1 Kindertijd
Babytijd: Tussen 0 en 1j soms ook 1,5j
Peutertijd: Tussen 1,5 en 3j
Kleutertijd: Tussen 3 en 6j
3 theorieën
1.1.1 Specifiek voor de babytijd:
1. Daniel Stern: vroege zelfontwikkeling
2. Robbert Emde: sociaal-affectieve ontwikkeling
1.1.2 De baby-peuter-en kleutertijd:
3. Margret Mahler: separatie-/individuatieproces
1.1.3 Gemeenschappelijk over die 3 theorieen heen:
3 theorieën van Stern , Emde en Mahler stellen dat ontwikkeling van vroege ik , ontwikkeling tot eigen
persoon gebeurt in relaties die gekleurd zijn met affecten en gevoelens.
Noodzakelijk voor elk van ons is het belang van veilig betrouwbare anderen
Typisch menselijk is het verlangen , het erkend willen worden door belangrijke anderen
En de nood aan een spiegel die anderen ons geven over onszelf
We verwerven onze identiteit binnen affectief gekleurde relaties en afhankelijk van anderen voor
eigen zelfbeeld en zelfwaardering
We worden onszelf in relaties met anderen. Op die manier ontwikkelen we onszelf en vinden we onze
identiteit > eigen zelfbeeld en zelfwaardering
Ontwikkeling van het vroege ik gebeurt in affectief gekleurde relaties:
Affectief= betrekking tot het gevoelsleven
Niet enkel over gevoelens, maar ook wat gevoeld wordt maar niet gezegd kan worden
Zoals sferen die aangevoeld kunnen worden
Vb Je komt in kamer en je voelt spanning (zonder dat iemand iets gezegd is geweest, maar je
voelt toch een gespannen sfeer)
= heeft ook te maken met affecten of affectieve relaties.
Vb Een moeder die lacht naar haar baby, maar toch kwaad is op haar baby. Baby kan
misschien toch die kwaadheid voelen
= onderste gevoelsmatige laag
1.2 Benoem de 5 fasen van de zelfontwikkeling volgens Stern . zie 1.1.1.1
1.2.1 Stern vroeg zich af:
Hoe ervaart de baby zichzelf en de ander?
Vanaf wanneer ervaart kind het gevoel van een eigen persoon te zijn?
Hoe brengt een baby verschillende percepties samen? (geluiden, bewegingen)
Stern heeft het over de ontwikkeling van het zelf en zelfgevoel in een relationele wereld
Hij vertrekt bij de interactie tussen ouder en kind
Beschrijft het ontstaan van een zelf-gevoel in die relationele en affectieve relatie tussen ouder en kind
Tot 18m: zelfbeleving = zelf-gevoel (experiëntiele ervaringenStern heeft het over de ontw van het zelf en
zelfgevoel in een relationele wereld
Voor 18m spreken we over zelfbeleving: ervaringen op niveau van beleving.
Voor 18m is er nog geen sprake van taal
Er zijn verschillende wijzen waarop zelfgevoel wordt ervaren = de ontwikkeling van 5 verschillende
ervaringswijzen van het zelf:
1. ontluikend zelfgevoel (0-2m)
2. kernzelfgevoel (2-7m)
3. subjectief zelfgevoel (7-15m)
4. verbaal zelfgevoel (15m-...)
5. ((5) narratief zelfgevoel) (3-4j) => hoort eigenlijk bij kleutertijd
,Kenmerkend hierbij is:
Sequentiële opeenvolging van fases in de zelfontwikkeling: De fases volgen elkaar op
De verschillende fases zijn essentieel voor dagelijkse sociale interacties
Mogelijkheid tot zelfervaring die het hele leven aanwezig blijft (bestaan naast elkaar):
Ene zelfgevoel vervangt het andere gevoel niet. Verschillende zelfgevoelen kunnen naast elkaar blijven
bestaan.
Verschillende gevoelens van het zelf kunnen ook gelijktijdig aanwezig zijn in latere interacties met anderen
Sensitieve ontwikkelingsperiodes
waarbinnen de ervaringen van het zelf gevormd worden en meegenomen worden naar verdere
ervaringen van het zelf.
Het ontluikend en kern zelfgevoel spelen dus ook nog in kindertijd en later
Vb als volwassene als je in nieuwe situatie komt, dat je ook nog op zoek gaat naar herkenbare
patronen, bekende dingen en een houvast.
Vb.: hoe de verschillende ervaringswijze ook naar de kindertijd een rol spelen, is het feit dat je als
volwassenen als je in een bepaalde situatie komt ook terug kan naar herkenbare patronen, het
ontluikend en het kernzelfgevoel spelen ook na de kindertijd nog een rol.
1.2.2 0-2m ontluikend zelfgevoel
Uitgangspunt: dat een baby sociaal gericht is en daarbij leert door ervaringen.
Vanaf het vroege begin doet zo een baby alledaagse ervaringen op en alledaagse ervaringen
doen zich voor binnen sociale interacties
en die ervaringen gaan samen met verschillende percepties.
(affecten, percepties, herinneringen en cognities)
vb: drinken aan borst: Het drinken aan de borst omvat ook lichamelijke ervaring van vastgehouden te
worden, gewiegd te woden, geur van lichaam van mama, geur van melk, stem van mama, beeld van
mama’s gezicht,manier waarop baby vastgehouden wordt, herinneringen aan vroegere
voedingsmomenten, geluid van het drinken,...
Aparte aspecten en sensaties van ervaringen worden verbonden = eerste zelf-ervaring
Die dagdagelijkse ervaringen herhalen zich, en die interacties verlopen volgens bepaalde patronen
en regelmaat en voorspelbaarheid (mede door die herhaling)
Zeer vroeg gaan die baby’s die zintuigelijke indrukken , verschillende aspecten van ervaringen met
elkaar verbinden => Het is het ontstaan van die verbinding tussen die verschillende ervaringen en
sensaties die beleefd worden als eerste zelf ervaringen.
VB Onderzoek wijst uit dat op die manier, baby’s al heel vroeg, zelfs na 3 dagen, melk van eigen
moeder kunnen onderscheiden van andere melk
Doordat ervaringen zich herhalen en doordat die dagelijkse interacties verlopen volgens bepaald patroon,
regelmaat, voorspelbaarheid ( en mede door contingentie!)
Gaat het kind patronen herkennen in omgeving
Gaat het kind zichzelf herkennen in die patronen
Deze patronen bieden een houvast en zijn basis voor ontwikkeling van het zelfgevoel.
(In situaties dat kinderen opgroeien in wisselende contexten, is er probleem bij ontwikkeling
voor het zelf => vb Voelen geen koude, honger of te kleine kleren dragen enzovoort.)
,Belangrijk concept: contingentie =
het kind leert verband te leggen tussen zijn gedrag en het effect daarvan op zijn omgeving.
(dat je probeert in de relatie met de ander, iets teweeg te brengen.)
Zowel moeder als kind handelen met intentie iets in die relatie teweeg te brengen: Ik doe iets en omgeving
reageert adequaat
vb steentje in rivier werpen en dat dit een deining in het water veroorzaakt
vb Baby huilt, en persoon verlaat kamer en komt terug met flesje
vb Peuter klapt in handjes, en wacht totdat iemand anders in kamer terug klapt, tot iemand
antwoord (klappend antwoord)
=> Door de reacties en interacties met anderen dat het kind teweegbrengt , krijgt kind greep op de omgeving = Sense
of agency (sense of control)
Door dat die ervaringen zich herhalen en door dat die interacties volgens een bepaalde voorspelbaarheid en
regelmaat gaan verlopen, gaat een kind patronen herkennen in zijn of haar omgeving. Het zijn die
voorspelbare patronen die houvast bieden voor zo’n baby. Zonder vaste patronen is het moeilijk om een
zelfgevoel te ontwikkelen
Vb.: situatie waar kinderen in wisselende context opgroeien
Vb.: pleegzorg context
Stern vergelijkt het ontluikend zelfgevoel met het gevoel dat je kan hebben wanneer je in land bent waarvan
je de taal niet spreekt
Wat ga je dan doen? Dan ga je je richten op non-verbalen door al je zintuigen te laten werken.
Die verschillende ervaringen proberen met elkaar te binden.
Om zo patronen te onderscheiden en jezelf in die patronen te situeren.
1.2.3 2-7m kernzelfgevoel
Een gevoel als lichaamszelf een samenhangende eenheid te zijn, onderscheiden van anderen
2m: gericht oogcontact/eerste sociale glimlach
Vanaf het ontstaan van gericht oogcontact van sociale glimlach naar omgeving is er sprake van een
beginnend kern-zelf
Hierdoor toont het kind dat het een meer onderscheiden en geïntegreerd persoon is.
handelingen, affecten en percepties en cognities explicieter in relatie
Denk maar aan een voorbeeld van de mogelijkheid om blikken uit te wisselen tussen zorgfiguur en
kind.
Door die toenamen van de alledaagse ervaringen worden die losse ervaringen nog meer en meer aan
elkaar geweven. En gaan die patronen zich nog duidelijker beginnen aftekenen.
Sociale glimlach en gericht oogcontact betekenen een radicale en zichtbare verandering in interactie. Er
wordt een meer intense relationele interactie met de omgeving waargenomen. Deze wederkerigheid in de
relatie komt meer tot uiting door:
Meer capaciteiten: het kind is meer in staat om oogcontact te maken of sociale glimlach te tonen
Het relationele aanbod van de omgeving: de omgeving gaat die interacties maximaal gaan
afstemmen door
babyspraak (verhoogd stemgebruik als je tegen baby spreekt en eenvoudige zinsbouw, en trager
tempo van spreken)
babygelaatsuitdrukkingen (langere uitdrukkingen, trager of groter)
Met als doel om maximaal aandacht van het kind te kunnen trekken, zoveel mogelijk interactie tussen
ouder en kind mogelijk te maken.
Tegen het einde van deze fase, wordt het lichamelijke zelf ervaren als coherent met een uniek affectief
leven.
En wordt de symbiotische relatie vervangen door de gehechtheidsrelatie.
, 1.2.4 7-15m subjectief zelfgevoel
Kind ontdekt dat het een eigen psychisch gevoelsleven heeft en dat anderen dit ook hebben.
Kind komt tot het besef dat wat die innerlijk subjectief ervaart dat dat anders kan zijn dan ervaringen van anderen
en dat deze innerlijke subjectieve ervaringen gedeeld kunnen worden.
Gedeelde aandachtsfocus = Joint attention = focus van aandacht kan gedeeld worden met anderen
Ontstaat tussen 9-10m
Kind is in staat om over een 3e object te communiceren door gestes te maken of aan te wijzen om
focus van aandacht te delen.
Kinderen hebben scherper besef in deze fase dat wat zij in de aandacht hebben, dat een ander een
andere focus kan hebben. Kinderen hebben een verlangen om hun aandachtsfocus te delen met
anderen.
Vb moeder en kind die samen naar iets kijken en van elkaar willen weten waar de ander naar kijkt.
Kind gebruikt vinger om aan te wijzen wat hij moeder wilt tonen. Delen van focus van aandacht
gebeurt nadat kind wijst.
Vb.: Mama heeft een koekje, kind steekt zijn/haar hand met handpalm naar boven en zijn
blik laat rusten van zijn hand naar het koekje tot mama dat koekje geeft.
Gedeelde intenties:
Kind is in staat om te communiceren over wat het wilt door gestes te maken of naar iets te wijzen
Vb Moeder heeft koekje in hand Kindje steekt zijn handje in de lucht met handpalm naar boven
en laat zijn blik rusten op zijn handje, kijkt dan naar koekje en dan naar mama en zal blijven dit
herhalen tot mama dat koekje geeft.
Kind begint ook een mentale toestand toe te kennen aan die zorgfiguren: het begrijpen of niet
begrijpen van eigen intenties van het kind
Begrijpt moeder wat ik wil? > wordt duidelijker zichtbaar
Gedeelde affectieve toestand:
Tot 9m reageren de zorgfiguren vooral door imitatie (imiteren van gezichtsuitdrukkingen van de
baby)
Vanaf 9m wordt er affect atunement toegevoegd aan de imitatie= continu en vaak onmerkbaar
afstemmen van een ouder op de emotionele golflengte van het kind.
Vb van affect atunement: still face experiment
Moeder wordt gevraagd om enkele seconden niet meer te reageren op emotionele golftlengte
van het kind= strak gezicht behouden
> baby gaat proberen met alle macht om de aandacht van de moeder terug te krijgen , om die
moeder terug in dat emotionele afstemmen te krijgen
Een zorgfiguur gaat de gemoedstoestand van de baby herkennen en vergelijkbaar gedrag laten
zien en die gemoedstoestand teruggeven aan baby. En als dit goed gelukt is , gaat die baby
gewoon blijven doen alsof er niets gebeurt is.
vb wanneer een baby een badje krijgt, en die trappelt met de beentjes en die glimlacht, kan een
moeder enthousiast reageren in haar stem en kirren ‘wiiii’
> door de enthousiaste toon van spreken en toevoegen van kirrend geluid, geeft die moeder iets
van gemoedstoestand terug aan het kind en doet het kind gewoon verder met wat hij bezig is.
Het gevoel dat moeder weergeeft, komt namelijk overeen met de gemoedstoestand van de baby
Babytijd: Tussen 0 en 1j soms ook 1,5j
Peutertijd: Tussen 1,5 en 3j
Kleutertijd: Tussen 3 en 6j
3 theorieën
1.1.1 Specifiek voor de babytijd:
1. Daniel Stern: vroege zelfontwikkeling
2. Robbert Emde: sociaal-affectieve ontwikkeling
1.1.2 De baby-peuter-en kleutertijd:
3. Margret Mahler: separatie-/individuatieproces
1.1.3 Gemeenschappelijk over die 3 theorieen heen:
3 theorieën van Stern , Emde en Mahler stellen dat ontwikkeling van vroege ik , ontwikkeling tot eigen
persoon gebeurt in relaties die gekleurd zijn met affecten en gevoelens.
Noodzakelijk voor elk van ons is het belang van veilig betrouwbare anderen
Typisch menselijk is het verlangen , het erkend willen worden door belangrijke anderen
En de nood aan een spiegel die anderen ons geven over onszelf
We verwerven onze identiteit binnen affectief gekleurde relaties en afhankelijk van anderen voor
eigen zelfbeeld en zelfwaardering
We worden onszelf in relaties met anderen. Op die manier ontwikkelen we onszelf en vinden we onze
identiteit > eigen zelfbeeld en zelfwaardering
Ontwikkeling van het vroege ik gebeurt in affectief gekleurde relaties:
Affectief= betrekking tot het gevoelsleven
Niet enkel over gevoelens, maar ook wat gevoeld wordt maar niet gezegd kan worden
Zoals sferen die aangevoeld kunnen worden
Vb Je komt in kamer en je voelt spanning (zonder dat iemand iets gezegd is geweest, maar je
voelt toch een gespannen sfeer)
= heeft ook te maken met affecten of affectieve relaties.
Vb Een moeder die lacht naar haar baby, maar toch kwaad is op haar baby. Baby kan
misschien toch die kwaadheid voelen
= onderste gevoelsmatige laag
1.2 Benoem de 5 fasen van de zelfontwikkeling volgens Stern . zie 1.1.1.1
1.2.1 Stern vroeg zich af:
Hoe ervaart de baby zichzelf en de ander?
Vanaf wanneer ervaart kind het gevoel van een eigen persoon te zijn?
Hoe brengt een baby verschillende percepties samen? (geluiden, bewegingen)
Stern heeft het over de ontwikkeling van het zelf en zelfgevoel in een relationele wereld
Hij vertrekt bij de interactie tussen ouder en kind
Beschrijft het ontstaan van een zelf-gevoel in die relationele en affectieve relatie tussen ouder en kind
Tot 18m: zelfbeleving = zelf-gevoel (experiëntiele ervaringenStern heeft het over de ontw van het zelf en
zelfgevoel in een relationele wereld
Voor 18m spreken we over zelfbeleving: ervaringen op niveau van beleving.
Voor 18m is er nog geen sprake van taal
Er zijn verschillende wijzen waarop zelfgevoel wordt ervaren = de ontwikkeling van 5 verschillende
ervaringswijzen van het zelf:
1. ontluikend zelfgevoel (0-2m)
2. kernzelfgevoel (2-7m)
3. subjectief zelfgevoel (7-15m)
4. verbaal zelfgevoel (15m-...)
5. ((5) narratief zelfgevoel) (3-4j) => hoort eigenlijk bij kleutertijd
,Kenmerkend hierbij is:
Sequentiële opeenvolging van fases in de zelfontwikkeling: De fases volgen elkaar op
De verschillende fases zijn essentieel voor dagelijkse sociale interacties
Mogelijkheid tot zelfervaring die het hele leven aanwezig blijft (bestaan naast elkaar):
Ene zelfgevoel vervangt het andere gevoel niet. Verschillende zelfgevoelen kunnen naast elkaar blijven
bestaan.
Verschillende gevoelens van het zelf kunnen ook gelijktijdig aanwezig zijn in latere interacties met anderen
Sensitieve ontwikkelingsperiodes
waarbinnen de ervaringen van het zelf gevormd worden en meegenomen worden naar verdere
ervaringen van het zelf.
Het ontluikend en kern zelfgevoel spelen dus ook nog in kindertijd en later
Vb als volwassene als je in nieuwe situatie komt, dat je ook nog op zoek gaat naar herkenbare
patronen, bekende dingen en een houvast.
Vb.: hoe de verschillende ervaringswijze ook naar de kindertijd een rol spelen, is het feit dat je als
volwassenen als je in een bepaalde situatie komt ook terug kan naar herkenbare patronen, het
ontluikend en het kernzelfgevoel spelen ook na de kindertijd nog een rol.
1.2.2 0-2m ontluikend zelfgevoel
Uitgangspunt: dat een baby sociaal gericht is en daarbij leert door ervaringen.
Vanaf het vroege begin doet zo een baby alledaagse ervaringen op en alledaagse ervaringen
doen zich voor binnen sociale interacties
en die ervaringen gaan samen met verschillende percepties.
(affecten, percepties, herinneringen en cognities)
vb: drinken aan borst: Het drinken aan de borst omvat ook lichamelijke ervaring van vastgehouden te
worden, gewiegd te woden, geur van lichaam van mama, geur van melk, stem van mama, beeld van
mama’s gezicht,manier waarop baby vastgehouden wordt, herinneringen aan vroegere
voedingsmomenten, geluid van het drinken,...
Aparte aspecten en sensaties van ervaringen worden verbonden = eerste zelf-ervaring
Die dagdagelijkse ervaringen herhalen zich, en die interacties verlopen volgens bepaalde patronen
en regelmaat en voorspelbaarheid (mede door die herhaling)
Zeer vroeg gaan die baby’s die zintuigelijke indrukken , verschillende aspecten van ervaringen met
elkaar verbinden => Het is het ontstaan van die verbinding tussen die verschillende ervaringen en
sensaties die beleefd worden als eerste zelf ervaringen.
VB Onderzoek wijst uit dat op die manier, baby’s al heel vroeg, zelfs na 3 dagen, melk van eigen
moeder kunnen onderscheiden van andere melk
Doordat ervaringen zich herhalen en doordat die dagelijkse interacties verlopen volgens bepaald patroon,
regelmaat, voorspelbaarheid ( en mede door contingentie!)
Gaat het kind patronen herkennen in omgeving
Gaat het kind zichzelf herkennen in die patronen
Deze patronen bieden een houvast en zijn basis voor ontwikkeling van het zelfgevoel.
(In situaties dat kinderen opgroeien in wisselende contexten, is er probleem bij ontwikkeling
voor het zelf => vb Voelen geen koude, honger of te kleine kleren dragen enzovoort.)
,Belangrijk concept: contingentie =
het kind leert verband te leggen tussen zijn gedrag en het effect daarvan op zijn omgeving.
(dat je probeert in de relatie met de ander, iets teweeg te brengen.)
Zowel moeder als kind handelen met intentie iets in die relatie teweeg te brengen: Ik doe iets en omgeving
reageert adequaat
vb steentje in rivier werpen en dat dit een deining in het water veroorzaakt
vb Baby huilt, en persoon verlaat kamer en komt terug met flesje
vb Peuter klapt in handjes, en wacht totdat iemand anders in kamer terug klapt, tot iemand
antwoord (klappend antwoord)
=> Door de reacties en interacties met anderen dat het kind teweegbrengt , krijgt kind greep op de omgeving = Sense
of agency (sense of control)
Door dat die ervaringen zich herhalen en door dat die interacties volgens een bepaalde voorspelbaarheid en
regelmaat gaan verlopen, gaat een kind patronen herkennen in zijn of haar omgeving. Het zijn die
voorspelbare patronen die houvast bieden voor zo’n baby. Zonder vaste patronen is het moeilijk om een
zelfgevoel te ontwikkelen
Vb.: situatie waar kinderen in wisselende context opgroeien
Vb.: pleegzorg context
Stern vergelijkt het ontluikend zelfgevoel met het gevoel dat je kan hebben wanneer je in land bent waarvan
je de taal niet spreekt
Wat ga je dan doen? Dan ga je je richten op non-verbalen door al je zintuigen te laten werken.
Die verschillende ervaringen proberen met elkaar te binden.
Om zo patronen te onderscheiden en jezelf in die patronen te situeren.
1.2.3 2-7m kernzelfgevoel
Een gevoel als lichaamszelf een samenhangende eenheid te zijn, onderscheiden van anderen
2m: gericht oogcontact/eerste sociale glimlach
Vanaf het ontstaan van gericht oogcontact van sociale glimlach naar omgeving is er sprake van een
beginnend kern-zelf
Hierdoor toont het kind dat het een meer onderscheiden en geïntegreerd persoon is.
handelingen, affecten en percepties en cognities explicieter in relatie
Denk maar aan een voorbeeld van de mogelijkheid om blikken uit te wisselen tussen zorgfiguur en
kind.
Door die toenamen van de alledaagse ervaringen worden die losse ervaringen nog meer en meer aan
elkaar geweven. En gaan die patronen zich nog duidelijker beginnen aftekenen.
Sociale glimlach en gericht oogcontact betekenen een radicale en zichtbare verandering in interactie. Er
wordt een meer intense relationele interactie met de omgeving waargenomen. Deze wederkerigheid in de
relatie komt meer tot uiting door:
Meer capaciteiten: het kind is meer in staat om oogcontact te maken of sociale glimlach te tonen
Het relationele aanbod van de omgeving: de omgeving gaat die interacties maximaal gaan
afstemmen door
babyspraak (verhoogd stemgebruik als je tegen baby spreekt en eenvoudige zinsbouw, en trager
tempo van spreken)
babygelaatsuitdrukkingen (langere uitdrukkingen, trager of groter)
Met als doel om maximaal aandacht van het kind te kunnen trekken, zoveel mogelijk interactie tussen
ouder en kind mogelijk te maken.
Tegen het einde van deze fase, wordt het lichamelijke zelf ervaren als coherent met een uniek affectief
leven.
En wordt de symbiotische relatie vervangen door de gehechtheidsrelatie.
, 1.2.4 7-15m subjectief zelfgevoel
Kind ontdekt dat het een eigen psychisch gevoelsleven heeft en dat anderen dit ook hebben.
Kind komt tot het besef dat wat die innerlijk subjectief ervaart dat dat anders kan zijn dan ervaringen van anderen
en dat deze innerlijke subjectieve ervaringen gedeeld kunnen worden.
Gedeelde aandachtsfocus = Joint attention = focus van aandacht kan gedeeld worden met anderen
Ontstaat tussen 9-10m
Kind is in staat om over een 3e object te communiceren door gestes te maken of aan te wijzen om
focus van aandacht te delen.
Kinderen hebben scherper besef in deze fase dat wat zij in de aandacht hebben, dat een ander een
andere focus kan hebben. Kinderen hebben een verlangen om hun aandachtsfocus te delen met
anderen.
Vb moeder en kind die samen naar iets kijken en van elkaar willen weten waar de ander naar kijkt.
Kind gebruikt vinger om aan te wijzen wat hij moeder wilt tonen. Delen van focus van aandacht
gebeurt nadat kind wijst.
Vb.: Mama heeft een koekje, kind steekt zijn/haar hand met handpalm naar boven en zijn
blik laat rusten van zijn hand naar het koekje tot mama dat koekje geeft.
Gedeelde intenties:
Kind is in staat om te communiceren over wat het wilt door gestes te maken of naar iets te wijzen
Vb Moeder heeft koekje in hand Kindje steekt zijn handje in de lucht met handpalm naar boven
en laat zijn blik rusten op zijn handje, kijkt dan naar koekje en dan naar mama en zal blijven dit
herhalen tot mama dat koekje geeft.
Kind begint ook een mentale toestand toe te kennen aan die zorgfiguren: het begrijpen of niet
begrijpen van eigen intenties van het kind
Begrijpt moeder wat ik wil? > wordt duidelijker zichtbaar
Gedeelde affectieve toestand:
Tot 9m reageren de zorgfiguren vooral door imitatie (imiteren van gezichtsuitdrukkingen van de
baby)
Vanaf 9m wordt er affect atunement toegevoegd aan de imitatie= continu en vaak onmerkbaar
afstemmen van een ouder op de emotionele golflengte van het kind.
Vb van affect atunement: still face experiment
Moeder wordt gevraagd om enkele seconden niet meer te reageren op emotionele golftlengte
van het kind= strak gezicht behouden
> baby gaat proberen met alle macht om de aandacht van de moeder terug te krijgen , om die
moeder terug in dat emotionele afstemmen te krijgen
Een zorgfiguur gaat de gemoedstoestand van de baby herkennen en vergelijkbaar gedrag laten
zien en die gemoedstoestand teruggeven aan baby. En als dit goed gelukt is , gaat die baby
gewoon blijven doen alsof er niets gebeurt is.
vb wanneer een baby een badje krijgt, en die trappelt met de beentjes en die glimlacht, kan een
moeder enthousiast reageren in haar stem en kirren ‘wiiii’
> door de enthousiaste toon van spreken en toevoegen van kirrend geluid, geeft die moeder iets
van gemoedstoestand terug aan het kind en doet het kind gewoon verder met wat hij bezig is.
Het gevoel dat moeder weergeeft, komt namelijk overeen met de gemoedstoestand van de baby