Ontwikkelingspsychologie
1. Inleiding
a. Wat is ontwikkelingspsychologie?
Psychologie = studie van menselijk gedrag (intern/extern)
Ontwikkelingspsychologie = studie van gedrag (groei en verandering)
doorheen verschillende levensfasen van de mens.
- Baby tot adolescent
- Tot in ouderdom (levenslooppsychologie)
b.Theoretische mondellen
- Fasetheorieën of discontinue theorieën (beter hanteerbaar,
inzichtelijker)
o Ontwikkelingstheorie van Freud (niet kennen)
o Psycho-sociale identiteitstheorie van Ericson
ONTWIKKELINGSFAS OMSCHRIJVING TOELICHTING
E + LEEFTIJD CONFLICT
GEBOORTE Vertrouwen vs Positief: vertrouwen
12 À 18 MAAND wantrouwen dankzij steun van de
omgeving
Negatief: angst voor
anderen, zorgen over
anderen
12 À 18 MAAND Autonomie vs Positief:
3 JAAR schaamte en twijfel onafhankelijkheid, tgv
stimuleren
experimenteren
3 – 5À6 JAAR Initiatief vs Positief: ontdekken van
schuldgevoel manieren om
handelingen in gang te
zetten
Negatief: schuldgevoel
over daden en
gedachten
5 À 6 JAAR Ijver vs Positief: groeiend
ADOLESCENTIE minderwaardigheid besef van
competenties
Negatief: gevoelens
van
minderwaardigheid,
geen vertrouwen in
eigen kunnen
ADOLESCENTIE Identiteit vs Positief: bewustzijn
identiteitsverwarring van eigen uniekheid,
weten welke rol te
vervullen
Negatief: onvermogen
om passende rollen in
1
, het leven te herkennen
EERSTE Intimiteit vs isolement Positief: ontwikkeling
VOLWASSENHEID van liefdevolle
seksuele relaties en
hechte
vriendschappen
Negatief: angst voor
relaties met anderen
VOLWASSENHEID Generativiteit vs Positief: gevoel bij te
stagnatie dragen aan de
continuïteit van het
leven
Negatief:
bagatelliseren van
eigen activiteiten
RIJPHEID Ego-integriteit vs Positief: gevoel van
wanhoop eenheid in wat men in
het leven heeft bereikt
Negatief: spijt van
gemiste kansen
o Cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget
ONTWIKKELINGSFASE + BELANGRIJKSTE KENMERKEN
LEEFTIJD
SENSOMOTORISCHE STADIUM Kennis door zintuiglijke ervaring en
0 – 2 JAAR motorisch handelen
Weinig tot geen vermogen om te
denken of dingen symbolisch weer
te geven
PREOPERATIONELE STADIUM Kind kan nadenken = mentale
2 – 6 JAAR representatie maar nog geen
gebruik van logische
denkprocessen (veel denkfouten,
gebrek aan conservatie,
egocentrisch denken)
CONCREET OPERATIONELE Kind kan logisch en systematisch
STADIUM denken
6 – 12 JAAR Met concrete inhouden
FORMEEL OPERATIONELE Ontwikkeling van logisch redeneren
STADIUM (verbanden zien en begrijpen) en
12 – 16 JAAR abstracte denken (denken komt los
van het concrete)
- Continue theorieën (beste benadering van de werkelijkheid)
o Sociaal-culturele theorie van Vygotski
(Om een kind te doen groeien heeft deze sociaal contact nodig)
o Informatieverwerkingstheorie
2
, (De cognitieve ontwikkeling wordt beschreven naar analogie met
een computer, waarbij kennis steeds uitbreidt en processen steeds
verfijnder en efficiënter worden)
o Neuropsychologische theorie
(Via ontrafelen van hersenprocessen komen tot inzichten over de
ontwikkeling)
c. Wat heeft allemaal invloed op ontwikkeling?
- Gemeenschappelijke genetische invloeden
Gemeenschappelijk proces bij ALLE mensen (los van tijd en ruimte) ~
rijping
- Gemeenschappelijke omgevingsinvloeden (normatieve)
o Historisch bepaalde invloeden
Gedeelde factoren door mensen die in bepaalde historische periode
geboren zijn. Vb; meemaken van de coronapandemie, meemaken
van de wereldoorlog, opkomst van het internet.
Cohorteffecten: bij mensen die rond zelfde tijd en zelfde plek zijn
geboren
o Soc.-culturele invloeden
Gedeelde factoren binnen een sociale en of culturele groep
Vb; autonomie tijdens adolescentie in westerse samenlevingen
- Unieke ervaringen
Gebeurtenissen in het leven van een bepaald persoon
Vb; opvoeding, hechtingen, soort school, omgeving waarin je
opgroeit, verlieservaringen, pesten
d.Enkele onderzoeksmethoden in de ontwikkelingspsychologie
- Longitudinaal onderzoek (= volgt men een groep mensen doorheen
de tijd en kijkt men hoe deze na verloop van tijd veranderd zijn, vb;
als men wil weten of het gebruik van sociale media een negatieve
impact heeft op tieners en hun gevoelens)
o Verschillende meetmomenten
o Zelfde groep mensen
o Nadeel: tijdsintensief, kostelijk
- Cross-sectioneel of dwarsdoorsnedeonderzoek (=
tegelijkertijd mensen van verschillende
leeftijdscategorieën onderzoeken)
o Een meetmoment
o Mensen van verschillende leeftijdscategorieën
o Nadeel: cohorteffecten
- Cross-sequentieel onderzoek (= beide
onderzoeken combineren)
o Verschillende meetmomenten
o Mensen van verschillende leeftijdscategorieën
3
1. Inleiding
a. Wat is ontwikkelingspsychologie?
Psychologie = studie van menselijk gedrag (intern/extern)
Ontwikkelingspsychologie = studie van gedrag (groei en verandering)
doorheen verschillende levensfasen van de mens.
- Baby tot adolescent
- Tot in ouderdom (levenslooppsychologie)
b.Theoretische mondellen
- Fasetheorieën of discontinue theorieën (beter hanteerbaar,
inzichtelijker)
o Ontwikkelingstheorie van Freud (niet kennen)
o Psycho-sociale identiteitstheorie van Ericson
ONTWIKKELINGSFAS OMSCHRIJVING TOELICHTING
E + LEEFTIJD CONFLICT
GEBOORTE Vertrouwen vs Positief: vertrouwen
12 À 18 MAAND wantrouwen dankzij steun van de
omgeving
Negatief: angst voor
anderen, zorgen over
anderen
12 À 18 MAAND Autonomie vs Positief:
3 JAAR schaamte en twijfel onafhankelijkheid, tgv
stimuleren
experimenteren
3 – 5À6 JAAR Initiatief vs Positief: ontdekken van
schuldgevoel manieren om
handelingen in gang te
zetten
Negatief: schuldgevoel
over daden en
gedachten
5 À 6 JAAR Ijver vs Positief: groeiend
ADOLESCENTIE minderwaardigheid besef van
competenties
Negatief: gevoelens
van
minderwaardigheid,
geen vertrouwen in
eigen kunnen
ADOLESCENTIE Identiteit vs Positief: bewustzijn
identiteitsverwarring van eigen uniekheid,
weten welke rol te
vervullen
Negatief: onvermogen
om passende rollen in
1
, het leven te herkennen
EERSTE Intimiteit vs isolement Positief: ontwikkeling
VOLWASSENHEID van liefdevolle
seksuele relaties en
hechte
vriendschappen
Negatief: angst voor
relaties met anderen
VOLWASSENHEID Generativiteit vs Positief: gevoel bij te
stagnatie dragen aan de
continuïteit van het
leven
Negatief:
bagatelliseren van
eigen activiteiten
RIJPHEID Ego-integriteit vs Positief: gevoel van
wanhoop eenheid in wat men in
het leven heeft bereikt
Negatief: spijt van
gemiste kansen
o Cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget
ONTWIKKELINGSFASE + BELANGRIJKSTE KENMERKEN
LEEFTIJD
SENSOMOTORISCHE STADIUM Kennis door zintuiglijke ervaring en
0 – 2 JAAR motorisch handelen
Weinig tot geen vermogen om te
denken of dingen symbolisch weer
te geven
PREOPERATIONELE STADIUM Kind kan nadenken = mentale
2 – 6 JAAR representatie maar nog geen
gebruik van logische
denkprocessen (veel denkfouten,
gebrek aan conservatie,
egocentrisch denken)
CONCREET OPERATIONELE Kind kan logisch en systematisch
STADIUM denken
6 – 12 JAAR Met concrete inhouden
FORMEEL OPERATIONELE Ontwikkeling van logisch redeneren
STADIUM (verbanden zien en begrijpen) en
12 – 16 JAAR abstracte denken (denken komt los
van het concrete)
- Continue theorieën (beste benadering van de werkelijkheid)
o Sociaal-culturele theorie van Vygotski
(Om een kind te doen groeien heeft deze sociaal contact nodig)
o Informatieverwerkingstheorie
2
, (De cognitieve ontwikkeling wordt beschreven naar analogie met
een computer, waarbij kennis steeds uitbreidt en processen steeds
verfijnder en efficiënter worden)
o Neuropsychologische theorie
(Via ontrafelen van hersenprocessen komen tot inzichten over de
ontwikkeling)
c. Wat heeft allemaal invloed op ontwikkeling?
- Gemeenschappelijke genetische invloeden
Gemeenschappelijk proces bij ALLE mensen (los van tijd en ruimte) ~
rijping
- Gemeenschappelijke omgevingsinvloeden (normatieve)
o Historisch bepaalde invloeden
Gedeelde factoren door mensen die in bepaalde historische periode
geboren zijn. Vb; meemaken van de coronapandemie, meemaken
van de wereldoorlog, opkomst van het internet.
Cohorteffecten: bij mensen die rond zelfde tijd en zelfde plek zijn
geboren
o Soc.-culturele invloeden
Gedeelde factoren binnen een sociale en of culturele groep
Vb; autonomie tijdens adolescentie in westerse samenlevingen
- Unieke ervaringen
Gebeurtenissen in het leven van een bepaald persoon
Vb; opvoeding, hechtingen, soort school, omgeving waarin je
opgroeit, verlieservaringen, pesten
d.Enkele onderzoeksmethoden in de ontwikkelingspsychologie
- Longitudinaal onderzoek (= volgt men een groep mensen doorheen
de tijd en kijkt men hoe deze na verloop van tijd veranderd zijn, vb;
als men wil weten of het gebruik van sociale media een negatieve
impact heeft op tieners en hun gevoelens)
o Verschillende meetmomenten
o Zelfde groep mensen
o Nadeel: tijdsintensief, kostelijk
- Cross-sectioneel of dwarsdoorsnedeonderzoek (=
tegelijkertijd mensen van verschillende
leeftijdscategorieën onderzoeken)
o Een meetmoment
o Mensen van verschillende leeftijdscategorieën
o Nadeel: cohorteffecten
- Cross-sequentieel onderzoek (= beide
onderzoeken combineren)
o Verschillende meetmomenten
o Mensen van verschillende leeftijdscategorieën
3