Hoofdstuk 1: DE CEL (hoofdstuk 4 in het boek)
1.1 Celtheorie
De cel: kleinste levende organisme, alles komt voort uit cel
Cel kunnen eencellig of meercellig zijn
Mens: meercellig
De kleinste organismen: eencellig
Celtheorie:
- Alle organismen zijn samengesteld uit cellen
- Zijn kleinste levende eenheid
- Ontstaan uit reeds bestaande cellen (de oercel)
De celgrootte is beperkt
Hoe groter de cel is, hoe langer het duurt voor uitkomend en inkomend materiaal om zich te
kunnen verplaatsen.
Cellen moeten met elkaar kunnen communiceren als ze meercellig zijn. Er moet materiaal
uit en binnen de cel komen.
Hoe groter de cel, hoe groter de afstand is van het middenpunt naar buitenkant.
-> Hierdoor duurt het langer om inkomend of uitkomend materiaal te diffunderen.
Celgrootte kan wel variëren tussen cellen.
Bv. Een rode bloedcel is kleiner dan een menselijke eicel.
Cellen kunnen weergeven worden via lichtmicroscoop.
Door lichtmicroscopen kunnen we onderdelen van cel zien.
Elektronenmicroscopen kunnen meer inzoomen dan lichtmicroscoop.
Wanneer spreken we van een cel?
Ze moeten bepaalde structuren hebben:
- Genetisch materiaal: nodig voor je eigen ontwikkeling (het kunnen afschrijven van
proteïnen, receptoren, signaalmoleculen), als je wilt voortplanten, ligt in kern of
nucleus (bij Prokaryoten: iets wijder verspreid).
1
, - Cytoplasma: ligt rond genetisch materiaal, interne inhoud van cel met daarin celkern
met genetisch materiaal, rond cytoplasma ligt plasmamembraan
- Plasmamembraan: heeft dubbele fosfolipidenlaag met proteïne in (zie afbeelding
dia 3), vaak zit er ook cholesterol in.
Proteïnen kunnen receptoren zijn of ionkanalen om dingen binnen of buiten te
brengen, of gewoon voor structuur.
1.2 Prokaryote cellen
- De kern is minder afgebakend dan bij eukaryote cel.
- Geen echte kern, genetisch materiaal is afgebakend in kernzone
- Hebben cytoplasma en plasmamembraan
- Hebben ribosomen (zijn super belangrijk om mRNA om te zetten in eiwit), is
gemeenschappelijk met eukaryote cel
- Veel eenvoudiger cytoskelet (heeft structuur aan cel en houdt alles op zijn plaats),
doordat er minder onderdelen aanwezig zijn in prokaryote cel
- Pili: communiceren met andere cellen
- Roterend flagellum: is motor die ervoor dat cel zich voort kan bewegen
Twee typen van prokaryoten:
- Archaea: hebben celwand waar geen peptidoglycaan in zit.
- Bacteria: celwand bestaat wel uit peptidoglycaan, soms veel (gram positief) of soms
weinig (gram negatief)
Rode woorden en vetgedrukte woorden zijn zeer belangrijk
1.3 Eukaryote cellen
- Nucleus (met genetisch materiaal) is omgeven met membraan.
2
, - Complexer opgebouwd dan prokaryote cellen
- In eukaryote cellen zijn er verschillende compartimenten. Er zijn verschillende
functies/werkstations. De functies/werkstations noemen we organellen. Het
endomembranair systeem is samenvoegsel van die organellen. De organellen zijn
verbonden met elkaar en vormen systeem.
- Cytoskelet is complexer dan bij prokaryote cellen (die meer steun bieden).
- Eukaryote cellen bestaan uit dierlijke cellen en plantencellen.
Plantencellen zijn geen leerstof!!!
Voorbeelden van organellen: mitochondriën, Golgi-apparaat, Endoplasmatisch Reticulum
(twee varianten: Ruw en Glad), Centriolen, lysosomen,...
1.4 Organellen van een dierlijke cellen
- Mitochondriën: energiehuisjes van cel
- Nucleolus: hierin zit genetisch materiaal dat nodig is voor cel te kunnen opstarten
- Nucleus: uitgebreider genetisch materiaal
- Ruw Endoplasmatisch Reticulum: in blauw op afbeelding, is ruw omdat vol zit met
ribosomen
- Glad Endoplasmatisch Reticulum: in groen op afbeelding, is glad omdat geen
ribosomen heeft
- Centriolen
- Lysosomen
- Peroxisomen
- Golgi-apparaat: geeft vesikels af die aan exocytose kunnen doen
- Cytoplasma
- Cytoskelet: om structuur te geven aan cel, twee onderscheiden van cytoskelet:
actine microtubuli en het intermediair filament
- Ribosomen
- Nooit celwand
- Plasmamembraan
- Soms kun je vacuole vinden in dierlijke cel voor vetopslag
3
, 1.5 Organellen van een plantencel
- Vacuole: standaard, bezit vocht, opslag voor vocht
- Celwand
- Plasmamembraan
- Chloroplasten: nodig voor fotosynthese, geven vaak de groene kleur aan plant,
belangrijke functie voor suikeraanlevering en energieaanlevering
- Kern
- Golgi-apparaat
- Ruw Endoplasmatisch Reticulum
- Glad Endoplasmatisch Reticulum
- Mitochondriën
- Peroxisomen
- Lysosomen
- Vesikels
- Cytoskelet
Verschil plantaardige cel en dierlijke cel:
Plantaardige cel Dierlijke cel
Celmembraan Ja Ja
Cytoplasma Ja Ja
Celkern Ja Ja
Bladgroenkorrels Ja Nee
4