis
o Resultaat of afloop
- Wat bepaalt dat dat stripverhaal een narrative is?
- Voorlopige conclusies
o Misschien is het soort verband minder belangrijk dan de betekenis die de lezer er aan
geeft
Rol van de lezer is essentieel
o Wat is verschil met deze definitie? Ze hebben het nu over de rol van de lezer (niet
meer over chronologie etc.) – betekenisvolle verbanden waarin de rol van de lezer
essentieel is
Wat zijn de elementen in een tekst waarvan wij kunnen afleiden dat er betekenis is?
Elk verhaal heeft een verteller
-> verschil tussen vertellen en tonen (show don’t tell)
Mimesis: tonen
- Nabootsen van de werkelijkheid, vertoning ervan
- Ook mimesis in proza
- Zal typisch even lang duren als hetgeen nagebootst wordt
Diëgesis: vertellen
- Samenvatting van de werkelijkheid
- Kan dus veel korter duren
Zijn ze tegengesteld aan elkaar? Niet noodzakelijk -> in proza vaak een combinatie van de twee
Luik 2 & 3 -> mimetische representatie van wat het wezentje ziet (want daar zien we hem niet)
-> de anderen zijn dus diëgetische weergaves
Kortverhaaltje:
- Eerste zin: diëgesis -> de verteller vat het samen (het is geen citaat, je hebt altijd een derde
persoonsvorm) -> de rijmeester zegt het niet van zichzelf
- “waar dienen die flappen dan eigenlijk voor?” -> mimesis (want lijkt hard op een citaat)
, o Maar is moeilijk te zeggen – kan ook dat de verteller de stem overneemt en dan
hebben we soort van diëgesis
- Je hebt altijd een combinatie (zelfs een tekst die niet citeert)
- Showing = mimesis (verteller is nauwelijks zichtbaar)
- Een roman is een mix -> eerder diëgetisch (verschil met toneel)
Er zijn verschillende niveaus van communicatie – in de kunst is het verhaal de vorm van comm.
Een verteller is een tussenniveau – de ontvanger = de lezer
Een verhaal:
- Soort van communicatiemodel
- De auteur is niet de verteller – wil niet zeggen dat auteur volledig afwezig is
o Implied author: het beeld dat je van de auteur vormt op basis van de tekst
o Booth was een structuralist -> je mag nooit de auteur met de verteller vergelijken
Maar als lezer kan je wel iets afleiden – impliciete auteur
Als je fictie leest -> meningen van auteur zijn niet daaraan gelijk
Elke tekst heeft wel een ideologie in zich – de beslissingen die genomen zijn
o Moeilijk te definiëren -> is het niet de lezer die de auteur begint af te lijnen
Is het de lezer die dan de impliciete auteur is?
Patronen in de tekst o.b.v. dewelke de lezer een beeld vormt
- De biografische auteur is nooit rechtstreeks aanwezig in de tekst -> maar er is wel een
gedramatiseerde auteur
o Deze is wel zichtbaar, wordt opgevoerd
o Vb. een verteller die zich voorstelt als auteur – is zelf geen personage in verhaal
Zweeft boven de tekst
Verhaal van Poe – alle personages sterven, maar in het begin wel een eerste
persoonsverteller -> staat boven het verhaal
- Dramatized narrator: opvoering van een verteller -> ik-verteller die wel zichtbaar aanwezig is
– is dus wel een personage in het verhaal (vb. alles wordt verteld door Watson, maar hij is
ook zelf een personage)
- Undramatized narrator: derde-persoonsverteller, niet zichtbaar (typisch voor modernisme)
- Altijd een vertelinstantie in een verhaal
o Omdat er altijd een mediator is – representatie door vertelinstantie
o Nooit pure mimesis
Lezers:
- Auteurs zijn zelf ook lezers
- Vooral in domein van de postklassieke narratologie <-> klassieke narr.: focust vooral op tekst
- Mock reader: lezer zoals de auteur hem/haar inbeeldt, de lezer die hij voor ogen heeft
- Implied reader: aanwijzingen in de tekst die de lezer helpen betekenis te geven in de tekst ->
dwingen om er betekenis aan te geven (vooral dingen die niet in de tekst staan, lacunes ->
vult de lezer zelf aan)
o Elke tekst heeft gaten -> worden door lezer zelf opgevuld
o Zijn abstracties
- De narratee: lezer tot wie verteller zich richt
o Kan je ook een dramatized narratee: letterlijk gericht tot lezer
o Undramatized narratee: persoon tot wie een vertelling gericht is
, Bewustzijn en spraak:
- Gaat opnieuw over representatie – verschillende manieren om uitspraken en gedachtes weer
te geven
- Bewustzijnsrepresentatie: er zijn twee manieren om die weer te geven
o In de eerste persoon en de derde
o Third-person context: verteller in geen personage
Psychonarration (bewustzijnsverhaal) : indirecte rede, verteller vat samen
-> verteller weet alles, citeert bewustzijn niet letterlijk, alwetend
-> vage grens tussen verteller en personage
-> verteller vat gedachtes samen, kan commentaar bij gegeven worden:
Dissonance: verteller is het niet eens met personage
: vb. moeten we het er wel mee eens zijn dat het te laat was?
Consonance: verteller is het wel eens met het personage
Quoted monologue (geciteerde monoloog) : stream of consciousness
-> voorbeeld van directe rede
-> personages denken in tegenwoordige tijd en ik-vorm
-> vb.: verteller zweeft erboven en stort zich plots in het brein v/pers.
-> we zien geen aanhalingstekens maar herkennen het wel
Narrated monologue (vertelde monoloog) : soort van tussenvorm
-> vrije indirecte rede
-> zinsbouw lijkt op een citaat in de ik-vorm
-> kan leiden tot verwarring
-> vb. MB: zijn niet de gedachten van de verteller, maar van MB -> geeft ze
weer in vrije indirecte rede
Voorbeeld CM: de verteller die vraag van personage overneemt “waar dienen
die flappen dan voor?” (vrije ind. rede)
o First-person context: verteller is wel personage
Self-narration (egovertelling): ik-persoon die opnieuw samenvat – gaat vaak
over herinneringen
-> egovertelling kan ook consonant en dissonant zijn (bewustzijn <-> nu denk
ik er anders over)
Self-quoted narration (door het ik geciteerde monoloog): vertellende ik
behandelt handelende ik als personage
Als tegenwoordige tijd wordt gebruikt wijst op citaat
Maar er staan hier geen aanhalingstekens
Self-narrated monologue (zelf vertelde monoloog): egovertelling verandert
in vertelde monoloog
College 2: 4/10/24
Perception and speech:
Dingen kunnen vaak op verschillende manieren geïnterpreteerd worden -> verwarring mogelijk
Bv. zelf vertelde monoloog
-> projecteren op free indirect discourse in derde persoonsvertelling
-> de ego-verteller gaat overgaan in een vertellende monoloog (rechtstreeks weergeven van
de gedachten -> gedachten overnemen alsof die van de vertellende ik zelf zijn)
-> bv. tijd van verleden naar het heden