Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 145 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Verbintenissenrecht UHasselt (16/20)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 145 pagina's

Dit document bestaat uit alle hoorcolleges en onderwijsgroepen. Ook het blokboek van verbintenissenrecht wordt erin verwerkt. Dit document bevat alle soorten verbintenissen en oefeningen. Er worden ook examenvragen voorbereid voor de studenten. Het uiteindelijke resultaat van dit examen was een 16/20 dus perfecte reserves. Dit zal je zeker helpen bij het begrijpen en goed in studeren van het vak.

Voorbeeld van de inhoud

lOMoARcPSD|50161951




Naomi Zedda 1ste Bachelor Rechten 2020-2021




LEERBOEK 1
INLEIDING (HC1)
1. Plaats van het verbintenissenrecht in het Burgerlijk
Wetboek en in het recht
A. In het recht
In het recht moet er een onderscheid worden gemaakt tussen het publiekrecht en
het privaatrecht.
- Het publiekrecht regelt de verhoudingen tussen staten onderling en ook de
overheid en haar burgers.
- Het privaatrecht regelt de verhoudingen tussen burgers onderling.
Het verbintenissenrecht valt onder privaatrecht. Het verbintenissenrecht is het
gemeenrecht van het privaat recht.
Het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht is tegenwoordig achterhaald. Het
publiek- en privaatrecht steeds meer in elkaar verstrengeld raken. Rechtstakken, zoals
het verbintenissenrecht, hebben soms ook aansluiting bij zowel het publiek- als
privaatrecht.
Bij het verbintenissenrecht is dit bijvoorbeeld zo bij overheidsaansprakelijkheid. Dit
betekent dat ook de overheid onderworpen is aan de regels van aansprakelijkheid
(vanaf art. 1382 BW), dit is dus zowel publiekrecht als privaatrecht. Een ander
voorbeeld hiervan is wanneer de overheid contracten sluit.
Daarnaast zijn er ook recentere vakdomeinen die niet meer toe te wijzen zijn aan
publiekrecht of privaatrecht, zoals het consumentenrecht. Het consumentenrecht
zijn de regels ter bescherming van de consument. Een consument is iedere natuurlijke
persoon die voor privédoeleinden handelt (art. I.1, 2° WER). Consumenten worden in
het recht beschouwd als zwakkere personen wanneer zij tegenover ondernemingen
staan en worden in het recht beschermd.


B. In het burgerlijk wetboek
Het verbintenissenrecht bevindt zich in Boek III van het BW, meer bepaald Titel III
“Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen”, Titel IV
“Verbintenissen buiten overeenkomst” en Titel VIbis “Vergoeding van schade door
abnormale veroorzaakt”, oftewel van art. 1101 tot en met art. 1386bis BW.
Ook in Boek 8 “Bewijs” van het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek, in het Gerechtelijk
Wetboek en het Wetboek Economisch Recht kan men het verbintenissenrecht
terugvinden.


2. De vermogensrechtelijke verbintenis
A. Definitie
De vermogensrechtelijke verbintenis is een rechtsband tussen twee of meer personen,
ontstaan krachtens de wet ingevolge een eenzijdige of meerzijdige rechtshandeling of
ingevolge een andere menselijke gedraging, op grond waarvan de ene(n) jegens de
andere(n) in geld waardeerbare en juridisch afdwingbare aanspraken (kunnen)
doen gelden.




Gedownload door Tina Vignjevic ()

, lOMoARcPSD|50161951




Naomi Zedda 1ste Bachelor Rechten 2020-2021



i. Rechtsband
Een vermogensrechtelijke verbintenis is altijd tussen een schuldeiser en een
schuldenaar.
Een schuldeiser staat aan de actiefzijde van een verbintenis, deze is
gerechtigd om iets te bekomen aan de hand van een schuldvordering.
De schuldenaar staat aan de passiefzijde en wordt gehouden om iets te doen
en op wie er een schuld rust.

ii. Wederkerige verbintenis
Vaak zal een vermogensrechtelijke verbintenis in beide richtingen gaan en zijn
beide partijen zowel schuldeiser als schuldenaar. Dit noemt een wederkerige
verbintenis, zoals een wederkerig huurcontract.
Bij een koopcontract rust er op de verkoper een leveringsverbintenis en op de
koper een betalingsverbintenis. Het is een wederzijdse verbintenis maar ook
samenhangend, de ene verbintenis wordt aangegaan om de andere.

B. Analyse van de kenmerken
i. Een rechtsband tussen personen
Om de rechtsband te beoordelen is het belangrijk om een onderscheid te maken
tussen vorderingsrechten of verbintenissen en zakelijke rechten. Beide
categorieën behoren tot de patrimoniale of vermogensrechten en geven
rechtstreeks zeggenschap over een goed of gedraging.

Als men deze op intern vlak vergelijkt dan zijn:
- Vorderingsrechten of persoonlijke rechten: een verhouding tussen personen.
Deze geven aan de ene persoon een aanspraak of zeggenschap of
vorderingsrecht aan de andere persoon.
- Zakelijke rechten: een verhouding tussen een persoon en een zaak. Deze geven
aan een persoon het zeggenschap of vorderingsrecht over een zaak of goed.

Als men deze op extern vlak of t.o.v. derden vergelijkt dan:
- Vorderingsrechten of persoonlijke rechten: zijn relatief, het creëert enkel
rechten tussen de personen die een rechtsband onderling hebben of inter
partes. De tegenwerpelijkheid aan derden is beperkt. Dit is de relativiteitsregel.
De interne gevolgen werken enkel tussen de betrokken personen, maar derden
moeten wel rekening houden met het bestaan van de vorderingsrechten.
- Zakelijke rechten: gelden erga omnes en zijn tegenwerpelijk aan iedereen.

ii. Bronnen van verbintenissen
Het vertrekpunt om te achterhalen waaruit een vermogensrechtelijke
verbintenis kan ontstaan is terug te vinden in art. 1370 BW. In dit artikel geeft
de wet een verbintenisscheppende of obligatoire kracht aan bepaalde
gedragingen zoals:
1. Overeenkomsten (twee- of meerzijdige rechtshandeling): art. 1134
BW
2. Onrechtmatige daad: art. 1382 t.e.m. 1386 BW
3. Quasi- of oneigenlijke contracten: art. 1371 BW

Een verbintenis kan dus uit meerdere zaken voortvloeien.

2

Gedownload door Tina Vignjevic ()

, lOMoARcPSD|50161951




Naomi Zedda 1ste Bachelor Rechten 2020-2021



Hierbij rijst de vraag of art. 1370 BW een limitatieve of exemplatieve lijst is
waaruit vermogensrechtelijke verbintenissen kunnen voortvloeien.
- Limitatief: de mogelijkheden zijn beperkt tot wat er in die lijst staat. Dit is een
gesloten systeem.
- Exemplatief: de lijst geeft voorbeelden, maar er kunnen nog voorbeelden aan
worden toegevoegd. Hierbij is er sprake van een open systeem.

Is er dus een open systeem of gesloten systeem van bronnen van
verbintenissen?
Volgens het Hof van Cassatie is er sprake van een open systeem. Zij hebben ook
bijkomende zaken erkend zoals:
4. Eenzijdige rechtshandeling

Sommigen vinden ook dat 5. Vertrouwensleer een bron van verbintenissen is,
maar hier is discussie over en het is nog niet algemeen aanvaard.

De bronnen van verbintenissen zijn dus:
1. Overeenkomsten Rechtsgevolgen worden beoogd
2. Eenzijdige rechtshandeling
door menselijk gedrag

3. De onrechtmatige daad Rechtsgevolgen worden NIET beoogd
4. De quasi- of oneigenlijke contracten door menselijk gedrag, maar de wet verbindt toch
bepaalde rechtsgevolgen aan dit gedrag
5. Vertrouwensleer? (Discussie)

In het nieuwe Burgerlijk Wetboek zal een duidelijker artikel komen van de
bronnen van verbintenissen die als volgt luidt:
“Verbintenissen ontstaan uit een rechtshandeling, uit een oneigenlijk contract,
uit de buitencontractuele aansprakelijkheid of uit de wet.”

iii. Voorwerp van de verbintenis
Het voorwerp slaat op de inhoud van de verbintenis is, tot wat een schuldenaar
zich verbindt en waarop de schuldeiser een aanspraak kan maken. Een
vermogensrechtelijke verbintenis heeft in geld waardeerbare aanspraken tot
voorwerp.

Volgens de klassieke opvatting, deze is echter ouderwets, maakt men een
onderscheid betreffende het voorwerp tussen:
- Facere: iets doen (bv. architect)
- Non-facere: iets niet te doen (bv. niet-concurrentiebeding)
- Dare: overdracht van zakelijke rechten (bv. verkoop van een huis)

Volgens de moderne opvatting maakt men een onderscheid tussen:
- Een resultaatsverbintenis: men verbindt zich om een resultaat te leveren. In dit
geval ligt de bewijslast bij SA en wordt de schuld van de schuldenaar vermoed
en deze zal slechts aan zijn aansprakelijkheid ontsnappen indien hij een
oorzaak kan aantonen die het bereiken van het resultaat onmogelijk maakte.
- Een inspanningsverbintenis of middelenverbintenis: men kan geen resultaat
beloven, maar gaat alle inspanningen leveren die van een goede huisvader

3

Gedownload door Tina Vignjevic ()

, lOMoARcPSD|50161951




Naomi Zedda 1ste Bachelor Rechten 2020-2021


worden verwacht. Hierbij ligt de bewijslast bij de schuldeiser, deze moet
kunnen aantonen dat de schuldenaar niet alle nodige inspanningen heeft
geleverd zoals een goede huisvader dat zou gedaan hebben.

Er is ook nog een onderscheid te maken op vlak van genuszaken en
specieszaken.
- Genuszaken: generieke zaken waarbij het eigendomsrecht overgaat bij de
aflevering van de zaak
- Specieszaken: specifieke, unieke zaken waarbij het eigendomsrecht overgaat op
het ogenblik van consensus (art. 1138 BW)

iv. Afdwingbaarheid van de verbintenis
Wanneer een verbintenis niet vrijwillig nageleefd wordt door de schuldenaar,
dan kan de schuldeiser hem daartoe in rechte dwingen en naar de rechtbank
stappen.

Dit gebeurt steeds in 3 stappen:
1. Ingebrekestelling van SA door SE
2. Vonnis bekomen voor de rechtbank
3. Vonnis doen uitvoeren met dwangmiddelen

Er bestaan ook niet-juridische verbintenissen die niet-afdwingbaar in
rechte zijn. Voorbeelden hiervan zijn:
- Morele verbintenissen: een gentlemen’s agreement
- Natuurlijke verbintenissen (art. 1235, lid 2 BW): vrijwillige onderhoudsgelden
van grootouders
- Sociale verbintenissen: afspraken tussen vrienden

De natuurlijke verbintenis kan niet in rechte worden afgedwongen, maar
eens dat deze vrijwillig is uitgevoerd of beloofd is uitgevoerd te worden, wordt
de natuurlijke verbintenis omgevormd tot een juridische verbintenis die wél in
rechte afdwingbaar is (art. 1235, lid 2 BW).




TITEL I: DE BRONNEN VAN VERBINTENISSEN
HOOFDSTUK 1: BEGRIP EN SOORTEN OVEREENKOMSTEN (OG1)
4

Gedownload door Tina Vignjevic ()

Inhoudsopgave

  1. 01 1. Plaats van het verbintenissenrecht in het Burgerlijk Wetboek en in het recht 1
    1. A. In het recht 1
    2. In het recht moet er een onderscheid worden gemaakt tussen het publiekrecht en het privaatrecht. 1
    3. Het publiekrecht regelt de verhoudingen tussen staten onderling en ook de overheid en haar burgers. 1
    4. Het privaatrecht regelt de verhoudingen tussen burgers onderling. 1
    5. Het verbintenissenrecht valt onder privaatrecht. Het verbintenissenrecht is het gemeenrecht van het privaat recht. 1
    6. Het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht is tegenwoordig achterhaald. Het publiek- en privaatrecht steeds meer in elkaar verstrengeld raken. Rechtstakken, zoals het verbintenissenrecht, hebben soms ook aansluiting bij zowel het publiek- als privaatrecht. 1
    7. Bij het verbintenissenrecht is dit bijvoorbeeld zo bij overheidsaansprakelijkheid. Dit betekent dat ook de overheid onderworpen is aan de regels van aansprakelijkheid (vanaf art. 1382 BW), dit is dus zowel publiekrecht als privaatrecht. Een ander voorbeeld hiervan is wanneer de overheid contracten sluit. 1
    8. Daarnaast zijn er ook recentere vakdomeinen die niet meer toe te wijzen zijn aan publiekrecht of privaatrecht, zoals het consumentenrecht. Het consumentenrecht zijn de regels ter bescherming van de consument. Een consument is iedere natuurlijke persoon die voor privédoeleinden handelt (art. I.1, 2° WER). Consumenten worden in het recht beschouwd als zwakkere personen wanneer zij tegenover ondernemingen staan en worden in het recht beschermd. 1
    9. B. In het burgerlijk wetboek 1
    10. Het verbintenissenrecht bevindt zich in Boek III van het BW, meer bepaald Titel III “Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen”, Titel IV “Verbintenissen buiten overeenkomst” en Titel VIbis “Vergoeding van schade door abnormale veroorzaakt”, oftewel van art. 1101 tot en met art. 1386bis BW. 1
    11. Ook in Boek 8 “Bewijs” van het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek, in het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek Economisch Recht kan men het verbintenissenrecht terugvinden. 1
  2. 02 2. De vermogensrechtelijke verbintenis 1
    1. A. Definitie 1
    2. De vermogensrechtelijke verbintenis is een rechtsband tussen twee of meer personen, ontstaan krachtens de wet ingevolge een eenzijdige of meerzijdige rechtshandeling of ingevolge een andere menselijke gedraging, op grond waarvan de ene(n) jegens de andere(n) in geld waardeerbare en juridisch afdwingbare aanspraken (kunnen) doen gelden. 1
    3. B. Analyse van de kenmerken 2
  3. 03 1. Het begrip overeenkomst 5
  4. 04 2. Kenmerken van een vermogensrechtelijke overeenkomst 5
    1. C. De overeenkomst berust op een wilsovereenstemming 5
    2. D. De overeenkomst wordt gesloten tussen twee of meer personen 5
    3. E. De overeenkomst veronderstelt de bedoeling rechtsgevolgen te doen ontstaan 5
  5. 05 1. Kenmerken van een vermogensrechtelijke overeenkomst 5
    1. A. Andere privaatrechtelijke overeenkomsten 6
    2. B. Verdragen, publiekrechtelijke overeenkomsten en contracten van particulieren met de overheid 6
  6. 06 2. Soorten vermogensrechtelijke overeenkomsten 6
    1. A. Consensuele, zakelijke en plechtige overeenkomsten 6
    2. B. Eenzijdige en wederkerige overeenkomsten 7
    3. C. Overeenkomsten om niet en onder bezwarende titel 7
    4. D. Vergeldende en kanscontracten 7
    5. E. Overeenkomsten “intuitu personae” 8
    6. F. Benoemde, onbenoemde en gemengde overeenkomsten 8
    7. G. Aflopende contracten, duurcontracten van bepaalde of onbepaalde duur en langdurige contracten 8
    8. H. Kadercontracten en voorovereenkomsten 8
    9. I. Hoofdcontracten en bijkomende contracten 9
    10. J. Onderhandelde contracten, toetredingscontracten en het gebruik van standaardvoorwaarden 9
    11. K. Handelscontracten en contracten met een consument 9
    12. Het WER zal voorrang krijgen op het gemeen verbintenissenrecht in deze gevallen. 10
    13. Boek VI WER is een soort gemeen consumentenrecht, waarop andere wetten gelden als een lex specialis, zoals het Boek VII WER waarin nog andere beschermingsregels voor consumenten en onrechtmatige bedingen terug te vinden zijn. 10
  7. 07 Inleiding: van traditionele naar moderne visie 10
    1. A. Traditionele visie op de maatschappij en contractenrecht (1804) 10
    2. F. Moderne visie op de maatschappij en contractenrecht (2021) 11
  8. 08 1. De contractvrijheid 11
    1. G. In het algemeen 11
    2. De vrijheid om al dan niet te contracteren. 11
    3. In 1804 waren er zeer weinig regels van dwingend recht; deze beschermen private belangen, zoals categorieën van zwakke personen. 11
    4. Er waren wel een paar regels van openbare orde waarmee men moest rekening houden, waarvan men niet mocht afwijken zoals vastgelegd in art. 2 BW, met als sanctie (absolute) nietigheid. 12
    5. De meerderheid van de regels van het contractenrecht waren aanvullend recht, hiervan mag worden afgeweken. 12
    6. H. In het bijzonder 12
    7. De vrijheid om… 12
  9. 09 3. De bindende kracht 13
    1. A. Traditionele visie 13
    2. Anno 1804 was de bindende kracht van de overeenkomst absoluut. Eens dat een overeenkomst gesloten was, had het bindende kracht. De wil van de partijen was de enige maat en bron van de gebondenheid (art. 1134, lid 1 en 2 Oud BW) of het “Pacta sunt servanda”-principe. Eens een contract gesloten is, is men hieraan gebonden. 13
    3. De reden voor de bindende kracht van een overeenkomst is de rechtszekerheid. Eens de partijen gebonden zijn, moeten zij hun afspraken nakomen tenzij in geval van overmacht. Een partij kan niet eenzijdig een overeenkomst wijzigen of beëindigen, enkel met wederzijdse toestemming of op wijze die door de wet zijn erkend. Een voorbeeld hiervan is dat lastgeving wel eenzijdig kan worden beëindigd, zoals vastgelegd in art. 2003 Oud BW. Overeenkomsten van onbepaalde duur kunnen ook eenzijdig worden beëindigd, dit vloeit voort uit de rechtspraak en rechtsleer omdat het niet toegelaten is dat men zich voor altijd verbindt. Er kan ook afgeweken worden van art. 1134, lid 2 Oud BW door in contracten van bepaalde duur een opzegbeding vast te leggen. Hierdoor geven de partijen aan elkaar de toestemming om elk het contract eenzijdig te beëindigen. 13
    4. Ook de rechter is gebonden door de bindende kracht van de overeenkomst; hij mag in de overeenkomst geen zaken interpreteren die de partijen niet hebben gewild of bedoeld. Anno 1804 was het contract absoluut. Indien het onduidelijk was, mocht de rechter wél interpreteren. Hij mocht echter niets veranderen aan het contract indien hij deze niet rechtvaardig vond. Het Hof van Cassatie bewaakt de bindende kracht van de overeenkomst. Ze zien erop toe dat de rechter én de partijen de bindende kracht van de overeenkomst respecteren. 13
    5. Dit is ook de reden waarom de imprevisieleer nog niet erkend is in België. Imprevisie betekent dat er omstandigheden buiten iemands wil om zijn gebeurd die de uitvoering van het contract niet onmogelijk maken (zoals bij overmacht), maar wel zéér moeilijk. In België is er in het recht nog geen remedie voor deze toestanden, omdat de imprevisieleer niet erkend is door het Hof van Cassatie omdat de imprevisieleer in zou gaan tegen de bindende kracht van de overeenkomst en dus art. 1134, lid 1 en 2 Oud BW. 13
    6. B. Moderne visie – De bindende kracht en de wilsautonomie gecorrigeerd 13
    7. Tegenwoordig is de wil van de partijen niet langer de enige maat en bron van gebondenheid. Dit wordt gecorrigeerd met de vertrouwensleer en de werking van de goede trouw. 13
    8. De vertrouwensleer bepaalt dat er in sommige gevallen een verschil is tussen de werkelijkheid en de schijn die wordt opgewekt. De partij die op de opgewekte schijn vertrouwd heeft, mag hier dan ook op verder gaan. 14
    9. De vertrouwensleer is de leer die bescherming biedt aan personen die legitiem mochten vertrouwen en voortbouwen op een situatie die echter slechts een schijntoestand blijkt te zijn. 14
    10. In eerste rol is de vertrouwensleer een bron van verbintenissen, vermits de persoon die legitiem vertrouwde op de schijn titularis van een recht wordt dat zij terecht meende te verkrijgen, mag zij de schijn voor werkelijkheid houden. 14
    11. In tweede rol is het een gedragsnorm, die aan de titularis van een recht beveelt zijn vooraf bestaand recht niet of niet ten volle uit te oefenen wanneer hij een schijntoestand verwekte en de tegenpartij daarop rechtmatig heeft mogen vertrouwen. Hier zal de vertrouwensleer tot gevolg hebben dat de rechtsuitoefening aan de titularis wordt ontzegd. In dit kader van de vertrouwensleer als gedragsnorm, valt ook het verbod op rechtsmisbruik. 14
    12. In de traditionele visie bleef de rol van de rechter enkel beperkt tot interpretatie bij onduidelijkheden. Tegenwoordig kan de rechter interpreteren, aanvullen en matigen. 14
    13. De werking van de goede trouw laat aan de rechter toe, wanneer hij geconfronteerd wordt met een contract dat in strijd is met de goeder trouw, om het contract te matigen en aan te vullen. Dit is voortgevloeid uit art. 1134, lid 3 Oud BW. 14
    14. Grondslag: 14
    15. Wilsovereenstemming van de partijen 14
    16. Mogelijke correctie door de vertrouwensleer 14
    17. = Trekker 14
    18. Na totstandkoming: 14
    19. Contractueel mechanisme 14
    20. = Regels van dwingend recht en van openbare orde 14
    21. Rol van de rechter bij betwisting: 14
  10. 10 4. Het consensualisme 14
    1. A. Traditionele visie 14
    2. Oorspronkelijk kwam een overeenkomst tot stand louter door de consensus. Er waren enkel consensuele contracten, zonder vormvereisten. In de praktijk waren er echter bewijsmoeilijkheden om te bewijzen dat men ook effectief een overeenkomst had. Hierdoor ging men toch vaak schriftelijke contracten opstellen. De uitzonderingen hierop waren de zakelijke en plechtige overeenkomsten. 14
    3. Consensualisme betekent dat een overeenkomst louter tot stand komt door de consensus of wilsovereenstemming. 15
    4. B. Moderne visie – Consensualisme vs. beschermend formalisme 15
    5. Tegenwoordig is er meer sprake van (beschermend) formalisme; men eist voor de geldigheid enkele vormvereisten voor de geldigheid van de overeenkomst, vaak ter bescherming voor de zwakkere partij. Zo bevordert men de rechtszekerheid en vermijdt men overhaasting bij de zwakkere partij of uitoefening van macht door de sterkere partij. 15
    6. Een voorbeeld hiervan is art. VII.78 WER betreffende het consumentenkrediet. 15
  11. 11 1. Interpretatie van het contract 15
    1. C. Interpretatie volgens het BW 15
  12. 12 5. Aanvulling van het contract 16
    1. i. Definitie 16
    2. De aanvulling van de overeenkomst is een juridische techniek waarbij de rechter leemtes in een contract mag aanvullen. 16
    3. Het verschil met interpretatie is dat er geen sprake van onduidelijkheid is, want er is een leegte in het contract die niet geregeld is en niet kan geïnterpreteerd worden. 16
    4. ii. Grondslag 16
    5. Indien er een leemte is, mag de rechter zelf uit het contract afleiden wat er in de leemte had moeten staan en hij mag de leemte aanvullen. Hij mag bijkomende verbintenissen opleggen aan de partijen. De grondslag hiervan is niet meer de wil van de partijen, maar de aanvullende werking van de goede trouw. Dit vloeit voort uit volgende artikelen: 16
  13. 13 6. Matiging en de uitoefening van contractuele rechten 17
    1. A. De matigende functie van de goede trouw en de link met het verbod op rechtsmisbruik 17
    2. Art. 1134, lid 3 BW wordt gezien als de ‘poort’ naar de matigende functie van de goede trouw. Op zich is dit artikel echter niet genoeg, het moet samen gelezen worden met de leer van het verbod op rechtsmisbruik. 18
    3. De link tussen de matigende functie van de goede trouw en het verbod op rechtsmisbruik werd voor het eerst erkend in een mijlpaalarrest van het Hof van Cassatie op 19/9/1983. 18
    4. Het Hof stelde hier “dat het in art. 1134 BW neergelegd beginsel dat de overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer gebracht moeten worden, een contractpartij verbiedt misbruik te maken van de rechten die dit contract haar toekent”. 18
    5. In een Cassatie-arrest van 1990 werd het duidelijk dat voor toepassing van de matigende werking van de goede trouw slechts één criteria inzake rechtsmisbruik vervuld moet zijn. Er ontstaat een volledige gelijkschakeling tussen de situaties ‘misbruik van recht’ en ‘handelen tegen de redelijkheid en billijkheid’ in het contractenrecht. Art. 1134, lid 3 BW zal pas geschonden zijn indien er rechtsmisbruik aanwezig is, in het contractueel recht. 18
    6. We kunnen dus vaststellen dat het vaststellen van rechtsmisbruik een voldoende voorwaarde is om een handelen in strijd met de goede trouw vast te stellen. 18
    7. B. De theorie van het rechtsmisbruik – Voorwaarden matiging 18
    8. De matigingsbevoegdheid van de rechter is volledig onderworpen aan de voorwaarden van rechtsmisbruik. 18
    9. C. De sanctie op rechtsmisbruik: Matiging 19
  14. 14 1. De wilsovereenstemming (OG2) 20
    1. D. Kenmerken en draagwijdte 20
    2. E. Drie problemen rond de wilsovereenstemming 20
    3. F. De wilsgebreken 22
  15. 15 7. De handelingsbekwaamheid (HC3) 26
    1. A. Het beginsel van de handelingsbekwaamheid van natuurlijke personen en rechtspersonen 26
  16. 16 8. Het voorwerp 27
    1. A. Begrip 27
    2. Art. 1126 t.e.m 1130 BW gaan over het voorwerp van de overeenkomst. 27
    3. Het voorwerp betreft de inhoud van de overeenkomst. 27
    4. Het voorwerp is het concrete rechtsgevolg dat de handelende partij(en) beoogt /beogen. Met name: het vestigen, overdragen, wijzigen of tenietdoen van verbintenissen of zakelijke rechten. 27
    5. Het voorwerp van de overeenkomst is het rechtsgevolg dat men met de overeenkomst beoogt. 27
    6. Het voorwerp van de verbintenis is de door de schuldenaar beloofde prestatie (art. 1126 BW: iets geven, iets doen, iets niet doen. Er doet zich in dit artikel een terminologische verwarring voor. 27
    7. A. Geldigheidsvoorwaarden 27
    8. B. Gevolgen 28
    9. Indien het voorwerp niet voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden, dan is de sanctie de nietigheid van de overeenkomst. 28
    10. C. Theorie van het verval wegens wegvallen van het voorwerp 28
    11. Verval is een sanctie die plaatsvindt wanneer tijdens de uitvoering van het contract, het voorwerp wegvalt. Tijdens de totstandkoming was er echter wél een voorwerp die voldeed aan alle geldigheidsvereisten. 28
    12. Verval is een wijze van beëindiging van een contract die intreedt wanneer een geldigheidsvereiste van een geldig tot stand gekomen contract tijdens de uitvoering ervan verdwijnt waardoor de uitvoering in natura van het contract onmogelijk is geworden. 28
    13. Verval is een verworven rechtsfiguur bij het verdwijnen van het voorwerp door een arrest van het Hof van Cassatie op 28/11/1980. 28
  17. 17 9. De oorzaak 28
    1. A. Het vereiste van een oorzaak 28
    2. De oorzaak is de grondslag voor de verbintenissen. Waarom sluiten de partijen een contract? Waarom verbindt een partij zich? 28
    3. De oorzaak is vastgelegd in artt. 1131 – 1133 BW. 28
    4. A. Invulling van het oorzaakbegrip 28
    5. De invulling van het oorzaakbegrip doorging een evolutie: 28
    6. B. Oorzaak: Drie problemen 29
    7. C. De abstracte verbintenis 31
  18. 18 1. De onderhandelingsfase 31
    1. A. Onderhandelingen 31
    2. De fase van onderhandelingen of besprekingen varieert aanzienlijk in duur en complexiteit. Het sluiten van een overeenkomst kan ogenblikkelijk gebeuren (en zelfs mondeling) of het resultaat zijn van langdurige onderhandelingen. 31
    3. Zolang er onderhandeld wordt en er geen aanbod is geformuleerd, is er geen juridische binding tussen de onderhandelaars. Ze moeten over zo’n groot mogelijk onderzoeks- en beslissingsvrijheid beschikken, als onderdeel van de contractvrijheid. Zolang er besprekingen of onderhandelingen zijn, is elke partij vrij de onderhandelingen af te breken. 31
    4. De onderhandelingsvrijheid mag niet op een foutieve manier worden aangewend. De onderhandelaars zijn elkaar tot een bijzondere zorgvuldigheid gehouden. Zij moeten hun onderzoeks- of beslissingsvrijheid met de nodige omzichtigheid en zorgvuldigheid uitoefenen. Wie dit miskent, wordt gesanctioneerd op grond van art. 1382 BW. 31
    5. Het gaat om een precontractuele aansprakelijkheid: 32
    6. Precontractuele aansprakelijkheid sensu stricto: 32
    7. Het contract komt niet tot stand. De onderhandelingen worden foutief afgebroken; een partij had de legitieme verwachting bij de wederpartij opgewekt op contractsluiting en heeft deze verwachting (opzettelijk of uit nalatigheid) beschaamd. 32
    8. Precontractuele aansprakelijkheid sensu lato: 32
    9. De overeenkomst komt tot stand maar er zijn precontractuele fouten begaan, bv. een tekortkoming aan de precontractuele informatieplicht. 32
    10. In de loop van de onderhandelingsfase kunnen de partijen ook een beperkte overeenkomst sluiten, bv. omtrent geheimhouding van meegedeelde informatie. Indien ze al verder staan in de onderhandeling worden er ook soms voorcontracten of voorbereidende contracten afgesloten. 32
    11. De niet-naleving van deze contracten kan in geval van toerekenbare tekortkoming wél degelijk aanleiding geven tot een contractuele aansprakelijkheid. 32
    12. D. Geruisloos en progressief contracteren 32
    13. Geruisloos contracteren is wanneer onderhandelende partijen, zonder het effectief te zeggen of het soms zo te bedoelen, het gebied van de vrijblijvende voorstellen ‘geruisloos’ verlaten en het gebied van de contractuele binding betreden. 32
    14. Vaak wordt de stand van de onderhandelingen schriftelijk vastgelegd, die al dan niet bindend kunnen zijn afhankelijk van de bedoeling van de partijen. Indien er een geschil ontstaat, zal de rechter rekening houden met de bewoording van de afspraak, de omstandigheden van de totstandkoming en de geldende gebruiken om zo de bedoeling van de partijen te achterhalen. 32
    15. Partijen kunnen beperkte afspraken vastleggen over een deelaspect van hun besprekingen bij het begin van de onderhandelingen of naarmate deze opschieten. Zij kunnen bv. afspraken maken over het verloop, de inhoud en/of de exclusiviteit van hun onderhandelingen. 32
    16. Enkele voorbeelden zijn: 32
    17. Intentieverklaringen: Een document dat opgesteld wordt ter voorbereiding van de definitieve overeenkomst waarin men het voorlopig resultaat weergeeft van de onderhandelingen en de verdere stappen, vaak met dat ze op zich niet verbindend zijn. 32
    18. Gentlemen’s agreement: Partijen verbinden zich in eer en geweten tot loyaal onderhandelen, maar weten dat ze niet juridisch gebonden zijn. 32
    19. Beginselakkoorden: Een échte overeenkomst waarin de partijen vaststellen over welke punten er reeds een akkoord bestaat en waarbij zij zich toe verbinden om verder te onderhandelen over de essentiële of substantiële elementen van de overeenkomst die nog in overleg moet worden gepreciseerd. Partijen verbinden zich tot een inspanningsverbintenis om verder te onderhandelen. Zij kunnen niet eenzijdig terugkomen op één van de verworven punten van hun wilsovereenstemming, op straffe van contractuele aansprakelijkheid. 32
  19. 19 10. Aanbod en aanvaarding 33
    1. A. Aanbod 33
    2. A. Aanvaarding 34
    3. De aanvaarding veronderstelt het volle akkoord, zonder voorbehoud omtrent een essentieel of substantieel element van de overeenkomst, met het aanbod. 34
    4. Aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend gebeuren. Enkel ‘omstandig stilzwijgen’ of stilzwijgen dat, gelet op de concrete omstandigheden, niet anders als aanvaarding kan worden opgevat telt als stilzwijgende aanvaarding. 34
    5. Als partijen in de tijd of in de ruimte van elkaar verwijderd zijn, wordt de overeenkomst geacht tot stand te komen op het ogenblik en op de plaats waarop de aanbieder van de aanvaarding door de wederpartij kennis heeft genomen of redelijkerwijze kennis van kon nemen. 34
  20. 20 11. Contracteren met vertegenwoordiging 34
    1. A. Situering en begripsbepaling 34
    2. Er is sprake van vertegenwoordiging wanneer een persoon, de vertegenwoordiger, krachtens een vertegenwoordigingsbevoegdheid een rechtshandeling verricht met een derde voor rekening van een andere persoon, de vertegenwoordigde of principaal. 34
    3. De rechtsgevolgen uit de rechtshandeling worden toegerekend aan een andere persoon, de vertegenwoordigde of principaal, en niet aan de handelende persoon, de vertegenwoordiger. 34
    4. Zowel het aanbod als de aanvaarding kunnen door een vertegenwoordiger worden uitgebracht. 34
    5. A. Voorwaarden 34
    6. De vertegenwoordiger moet over een vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikken. Deze kan verleend worden krachtens de wet, een rechterlijke beslissing of een overeenkomst. 34
    7. Daarnaast moet de vertegenwoordiger niet voor eigen rekening optreden, maar voor rekening van de vertegenwoordigde. 34
    8. Indien een vertegenwoordiger optreedt zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid, of na beëindiging ervan of buiten de grenzen van zijn bevoegdheid kunnen de gevolgen van vertegenwoordiging (de toerekening aan de vertegenwoordiger) niet intreden. 34
    9. Hierop zijn drie uitzonderingen: 34
    10. Wanneer de vertegenwoordigde de rechtshandeling achteraf bekrachtigt 34
    11. Wanneer de leer inzake schijnvertegenwoordiging toepassing vindt 34
    12. Wanneer de voorwaarden van zaakwaarneming of ongerechtvaardigde verrijking vervuld zijn. 35
    13. B. Soorten en gevolgen 35
    14. C. De leer van schijnvertegenwoordiging 35
    15. Er is sprake van schijnvertegenwoordiging wanneer een persoon zich tegenover een derde aan wie hij een aanbod doet of een aanvaarding afgeeft, als andermans vertegenwoordiger voordoet, ondanks dat hij daar geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor heeft. Hier zal geen toerekening gebeuren aan de schijnvertegenwoordigde. 35
    16. De schijnvertegenwoordiging vindt zijn grondslag in de vertrouwensleer én het beginsel van de goeder trouw. 35
    17. Toerekening aan de schijnvertegenwoordigde zal onder vier voorwaarden toch intreden: 35
  21. 21 1. De nietigheidsleer 36
    1. A. De aard van de nietigheid 36
    2. D. Modulering van de radicale nietigheidssanctie: algemeen 36
    3. E. Moduleringstechnieken 37
  22. 22 12. De precontractuele aansprakelijkheid 37
    1. A. Begrip 37
    2. Precontractuele aansprakelijkheid sensu stricto: 37
    3. Het contract komt niet tot stand. De onderhandelingen worden foutief afgebroken; een partij had de legitieme verwachting bij de wederpartij opgewekt op contractsluiting en heeft deze verwachting (opzettelijk of uit nalatigheid) beschaamd. 37
    4. Precontractuele aansprakelijkheid sensu lato: 37
    5. De overeenkomst komt tot stand maar er zijn precontractuele fouten begaan, bv. een tekortkoming aan de precontractuele informatieplicht. 37
    6. In beide gevallen speelt de schadeplichtigheid een complementaire rol naast de nietigverklaring van het contract. 37
    7. Al deze gevallen vormen een toepassing van de leer van de precontractuele aansprakelijkheid die een culpa in contrahendo veronderstelt; een fout in het contracteren of niet contracteren. Deze leer steunt op art. 1382 – 1383 BW inzake de buitencontractuele aansprakelijkheid of onrechtmatige daad. 37
    8. B. Drie voorwaarden 37
    9. Er zal slechts sprake zijn van precontractuele aansprakelijkheid indien de drie voorwaarden cumulatief zijn vervuld: 37
    10. Fout 37
    11. Schade 37
    12. Oorzakelijk verband 37
    13. Het gedrag van de onderhandelaar zal vergeleken worden met dat van een normaal voorzichtig en vooruitziend persoon, in dezelfde omstandigheden geplaatst. 37
  23. 23 1. Nakoming en niet-nakoming: Tot wat is een schuldenaar gehouden? 38
    1. C. Uitgangspunten 38
    2. Contractuele aansprakelijkheid is enkel aan de orde indien: 38
    3. Er sprake is van een geldig gesloten contract; 38
    4. Er niet-nakoming is door één of beide partijen; 38
    5. Tijdens de uitvoeringsfase. 38
    6. D. Verschillende vormen (of combinaties) 38
    7. Er zijn verschillende vormen van niet-nakoming: 38
    8. Volledige niet-uitvoering 38
    9. Onvolledige uitvoering 38
    10. Gebrekkige uitvoering 38
    11. Laattijdige uitvoering 38
    12. E. Synoniemen voor toerekenbare niet-nakoming door SA 38
    13. Wanprestatie 38
    14. Toerekenbare tekortkoming 38
    15. Toerekenbare niet-nakoming 38
    16. Contractbreuk 38
    17. Bij een wanprestatie zal de schuldenaar contractueel aansprakelijk zijn. Enkel bij de toerekenbare niet-nakoming zal de schuldenaar contractueel aansprakelijk zijn. 38
  24. 24 13. De toerekenbare niet-nakoming 38
    1. De SA is aansprakelijk voor … 38
    2. Persoonlijke (toerekenbare) fouten 38
    3. (Toerekenbare) fouten van personen waarvoor hij instaat (hulppersonen) 38
    4. Zaken die de SA (of diens hulppersoon) gebruikt bij de uitvoering 38
    5. Als de SA contractueel aansprakelijk is … 38
    6. Over welke actiemogelijkheden (remedies of sancties) beschikt de SE? 38
    7. Over welke verweermiddelen (excepties) beschikt de SA? 38
    8. A. De persoonlijke toerekenbare tekortkoming en de contractuele aansprakelijkheid van de schuldenaar 38
    9. Het criterium dat men toepast om te kijken of een SA een fout heeft begaan, is het criterium van een redelijk en voorzichtig persoon. 38
    10. Vroeger sprak men van het achterhaalde begrip ‘bonus pater familias’ of goede huisvader. 38
    11. Men vergelijkt de fout van SA met wat een voorzichtig en redelijk persoon; een normaal vooruitziend en zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst zou hebben gedaan. 39
    12. Het vertrekt van een abstract criterium, maar geconcretiseerd met externe omstandigheden. De externe omstandigheden kunnen zaken zijn zoals het opleidingsniveau of professionele ervaring van de schuldenaar. 39
    13. Bij een resultaatsverbintenis ligt de fout voor wanneer het resultaat uitblijft of indien niet de nodige inspanningen geleverd werden bij een inspanningsverbintenis. 39
    14. De fout kan lichtste, lichte, zware of opzettelijke fout zijn. 39
    15. A. Personen waarvoor de schuldenaar instaat – Toerekenbare fout van hulppersonen 39
    16. Een SA mag voor de uitvoering van het contract beroep tot op hulppersonen, maar is contractueel aansprakelijk jegens SE voor de fouten van hulppersonen. 39
    17. (Uitz.: bij “intuitu personae”-contracten mag er geen beroep worden gedaan op een hulppersoon.) 39
    18. Een vraag die we ons hierbij kunnen stellen is of we de hulppersoon op basis van de buitencontractuele aansprakelijkheid of onrechtmatige daad op basis van art. 1382 BW niet aansprakelijk kunnen stellen. 39
    19. Een hulppersoon is een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die door de schuldenaar van een contractuele verbintenis belast wordt met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de verbintenis, ongeacht of hij deze verbintenis uitvoert voor eigen rekening en in eigen naam, dan wel voor rekening en in naam van de schuldenaar. 39
    20. Een hulppersoon is een aangestelde (bv. werknemer) of een zelfstandige uitvoeringsagent (bv. onderaannemer of orgaan). 39
    21. B. Zaken waarvoor de schuldenaar instaat gebruikt bij de uitvoering 39
    22. SA is contractueel aansprakelijk jegens SE voor … 39
    23. Het gebruik van een gebrekkige zaak (door SA of diens hulppersoon) 39
    24. Het foutief gebruik van de zaak (door SA of diens hulppersoon) 39
    25. De verklaring hiervoor staat nog niet in het BW, maar de RS en RL aanvaarden gemakkelijk een fout en hebben een principe uitgetekend: 39
    26. In de keuze van de zaak 39
    27. In het onderhoud van de zaak 39
    28. In het toezicht op de zaak 39
    29. Aan de veiligheidsverplichting van de SA (via de verplichting van de goede trouw). 39
    30. C. De remedies van de schuldeiser en de verweermiddelen van de schuldenaar 40
  25. 25 14. De niet-toerekenbare niet-nakoming 40
    1. A. Vreemde oorzaak of overmacht 40
    2. B. Imprevisieleer 41
  26. 26 15. De contractuele afwijkingen op de contractuele aansprakelijkheid (OG4) 42
    1. A. Aansprakelijkheidsregelingen in het algemeen 42
    2. In de meeste contracten vindt men sancties terug onder de vorm van schadebedingen, uitdrukkelijk ontbindende bedingen, vervangingsbedingen, imprevisiebedingen, … Deze lijst kent geen grenzen. Men spreekt dan ook van de verregaande contractualisering van sancties bij wanprestatie. 42
    3. Het gemeen recht inzake contractuele aansprakelijkheid is van suppletieve aard. Partijen kunnen vrij afwijkende regelingen overeenkomen, zolang zij de regels van openbare orde en dwingend recht respecteren. 42
    4. Kruithof onderscheidt de bedingen die het principe van de aansprakelijkheid zelf aangaan (de uitbreidingsbedingen en de exoneratiebedingen) en de bedingen die de gevolgen van aansprakelijkheid en omvang van de schade regelen (schadebedingen). Hij selecteerde als belangrijkste bedingen: 42
    5. Exoneratiebedingen 42
    6. Boetebedingen 42
    7. Uitdrukkelijk ontbindende bedingen 42
    8. Vrijwaringsbedingen 42
    9. Ook andere clausules zoals overmachts- of imprevisiebedingen, ingebrekestellingbedingen, opschortingsbedingen bij niet-uitvoering en waarborgbedingen komen in de praktijk vaak voor. 43
    10. We buigen ons over de bedingen waarmee een contractant zijn rechten in de uitvoeringsfase van de overeenkomst tracht te handhaven. Hij kan dit realiseren aan twee soorten bedingen: 43
    11. SE handhaaft zijn rechten door middel van clausules die de sanctionering regelen van een toerekenbare contractuele tekortkoming door SA, door bv. uitdrukkelijk ontbindende bedingen, opschortingsclausules, bedingen aangaande de uitvoering in natura, vervangingsbedingen, ingebrekestellingsbedingen, schadebedingen, … 43
    12. SE zal ook, in wederkerige contracten waar hij ook SA is, bedingen stipuleren die het in werking stelling van bepaalde sancties jegens hem beletten of bemoeilijken. Hij beschermt hierdoor zijn eigen aansprakelijkheid door al toekomstige verweermiddelen in te stellen, door bv. exoneratiebedingen, overmachtsbedingen en imprevisiebedingen. 43
    13. Door de contractualisering van sancties bij wanprestatie komt een hoofdrol toe aan de contractspartijen zelf. Zij werken het regime van aansprakelijkheid in grote mate zelf uit. De rechter zal bij betwisting door SE van de sanctie een rechterlijke toetsing van contractuele sancties kunnen uitvoeren. 43
    14. A. Bevrijdings- of exoneratiebedingen 43
  27. 27 1. De voorafgaandelijke ingebrekestelling: een algemeen rechtsbeginsel 46
    1. Een ingebrekestelling is steeds vereist vooraleer een schuldeiser zijn rechten tegenover zijn schuldenaar kan laten gelden. Hij moet SA duidelijk en ondubbelzinnig tot nakoming van zijn verbintenis aanmanen. 46
    2. Het Hof van Cassatie laat zien in een arrest van 9 april 1976 dat de voorafgaande ingebrekestelling een algemeen rechtsbeginsel is. 46
    3. De ingebrekestelling is een voorafgaande vereiste met een algemene draagwijdte. Het geldt bij het instellen van alle soorten sancties bij niet-nakoming van contractuele verbintenissen. 46
    4. Ze is vereist bij: 46
    5. Gerechtelijke sancties, zoals de gedwongen uitvoering in natura of uitvoering bij equivalent, alsook bij een vordering tot ontbinding van de overeenkomst op grond van art. 1184 BW. 46
    6. Het inroepen van contractuele clausules die voorzien in een sanctie bij wanprestatie, zoals bij de toepassing van een schadebeding of van een uitdrukkelijk ontbindend beding (bv. art. 1656 BW). 46
    7. Bij het toepassen van eenzijdige sancties, zoals de buitengerechtelijke ontbinding en de buitengerechtelijke vervanging. 46
    8. Er zijn enkele uitzonderingen op het algemeen rechtsbeginsel van voorafgaande ingebrekestelling: 46
    9. Bijzondere wettelijke bepalingen die SE van die verplichting ontslaan 46
    10. Partijen kunnen zelf een voldoende precies opgestelde clausule opnemen die SE van die verplichting ontslaan (art. 1139 BW). Wordt wél restrictief geïnterpreteerd door de rechter. 46
    11. De gevallen waarbij een ingebrekestelling nutteloos zou zijn omdat ze haar doel, de uitvoering door SA, zou missen. Bv. wanneer SA zijn verbintenis om iets niet te doen heeft geschonden (art. 1145 BW) of wanneer SA zich verbonden heeft iets te geven of te doen, niet kon gegeven worden binnen een bepaalde tijd en hij die nuttige uitvoeringstermijn heeft laten voorbijgaan (art. 1146 BW. 46
    12. Het Hof van Cassatie heeft hieruit een algemene regel afgeleid dat geen ingebrekestelling nodig is als uit het voorwerp, de aard, de bedoeling van partijen of feitelijke omstandigheden blijkt dat de uitvoering van de verbintenis materieel onmogelijk is geworden of voor SE geen nut meer oplevert. 46
    13. In een arrest van 24 maart 1972 was het Hof van Cassatie van oordeel dat wanneer het vertrouwen tussen de partijen verloren was, dat er een “onherstelbare toestand was ontstaan die het nut en de rechtvaardiging van een ingebrekestelling tenietdeed”. 47
    14. In een arrest van 17 januari 1992 zegt het HvC ook nog dat een ingebrekestelling niet meer vereist is als SA, met een aangetekende brief, zijn SE laat weten dat hij zijn contractuele verbintenis niet meer nakomt. 47
  28. 28 16. Vorm en inhoud 47
    1. Ondanks dat art. 1139 BW een formalisme vereist voor de vorm van de ingebrekestelling, oordeelt het Hof van Cassatie in een mijlpaalarrest van 28 maart 1994 dat in burgerlijke zaken “een met aanmaning gelijkgestelde akte” neerkomt op “elke akte die een sommatie bevat waaruit de SA noodzakelijk heeft moeten opmaken dat hij in gebreke werd gesteld zijn verbintenis na te komen”. Voor een geldige ingebrekestelling is de vorm dus ondergeschikt aan de inhoud. De rechtsleer stelt wel dat hoe minder plechtig de vorm van de akte is, des te strenger de inhoud wordt beoordeeld. 47
    2. De inhoud van een ingebrekestelling moet, volgens het Hof van Cassatie, niet meer bevatten dan de duidelijke en ondubbelzinnige uitdrukking van de wil van SE om de hoofdverbintenis te zien uitgevoerd worden. SE moet enkel op dwingende wijze aan zijn schuldenaar in ondubbelzinnige bewoordingen duidelijk maken dat hij de nakoming eist. 47
    3. Voor sancties als schadebedingen, moratoire intresten en voor de vordering in schadevergoeding bij een gerechtelijke ontbinding is het niet vereist dat SE dit vermeld in de ingebrekestelling. 47
    4. Voor bepaalde gevallen, vooral bij buitengerechtelijke sancties, dient SE de sancties die hij wil toepassen wél te preciseren in de ingebrekestelling. Dit omwille van het eenzijdig karakter van deze sancties, dient er een soort van “waarschuwingsfunctie” voor SA toegepast te worden in geval van niet-uitvoering. Voor andere gevallen, zoals consumentencontracten, verplicht de wet om de sancties in de ingebrekestelling te vermelden. 47
  29. 29 17. Gevolgen 47
    1. De ingebrekestelling heeft tot gevolg dat: 47
    2. SA bij vertraging in de uitvoering van zijn verbintenis een moratoire schadevergoeding (art. 1146 BW) verschuldigd is vanaf de ingebrekestelling of, bij verbintenissen tot betaling van een geldsom, moratoire intresten (art. 1153 BW). 47
    3. Het risico van verlies van een reeds verkochte maar nog niet geleverde species-zaak overgaat van de SE naar de, wegens laattijdige levering, SA (art. 1138, lid 2 BW). Zelfs indien SA in gebreke gesteld is, blijft het risico bij SE indien SA kan aantonen dat de zaak eveneens teniet zou zijn gegaan indien ze reeds was geleverd (art. 1302, lid 2 BW). 47
    4. De schuldeiser heeft een keuzerecht bij de wanprestatie van de schuldenaar tussen de uitvoering en de ontbinding: 47
    5. Uitvoering: men vraagt dat gedaan wordt wat beloofd is 47
    6. Uitvoering in natura: Exact bekomen wat men heeft afgesproken (+ een bijkomende schadevergoeding wanneer de uitvoering te laat gebeurt). 48
    7.  Door de schuldenaar of in sommige gevallen door een derde 48
    8. Uitvoering bij equivalent: Een vervangende schadevergoeding eisen, zoveel als mogelijk de SE in de situatie proberen te brengen indien de overeenkomst zou zijn nagekomen. 48
    9. Men gaat eerst uitvoering in natura proberen te bekomen, maar indien dit rechtsmisbruik zou uitmaken zal subsidiair de uitvoering bij equivalent bekomen worden. 48
  30. 30 1. De uitvoering in natura 48
    1. A. Definities en voorrangsregel 48
    2. B. Uitvoering in natura door schuldenaar 48
    3. C. Uitvoering in natura door een derde 48
  31. 31 18. De uitvoering bij equivalent (of de vervangende schadevergoeding) 49
    1. A. Principe en omvang 49
    2. B. Schadevergoeding bij de laattijdige betaling van geldsommen 50
    3. Wanneer de verbintenis bestaat in de betaling van een geldsom, is bij laattijdige betaling enkel uitvoering in natura mogelijk. 50
    4. Wanneer de geldsom te laat betaald werd, heeft de schuldeiser recht op een aanvullende schadevergoeding die bestaat uit wettelijke interesten (art. 1153, lid 1 BW). 50
    5. Ook hier is een schadebeding mogelijk (art. 1153, lid 4 BW). 50
    6. Anatocisme (interesten op interesten) mag volgens art. 1154 BW enkel jaarlijks gebeuren. De schuldeiser moet de schuldenaar hierover verwittigen via een aanmaning of een gerechtelijk bevel. 50
  32. 32 19. De schadebedingen 50
    1. A. Begrip en functie 50
    2. “Een strafbeding (schadebeding) is een beding waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van de overeenkomst verbindt tot betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade die kan worden geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst.” – Art. 1226 BW 50
    3. A. Kwalificatie 50
    4. Een schadebeding moet onderscheiden worden van een opzegbeding. Een contract opzeggen is géén wanprestatie. 51
    5. Opzeggen kan enkel bij een contract van onbepaalde duur, waarbij er soms een opzegtermijn of opzegvergoeding moet gerespecteerd worden. 51
    6. In contracten van bepaalde duur, kan er niet opgezegd worden. Maar, deze regels zijn van aanvullend recht. De partijen kunnen een opzegbeding in het contract opnemen wat het recht geeft om het contract op te zeggen. De opzegvergoeding die verschuldigd is kan dat forfaitair begroot worden. Dit lijkt op een schadebeding, maar het grote verschil is dat een schadebeding verband houdt met een contractuele wanprestatie terwijl een opzegbeding losstaat van een contractuele wanprestatie en een opzegvergoeding (én geen schadevergoeding) inhoudt. 51
    7. Opzegbedingen zijn geldig in de regel. De controle op opzegbedingen door de rechter is de nietigheid bij onrechtmatige speculatie via art. 2 BW én via de controle op rechtsmisbruik. 51
    8. B. Geoorloofdheid en matiging van overdreven strafbedingen 51
    9. De Wet Betalingsachterstand bij Handelstransacties werd opgesteld om de kmo’s te beschermen tegen de grote multinationals. 51
    10. C. Controle op rechtsmisbruik 52
    11. Een geldig schadebeding kan getoetst worden op grond van rechtsmisbruik. Hiervoor moeten de algemene en bijzondere criteria van rechtsmisbruik worden toegepast. Het moet beoordeeld worden op het ogenblik waarop het (geldig) recht wordt uitgeoefend. Indien er sprake is van rechtsmisbruik, kan de rechter sanctioneren met zijn rechterlijke matigingsbevoegdheid het schadebeding matigen tot normaal gebruik en eventueel tot nul. 52
  33. 33 1. Het keuzerecht 52
    1. A. Het keuzerecht tussen uitvoering en ontbinding 52
    2. In een wederkerig contract kan de benadeelde schuldeiser krachtens art. 1184, lid 2 BW kiezen tussen de gedwongen uitvoering van het contract of de gerechtelijke ontbinding mogelijks met een bijkomende schadevergoeding. Hij kan dus kiezen tussen de instandhouding of beëindiging van het contract. 52
    3. Dit keuzerecht komt uitsluitend toe aan de schuldeiser. De rechter noch de schuldenaar hebben dit keuzerecht. 53
    4. D. Misbruik van keuzerecht 53
    5. Indien de schuldeiser zijn keuzerecht misbruikt en zich schuldig maakt aan rechtsmisbruik, dan wordt dit onderworpen aan de behoorlijkheidstoetsing. De schuldeiser zou art. 1134, lid 3 BW schenden indien zijn keuze rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter mag de keuze dan matigen en mag de abusievelijke keus wijzigen en ombuigen naar de alternatieve optie. 53
    6. E. Cumulverbod en wijziging van keuze 53
    7. De schuldeiser heeft het recht maar ook de verplichting om een keuze te maken. Er geldt een volledig cumulverbod tussen de uitvoering en die van de ontbinding. SE kan niet beiden kiezen en is dus verplicht één optie te kiezen. 53
    8. De schuldeiser heeft het optierecht om zijn keuze te wijzigen tot de rechterlijke uitspraak. Indien SE uitwerking heeft gegeven aan een uitdrukkelijk ontbindend beding, dan kan hij hier later niet op terug komen. De ontbindingsbeslissing is definitief en onherroepelijk van zodra de tegenpartij hiervan kennis heeft genomen (of kennis van heeft kunnen nemen). 53
  34. 34 20. De ontbinding van de overeenkomst 53
    1. A. Drie ontbindingsregimes en kenmerken ontbinding 53
    2. B. De gerechtelijke ontbinding 54
    3. C. De buitengerechtelijke ontbinding krachtens een uitdrukkelijk ontbindend beding 55
    4. Uitdrukkelijk ontbindend bedingen hebben tot doel de positie van de schuldeiser in een contract te versterken. Het is een clausule waarmee partijen de gerechtelijke ontbinding van art. 1184 BW als sanctie bij wanprestatie, toepasselijk verklaren of wijzigen. 55
    5. Doorgaans beogen partijen met een uitdrukkelijk ontbindend beding afwijking van het “wettelijk regime” en beogen zij een buitengerechtelijke ontbinding; zij willen bij wanprestatie ontsnappen aan de verplichte, voorafgaande tussenkomst van de rechter. 55
    6. Krachtens het beding zal het slachtoffer van de wanprestatie eigenmachtig kunnen beslissen over de ontbinding van de overeenkomst. 55
    7. Dit is geoorloofd aangezien art. 1184 BW slechts aanvullend recht is. 55
    8. De rechter zal, bij betwisting tussen de partijen over een uitdrukkelijk ontbindend beding, zonder stil te staan bij de bewoording van het beding op zoek gaan naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen om bij wanprestatie de preventieve tussenkomst van de rechter uit te sluiten. 55
    9. Het volstaat dus dat de bedoeling van de partijen om een eenzijdige ontbindingsbevoegheid aan één van de partijen toe te kennen, ondubbelzinnig blijkt ongeacht de gekozen termen en bewoording. 55
    10. D. De buitengerechtelijke ontbinding in uitzonderlijke omstandigheden 56
    11. E. De gevolgen van de ontbinding 57
    12. De ontbinding werkt terug tot bij de contractsluiting. De partijen moeten de reeds ontvangen prestaties teruggeven. Blijkt teruggave in natura onmogelijk, dan zal teruggave bij equivalent plaatsvinden. 57
  35. 35 21. De schorsing van de overeenkomst 57
    1. A. De exceptie van niet-uitvoering 57
    2. B. Schorsing van de prestatieplicht bij tijdelijke overmacht 58
    3. De debiteur mag zijn prestatieplicht ook schorsen wanneer nakoming van zijn verbintenis(sen) tijdelijk onmogelijk is geworden ingevolge overmacht of vreemde oorzaak. Ze blijft geschorst zolang de onmogelijkheid aanhoudt. 58
  36. 36 1. Twee basisprincipes: relativiteit en tegenwerpelijkheid van contracten 59
    1. A. Schema 59
    2. B. Relativiteit en tegenwerpelijkheid: Twee basisprincipes 59
    3. Het vertrekpunt van de relativiteit is art. 1165 BW: 59
    4. Contracten kunnen alleen gevolgen hebben tussen de contractspartijen 60
    5. Contracten kunnen geen nadeel teweegbrengen aan derden. 60
    6. Dit is het beginsel van de relativiteit van een contract. 60
    7. Het beginsel van de relativiteit werd strikt toegepast. Dit is vervolgens geëvolueerd in de 20ste eeuw. Men heeft ingezien dat het beginsel van relativiteit moet gelden maar dat dit moet aangevuld worden met een tweede beginsel, omdat het bestaan van een contract niet kan ontkend worden door derden. Het bestaan van een contract kan aan derden worden tegengeworpen en een derde mag zich erop beroepen tegen een partij. Het feit dat er een contract gesloten is, moet gerespecteerd worden én kan door derden ingeroepen worden. 60
    8. Dit is het beginsel van de tegenwerpelijkheid van een contract. 60
    9. C. Boswachtersarrest 60
    10. De feiten van het Boswachtersarrest zijn als volgt: een boswachter heeft een ongeluk en laat zich verzorgen door een dokter. Het blijkt dat de boswachter insolvent is en geen geld heeft, maar de dokter wil wel zijn erelonen betaald hebben. De dokter komt erachter dat de boswachter een verzekering heeft afgesloten en stapt naar de verzekeraar om zijn erelonen betaald te krijgen. De verzekeraar zegt echter dat in het verzekeringscontract de dekking voor medische kosten niet zijn opgenomen. 60
    11. De lagere rechters veroordelen de verzekeraar toch tot betaling van de erelonen. Dit betekent dat de rechter aan de arts toelaat als derde beroep te doen op dat contract en betaling te eisen maar weigert anderzijds aan de verzekeraar de clausule in te roepen dat geen dekking biedt bij medische kosten. 60
    12. Het vonnis van de lagere rechters werd verbroken door een arrest van het Hof van Cassatie omdat er een tegenstrijdigheid was. Niettemin, is dit de eerste situatie waarin een derde beroept probeert te doen op een contract en waar de rechter daar ook in meegaat en dit ook aanvaardt. 60
    13. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de erkenning van de tegenwerpelijkheid van het contract. 60
  37. 37 22. Interne en externe gevolgen van een contract 60
    1. A. De relativiteit van de interne gevolgen 60
    2. A. De tegenwerpelijkheid van de externe gevolgen 61
    3. De externe gevolgen van een contract, betreft het bestaan van het contract als sociaal gegeven. Het feit dat een contract is afgesloten, kan niet ontkend worden en zal gevolgen hebben. 61
    4. In de regel geldt het beginsel van de tegenwerpelijkheid, wat wil zeggen dat: 61
    5. Een derde moet zich het bestaan van het contract laten tegenwerpen of moet het contract respecteren 61
    6. Een derde kan zich op het bestaan van het contract beroepen 61
    7. Of met andere woorden: er is wél derdenwerking van de externe gevolgen. 61
    8. De uitzonderingen zijn, waarop het contract niet tegenwerpelijk zal zijn tegenover derden: 61
    9. Veinzing 61
    10. Pauliaanse vordering of de “actio pauliana” 61
  38. 38 23. Partijen en derden 61
    1. A. Wie geen partij is, is derde 61
    2. Het uitgangspunt is dat al wie geen partij is, derde is. De basis hiervan is art. 1122 BW. 61
    3. Er zijn verschillende categorieën van partijen: 61
    4. De partijen aan het contract (contractanten én toetreders) 61
    5. De gelijkgestelden met contractanten: de algemene rechtsopvolgers 61
    6. De bijzondere positie van de bijzondere rechtsopvolger 61
    7. A. Wie is partij? 61
    8. B. Wie is derde? 63
    9. In het Burgerlijk Wetboek staat geen definitie van wie partij of derde is. Er kan enkel gedefinieerd worden wie partij is. Iedereen die geen partij is, is derde. 63
  39. 39 1. Voorwaarden voor derden-werking 63
    1. De tegenstelbaarheid aan derden van een contract zal, van rechtswege gelden onder volgende voorwaarden: 63
    2. Er bestaat een geldige overeenkomst tussen partijen. Derden kunnen zich beroepen op dat bestaan als feit beroepen, maar ook op de gevolgen die voor partijen uit het contract voortvloeien evenals op de nakoming of de niet-nakoming en de beëindiging ervan. 63
    3. Derden moet het bestaan van het contract bewijzen volgens de regels van het bewijsrecht en mag hiervoor gebruik maken met alle rechtens toelaatbare middelen. Als één van de contractanten een contract wil tegenwerpen aan een derde, dan is hij onderworpen aan de strenge, burgerrechtelijke bewijsregels voor rechtshandelingen (vb. art. 1341 BW) 63
    4. Indien er bijkomende wettelijke formaliteiten gelden voor de tegenstelbaarheid van de akte, dan moeten deze worden nageleefd. 63
    5. In de regel moet geen voorgaande en effectieve kennisname van het contract hebben opdat het tegenwerpelijk is aan hem, behalve wanneer de tegenwerpelijkheid van het bestaan van een contract gebonden is aan de vervulling van wettelijke formaliteiten. Dit zijn vaak publiciteitsmaatregelen: 63
    6. Art. 1 Hypotheekwet: Contracten zijn pas tegenwerpelijk aan derden nadat de akte tot overdracht is overgeschreven op het register van het kantoor van bewaring der hypotheken. Vanaf deze overschrijving is het tegenwerpelijk aan derden, ook al is er geen effectieve kennisname. Indien bewezen wordt dat een derde voor de overschrijven de overeenkomst kende, dan is die overeenkomst toch aan hem tegenwerpelijk. 63
    7. Alle vennootschapsakten waarvan de openbaarmaking verplicht is, zijn pas tegenwerpelijk aan derden nadat ze gepubliceerd zij in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. 63
    8. De overdracht van schuldvordering is van rechtswege tegenstelbaar aan alle derden, met uitsluiting van de schuldenaar van de overgedragen schuldvordering (art. 1690, lid 1 BW). 63
    9. Is een wettelijke formaliteit niet nageleefd, dan zal een contractspartij het contract niet mogen tegenwerpen aan een derde. 64
    10. Is die derde niet te goeder trouw en kent hij het bestaan van het contract, ondanks het uitblijven van de publiciteitsmaatregel, dan kan het contract toch worden tegengeworpen. 64
    11. De derde zelf heeft steeds het recht om zich op dat contract te beroepen. 64
  40. 40 24. Draagwijdte van de derden-afwerking 64
    1. A. Algemeen 64
  41. 41 25. Derde-medeplichtigheid aan contractbreuk 64
    1. A. Grondslag van de theorie 64
    2. Derde-medeplichtigheid bepaalt de draagwijdte van het beginsel van de tegenstelbaarheid van contracten, maar geeft ook de grenzen aan van het beginsel van de contractvrijheid. 64
    3. Indien een derde contractuele rechten miskent, dan is hij buitencontractueel aansprakelijk op grond van art. 1382 BW. 64
    4. De basishypothese voor derde-medeplichtigheid is als volgt: 64
    5. A en B zijn contractueel gebonden; 64
    6. C (derde) sluit een overeenkomst met B, die hierdoor zijn verbintenissen jegens A schendt en hiervoor contractueel aansprakelijk is tegenover A; 64
    7. Men zou kunnen verwijten aan C dat hij een buitencontractuele fout beging door het contract tussen A en B te hebben miskend; 64
    8. A zal een contractuele vordering kunnen uitoefenen tegen B en zal jegens C geen contractuele vordering kunnen instellen, maar wel een buitencontractuele vordering op voorwaarde dat A erin slaagt een onrechtmatige daad of buitencontractuele fout te bewijzen in hoofde van C. 64
    9. A. De fout van de derde 64
    10. Er zijn drie opvattingen verdedigd over het foutcriterium van een derde: 64
    11. Het Hof van Cassatie koos eerst voor de eerste opvatting, maar heeft uiteindelijk gekozen voor de tweede opvatting in een mijlpaalarrest van 22 april 1983. 65
    12. Het “desbewust deelnemen aan andermans contractbreuk” veronderstelt een tweevoudige kennis van zaken: de derde moet kennis hebben van de bestaande contractuele relaties tussen A en B én hij moet met kennis van zaken deelnemen aan de schending daarvan. 65
    13. B. Toepassingsvoorwaarden 65
    14. Het slachtoffer van de derde-medeplichtigheid zal de fout van de derde moeten bewijzen en de schade en oorzakelijk verband tussen beiden. 65
    15. De volgende cumulatieve voorwaarden moeten vervuld zijn om een fout in hoofde van de derde te bewijzen: 65
    16. Geldige contractuele verbintenis van B tegenover A 65
    17. Contractbreuk van B 65
    18. Derde kende de contractuele verbintenis tussen A en B of behoorde deze te kennen 65
    19. Derde heeft desbewust aan de contractbreuk deelgenomen, met kennis van zaken betreffende het contract en de tekortkoming daaraan. 65
    20. Schadeherstel kan hetzij in natura, hetzij bij equivalent. Het slachtoffer kan de schadevergoeding vorderen lastens zowel zijn medecontractant als derde, respectievelijk van contractuele en buitencontractuele aard. 65
  42. 42 26. Uitzondering: de “actio pauliana” 65
    1. A. Begrip, gevolgen en grondslag 65
    2. B. Toepassingsvoorwaarden 66
    3. Voor het slagen van de pauliaanse vordering, gelden de volgende cumulatieve voorwaarden: 66
  43. 43 27. Uitzondering: veinzing of simulatie 66
    1. A. Begrip 66
    2. Veinzing is voorhanden wanneer partijen samen bewust naar buiten toe de schijn wekken een bepaalde overeenkomst (of andere rechtshandeling) te hebben gesloten, terwijl zij in het geheim, door middel van een tegenbrief, anders overeenkomen. 66
    3. De partijen sluiten twee overeenkomsten: 66
    4. De schijnovereenkomst of openlijke overeenkomst 66
    5. De verborgen overeenkomst of tegenbrief die beantwoordt aan hun werkelijke wil 66
    6. Er is dus een bewust georganiseerde discrepantie tussen hun verklaarde wil én werkelijke wil. 67
    7. A. Vormen 67
    8. Veinzing kan drie vormen aannemen: 67
    9. Fictieve rechtshandeling: Partijen laten blijken dat ze een overeenkomst hebben afgesloten, maar komen in de tegenbrief overeen geen overeenkomst te sluiten. 67
    10. Vermomde rechtshandeling: Partijen laten blijken een bepaalde overeenkomst te sluiten, maar wijzigen in een tegenbrief de aard van de overeenkomst (gehele vermomming) of één of meerdere voorwaarden (gedeeltelijke vermomming). 67
    11. Veinzing via een tussenpersoon: Partijen laten blijken dat tussen hen een overeenkomst wordt gesloten, maar bepalen in een tegenbrief dat een andere persoon als werkelijke contractspartij wordt aangeduid. 67
    12. B. Gevolgen 67
    13. Volgens art. 1321 BW hebben tegenbrieven enkel werking tussen de contractspartijen en zijn zij niet tegenwerpelijk jegens derden. 67
    14. Tussen partijen geldt de verborgen overeenkomst. 67
    15. Jegens derden geldt enkel de schijnovereenkomst. Derden mogen echter kiezen om zich te beroep op de openlijke of de verborgen overeenkomst. Hij zal een vordering tot een geveinsdverklaring moeten instellen om de schijnovereenkomst uit te sluiten. Hij ziet dan af van de bescherming die de niet-tegenstelbaarheid van de tegenbrief hem biedt. 67
    16. Derden mogen ook voortgaan op de situatie die voortvloeit uit de openlijke of schijnovereenkomst. Hij mag de voorgewende schijn voor werkelijkheid houden. Hiervoor is het vereist dat derde te goeder trouw is en dat hij op de verwerkte schijn is voortgegaan. 67
  44. 44 1. Geen derden-binding 67
    1. A. Verbod op derden-binding 67
    2. Uit een overeenkomst tussen anderen gesloten, kunnen geen verbintenissen of plichten voortvloeien voor derden. Contractspartijen kunnen derden nooit aanspreken in nakoming van een van de contractuele verbintenissen. 67
    3. De regel van de relativiteit van de overeenkomst is absoluut wanneer het gaat over plichten of de “passieve bedingen” uit een overeenkomst. Er bestaan op deze regel geen uitzonderingen. 67
    4. Men kan wel onrechtstreeks tot een vergelijkbaar resultaat bekomen, waarbij men lasten op een derde probeert te leggen, via: 67
    5. Sterkmaking 67
    6. Kettingbeding 68
    7. Contracttoetreding 68
    8. C. Onrechtstreekse vormen van derden-binding 68
  45. 45 28. Derden-begunstiging 69
    1. Uit art. 1165 BW kan afgeleid worden dat wettelijke gevallen van derden-begunstiging (rechten!) aanvaard kunnen worden, terwijl derden-binding (plichten!) verboden is. Het is mogelijk dat een derde, in wettelijk erkende gevallen, een recht put uit een contract dat buiten hem om werd gesloten: 69
    2. Het beding ten behoeve van derden (art. 1121 en 1165 BW) 69
    3. De rechtstreekse vordering 69
    4. A. Het beding ten behoeve van een derde 69
    5. B. De rechtstreekse vordering 70
    6. A. Probleemstelling 71
    7. Dienen partijen bij het nakomen van hun overeenkomst ook rekening te houden met de aanwezigheid van bepaalde derden, die in nauwe contactuele relatie staan tot één van de contractanten? Hebben de partijen dan een verhoogde aansprakelijkheid op grond van art. 1382 BW tegenover deze “nauw betrokken derden”, als gevolg van de doorwerking van de contractverhouding in het voordeel van deze derden? 71
    8. C. Oplossingen 71
    9. De benadeelde betrokken derde kan zich: 71
    10. Beroepen op een derdenbeding. 71
    11. Beroepen op de buitencontractuele aansprakelijkheid van art. 1382 BW. 71
    12. Beroepen op de regels inzake de delictuele aansprakelijkheid. 71
  46. 46 1. Begripsbepaling 72
    1. D. Herhaling: Bronnen van verbintenissen 72
  47. 47 1. Herhaling: bronnen van verbintenissen 72
    1. De bronnen van verbintenissen zijn dus: 72
    2. E. De verbintenis uit eenzijdige rechtshandeling 72
    3. Bij eenzijdige rechtshandeling gaat de wilsuiting uit van slechts één persoon. 72
    4. De rechtsgevolgen die voortvloeien door de eenzijdige rechtshandeling, treden in door de eenzijdige wilsuiting van één persoon. 72
    5. De eenzijdige rechtshandeling moet gericht zijn op het doen ontstaan van een verbintenis in hoofde van de handelende persoon. 72
    6. De verbintenis uit eenzijdige rechtshandeling is erkend als autonome bron van verbintenissen door het Hof van Cassatie. 72
  48. 48 Herhaling: bronnen van verbintenissen 73
    1. De bronnen van verbintenissen zijn dus: 73
  49. 49 1. Inzicht om andermans belang te behartigen 73
  50. 50 2. Vrijwillige tussenkomst 73
  51. 51 3. Nuttige tussenkomst 73
  52. 52 4. Geen verzet van de meester van de zaak 73
  53. 53 5. Geen vrijgevigheid van de zaakwaarnemer 73
  54. 54 1. Verplichtingen van de zaakwaarnemer 73
  55. 55 2. Verplichtingen van de meester van de zaak 73
  56. 56 1. Betaling 74
  57. 57 2. Onverschuldigd karakter van de betaling 74
    1. A. Objectief onverschuldigde betaling: afwezigheid van schuld of oorzaak 74
    2. B. Subjectief onverschuldigde betaling 74
  58. 58 3. Geen bijkomende toepassingsvoorwaarden 74
    1. C. Dwaling van de solvens? 74
    2. D. Afwezigheid van fout van de solvens? 74
  59. 59 1. Verplichtingen van de accipiens: restitutie 74
    1. A. Restitutieverbintenis 74
    2. B. Uitzondering op restitutieverbintenis: vernietiging van titel 74
  60. 60 2. Verplichting van de solvens: terugbetaling kosten 74
  61. 61 3. Verjaring 74
  62. 62 1. Een verrijking 74
  63. 63 2. Een verarming 74
  64. 64 3. Een oorzakelijk verband tussen verrijking en verarming 74
  65. 65 4. Het ontbreken van een oorzaak 74
  66. 66 5. Subsidiair karakter 74
  67. 67 Herhaling: bronnen van verbintenissen 75
    1. De bronnen van verbintenissen zijn: 75
  68. 68 De verbintenissen uit onrechtmatige daad zijn geregeld in: 75
  69. 69 1rt. 1382 – 1386 BW (en art. 1386bis BW) 75
  70. 70 = Gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht 75
  71. 71 1. Foutaansprakelijkheid, foutloze aansprakelijkheid en andere vergoedingssystemen 75
    1. B. Foutaansprakelijkheid en foutloze aansprakelijkheid 75
  72. 72 2. Persoonlijke en kwalitatieve aansprakelijkheid 76
    1. A. Persoonlijke aansprakelijkheid 76
    2. De persoonlijke aansprakelijkheid is de aansprakelijkheid voor de eigen fout, vastgelegd in art. 1382 en 1382 BW. 76
    3. B. Kwalitatieve aansprakelijkheid 76
    4. De kwalitatieve aansprakelijkheid is de aansprakelijkheid voor daden van een… 76
    5. Andere persoon waarvoor men instaat (art. 1384, lid 2 – 4 BW; limitatieve lijst!) 77
    6. Zaak waarvoor men instaat (art. 1384 lid 1, 1385 en 1386 BW; exemplatieve lijst!) 77
  73. 73 1. Drie voorwaarden voor persoonlijke aansprakelijkheid 77
    1. De voorwaarden voor de persoonlijke aansprakelijkheid zijn: 77
    2. Er moet een fout zijn 77
    3. Er moet schade zijn 77
    4. Er moet een oorzakelijk verband tussen fout en schade zijn. 77
  74. 74 3. Twee bestanddelen van de fout 77
    1. Wat moet er bewezen worden opdat een fout is aangetoond in het kader van art. 1382 BW? 77
    2. C. Objectief bestanddeel: een onrechtmatig handelen of nalaten 77
    3. Het objectief bestanddeel is het onrechtmatig handelen of nalaten of de schending van een door het recht opgelegde gedragsnorm. 77
    4. Voor het aantonen van het objectief bestanddeel zijn er twee mogelijkheden: 77
    5. Schending van een specifieke rechtsnorm of; 77
    6. Schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm. 77
    7. D. Subjectief bestanddeel: schuldbekwaamheid en toerekenbaarheid 78
    8. Het subjectief bestanddeel houdt in dat we moeten nagaan of de dader wel schuldbekwaam is en of hij toerekenbaar is. 78
  75. 75 1. Aansprakelijkheid voor personen voor wie men instaat (OG7) 82
    1. E. Geen algemeen beginsel van aansprakelijkheid voor andermans daad 82
    2. Art. 1384, lid 1 BW bevat geen algemeen beginsel van aansprakelijkheid voor personen voor wie men instaat. Dit is bevestigd door het Hof van Cassatie. 82
    3. Een kwalitatieve aansprakelijkheid voor personen wordt slechts in drie limitatieve opgesomde gevallen van art. 1384 BW erkend: 82
    4. De aansprakelijkheid van ouders voor hun minderjarige kinderen (lid 2) 82
    5. De aansprakelijkheid van onderwijzers en ambachtslieden voor hun leerlingen en leerjongens (lid 4) 82
    6. De aansprakelijkheid van aanstellers voor hun aangestelden (lid 3). 82
    7. F. Aansprakelijkheid van ouders voor hun minderjarige kinderen 82
    8. G. Aansprakelijkheid van onderwijzers en ambachtslui voor hun leerlingen en leerjongens 84
    9. H. Aansprakelijkheid van aanstellers voor hun aangestelden 86
  76. 76 4. Aansprakelijkheid voor zaken die men onder zijn bewaring heeft (OG8) 89
    1. I. Algemene aansprakelijkheid voor zaken die men onder zijn bewaring heeft 89
    2. J. Aansprakelijkheid voor dieren 91
    3. K. Aansprakelijkheid voor gebouwen 93
  77. 77 1. Krenking van een subjectief recht of een belang 94
    1. Het slachtoffer moet niet noodzakelijk een subjectief recht kunnen laten gelden op het verloren voordeel, een belang is voldoende. 94
    2. Een subjectief recht op een verloren voordeel is een rechtskrenking. Er is sprake van rechtskrenking wanneer bijvoorbeeld iemands auto (zijn eigendom) beschadigd wordt. 94
    3. Is er sprake van belang, dan is er een krenking van een belang. Er is sprake van een krenking van belang wanneer iemand niet effectief ergens recht op heeft, maar omdat de schade hem wél aanzienlijk nadeel levert. 94
  78. 78 5. Een rechtmatig belang 94
    1. Het belang bij behoud van verloren voordeel moet rechtmatig zijn. 94
  79. 79 6. Zekere schade 94
    1. De schade moet zeker zijn, ze moet vaststaan en mag niet gesteund zijn op veronderstellingen of gissingen. Het bewijs vereist geen absolute, maar een gerechtelijke zekerheid. Dit wil zeggen dat de schade in zo’n hoge mate waarschijnlijk is dat de rechter niet meer aan het tegendeel moet denken, al zou dat theoretisch nog mogelijk zijn. 94
    2. De schade moet niet actueel zijn. Ook toekomstige schade komt in aanmerking voor vergoeding, wat de rechter zal berekenen. 95
    3. Ook het verlies van een kans om een bepaald voordeel te verwerven of verlies te voorkomen komt in aanmerking voor vergoeding, indien vaststaat dat de kans definitief verloren is. 95
    4. De rechter kan een begroting van de schade naar billijkheid voeren, indien er geen exacte wiskundige berekening mogelijk is van de schade. Dit is subsidiair aan de schadebegroting. 95
  80. 80 7. Persoonlijke schade 95
    1. De schade moet door het slachtoffer persoonlijk geleden zijn. Het moet gaan om een krenking van eigen belang. 95
    2. Ook rechtspersonen kunnen persoonlijk schade lijden, zowel materiële als morele schade. Het eigen belang van een rechtspersoon is beperkt tot wat zijn bestaan of materiële goederen en morele rechten, zijn vermogen, eer en goede naam raakt. 95
    3. Het omvat niet de belangen van zijn leden of van de collectiviteit van het nastreven van een doel. 95
    4. Zowel rechtstreekse als onrechtstreekse schade voldoen aan het vereiste van persoonlijke schade. 95
  81. 81 1. Materiële en morele schade 95
    1. A. Materiële schade 95
    2. Materiële schade omvat patrimoniale schade en lichamelijke schade: 95
    3. Patrimoniale schade is schade aan een vermogen of aan een goed. 95
    4. Lichamelijke schade is schade als gevolg van schending van iemands fysieke of psychische integriteit. 95
    5. B. Morele schade 95
    6. Morele schade omvat extrapatrimoniale schade en is de schade als gevolg van een krenking van iemands fysiek of psychisch welbehagen, zijn genegenheid en (lichamelijk of gevoelsmatig) samenzijn met geliefden. 95
    7. Ook rechtspersonen kunnen morele schade lijden, bijvoorbeeld door schending van hun goede naam. 95
  82. 82 8. Rechtstreekse en onrechtstreekse schadeloosstelling 95
    1. A. Rechtstreekse schade 95
    2. B. Onrechtstreekse schade 96
  83. 83 1. Begrip 96
  84. 84 29. Conditio sine qua non-test 97
  85. 85 30. Voorwaarden 97
  86. 86 1. Probleemstelling 98
    1. Door de equivalentieleer is het mogelijk dat een combinatie van verschillende gebeurtenissen in oorzakelijk verband staan tot de schade en dat ze allemaal een noodzakelijke voorwaarde zijn. 98
    2. Hierbij rijst de vraag of de andere noodzakelijke voorwaarden, de tussenkomende factoren, het oorzakelijk verband kunnen verbreken tussen de schade en de fout. Kan een fout haar schadeveroorzakende werking verliezen door tussenkomende factoren? 98
    3. In de volgende 6 hypothesen gaat het telkens over een situatie waar de conditio sine qua non-test meerdere oorzaken van de schade aanduidt en heeft bewezen. De schade is, naast de fout van de dader, ook te wijten aan een vreemde oorzaak. 98
    4. Buiten deze hypothesen kan het ook zijn dat de dader erin slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door zijn fout, maar uitsluitend door de vreemde oorzaak. In dat geval is de dader niet aansprakelijk. 98
  87. 87 9. Combinatie van een fout van de dader en een fout van derde(n) 98
    1. Is er een combinatie van een fout van de dader met een fout van één of meerdere derden, dan spreekt men van de samenlopende fouten. Elke afzonderlijke fout heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade. Een fout van een derde verbreekt het oorzakelijk verband tussen de fout van de dader en de schade niet. 98
    2. De dader als de derde(n) zijn in solidum aansprakelijk tot vergoeding van de gehele schade, ongeacht de ernst van zijn fout of aandeel in de schade. 98
    3. De dader die het slachtoffer heeft vergoed heeft een regres of verhaalsrecht tegen elke andere dader. De bijdrage in de schadelast die elke dader moet leveren wordt bepaald aan de hand van de causale verdeelsleutel. De rechter moet vaststellen in hoeverre ieders fout heeft bijgedragen tot het veroorzaken van de schade en op grond daarvan ieders aandeel in de schade bepalen. 98
    4. De rechter moet dus geen verdeling doen op basis van de ernst van de fouten, maar op basis van hoeveel ieders fout heeft bijgedragen tot de schade. 98
  88. 88 10. Combinatie van een fout van de dader met een eigen fout van het slachtoffer 98
    1. Wanneer de schade is veroorzaakt door de samenlopende fouten van de dader en het slachtoffer, dan is er een gedeelde aansprakelijkheid of treedt de verdeling van aansprakelijkheid in. De dader zal niet tot een gehele vergoeding van de schade veroordeeld worden, het slachtoffer moet een deel van de schade zelf dragen. 98
    2. Om de bijdrage in de schadelast te bepalen wordt opnieuw gebruik gemaakt van de causale verdeelsleutel. 99
    3. Het slachtoffer heeft een schadebeperkingsplicht, Indien het slachtoffer nalaat om de schade te beperken, kan zijn gedrag gekwalificeerd worden als een fout in de zin van de persoonlijke aansprakelijkheid van art. 1382 – 1383 BW. Hij moet zich gedragen als een redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst. De schade die niet het gevolg is van de onrechtmatige daad, maar het nalaten van het slachtoffer, blijft ten laste van het slachtoffer. 99
    4. De regel van de gedeelde aansprakelijkheid kent een uitzondering bij de combinatie van de opzettelijke fout van de dader en de niet-opzettelijke fout van het slachtoffer. De dader die een opzettelijke fout begaat, blijft geheel aansprakelijk en kan zich niet beroepen op de niet-opzettelijke fout van het slachtoffer. Hier geldt het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”; een bedrogpleger is verboden om zich op zijn bedrog te beroepen om de toepassing van een rechtsregel in zijn voordeel te krijgen. 99
  89. 89 11. Combinatie van een fout van de dader met een niet-foutieve handeling van het slachtoffer 99
  90. 90 12. Combinatie van een fout van de dader met overmacht 99
  91. 91 13. Combinatie van een fout van de dader en voortbeschiktheid van het slachtoffer 99
  92. 92 14. Combinatie van een fout van de dader en een zelfstandige juridische oorzaak 100
  93. 93 HOOFDSTUK 4: DE AANSPRAKELIJKHEIDSREGIMES (HC8) 100
  94. 94 1. De soorten aansprakelijkheid 100
  95. 95 2. De begrippen samenloop en coëxistentie 100
    1. L. Samenloop of cumul van aansprakelijkheden 100
    2. M. Coëxistentie van aansprakelijkheden 101
  96. 96 1. Samenloop van strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid 101
    1. N. Is samenloop mogelijk? 101
    2. O. Procesrechtelijke gevolgen 102
  97. 97 2. Samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid 102
    1. A. Probleemstelling 102
    2. B. Het huidige standpunt van het Hof van Cassatie 103
    3. Als antwoord op bovenstaande vraag zijn er vier opvattingen mogelijk: 103
    4. Absoluut samenloopverbod: Nooit toelaten dat er tussen contractspartijen buitencontractueel gevorderd wordt. 103
    5. Absolute samenloop: Altijd toelaten dat er tussen contractspartijen buitencontractueel gevorderd wordt en hen zelf de keuze geven. 103
    6. Relatief samenloopverbod: Als uitgangspunt is het verboden om te kiezen, maar er worden een aantal uitzonderingen toegelaten. 103
    7. Relatieve samenloop: Het is toegelaten om te kiezen, maar er zijn een aantal uitzonderingen. 103
    8. De eerste drie opvattingen (de laatste nooit) zijn gehanteerd door het Hof van Cassatie in drie periodes: 103
    9. De periode voorafgaand aan het Stuwadoorarrest van 1973 103
    10. De periode vanaf het Stuwadoorarrest van 1973 tot 2006 103
    11. De periode van Tiercé France Belge van 2006 103
    12. Het huidige standpunt van het Hof van Cassatie is het relatief samenloopverbod. 103
    13. In de regel is samenloop dus verboden en de partijen hebben géén keuze, maar er zijn enkele uitzonderingen: 103
    14. Indien de contractuele fout ook een misdrijf uitmaakt 103
    15. Indien er sprake is van een gemengde fout (zowel contractueel als buitencontractueel) én er zuiver buitencontractuele schade is. 103
    16. Het probleem bij de tweede uitzondering is dat er in de praktijk niet bepaald is hoe de contractuele verbintenissen bekeken moeten worden; beperken we ons tot alleen de contractuele verbintenissen die effectief in het contract zijn opgenomen, of op zowel dat als de aanvullende werking van de goeder trouw? Hierdoor is het moeilijk om aan te tonen wat zuiver buitencontractuele schade is. 103
  98. 98 1. Actieve coëxistentie of coëxistentie in hoofde van de eiser 104
    1. C. Probleemstelling en basisconfiguratie 104
    2. D. De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent 104
    3. E. Bijkomende verfijningen 105
    4. Voor sommige uitvoeringsagenten geldt ook art. 18 WAO wat hen een gedeeltelijke immuniteit verschaft voor de buitencontractuele aansprakelijkheid. 105
    5. Eventueel zal B een contractuele regresvordering kunnen instellen op C. 105
    6. De leer van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent geldt ook voor organen van rechtspersonen. 105
  99. 99 3. Passieve co-existentie of co-existentie in hoofde van de aangesprokene 105
    1. Bij passieve coëxistentie zijn er twee of meerdere slachtoffers en één dader. 105
    2. Als één slachtoffer een overeenkomst met de dader heeft maar het andere slachtoffer niet, dan is er geen probleem. Het slachtoffer zonder overeenkomst zal zonder problemen de dader buitencontractueel aansprakelijk kunnen stellen op grond van art. 1382 BW. Het slachtoffer kan wel als derde rechten putten uit het contract én kan hiernaar verwijzen. Hij kan de fout inkleuren door te verwijzen naar de verbintenissen in het contract. 105
  100. 100 4. Herhaling: Onderscheid tussen een orgaan en een aangestelde 105
    1. Organen zijn zelfstandige vertegenwoordigers van een rechtspersoon die zowel zelf persoonlijk aansprakelijkheid kunnen oplopen, maar zijn ook persoonlijk aansprakelijk voor de fout van de rechtspersoon op grond van art. 1382 BW en zijn verantwoordelijk voor de fout van de rechtspersoon via de leer van de orgaantheorie: 105
    2. De rechtspersoon zal enkel persoonlijk aansprakelijk zijn voor de fouten van het orgaan (schijnbaar) begaan binnen de perken van zijn bevoegdheid. 105
    3. Niet aansprakelijk bij misbruik van functie door het orgaan. 105
    4. Engere aansprakelijkheid. 105
    5. Orgaan kan zelf ook persoonlijk aansprakelijk gesteld worden, tenzij onverenigbaar met zijn functie (bv. magistraten, de rechtspersoon zal daarvoor persoonlijk aansprakelijk zijn, dus de overheid is persoonlijk aansprakelijkheid voor de rechter). 105
    6. Aangestelden zijn personen in ondergeschikt verband staan ten aanzien van hun aansteller. De aansteller is kwalitatief aansprakelijk voor zijn aangestelde op grond van art. 1384, lid 3 BW: 105
    7. De aansteller kan ook een rechtspersoon zijn. 105
    8. De aansteller zal niet alleen kwalitatief aansprakelijk zijn voor fouten van de aangestelde die (schijnbaar) zijn begaan binnen zijn opdracht maar ook voor de aansprakelijk voor die misbruik van functie door de aangestelde. 106
    9. Ruimere aansprakelijkheid. 106
    10. Aangestelde kan zelf ook persoonlijk aansprakelijk gesteld worden; maar gedeeltelijke immuniteit via art. 18 WAO en art. 2 W. 10/02/03. 106
  101. 101 1. De voorwaardelijke verbintenis in het algemeen 106
    1. Het vertrekpunt moet een geldige verbintenis zijn, de voorwaarden uit artikel 1108 BW zijn vervuld. De modaliteit moet bijkomstig zijn aan de vier geldigheidsvereisten en mag hierop geen betrekking hebben. 106
    2. Het kan een zuivere verbintenis (onvoorwaardelijk) zijn of een verbintenis die onder een modaliteit is aangegaan. 106
    3. De laatste is een verbintenis waarbij de uitvoering of uitdoving afhankelijk is van een toekomstige gebeurtenis. Is die gebeurtenis onzeker, dan is er sprake van een voorwaarde. Is de gebeurtenis zeker, dan is er sprake van een termijn of een tijdsbepaling. 106
    4. Een opschortende voorwaarde is afhankelijk van de uitvoering. 106
    5. Een ontbindende voorwaarde is afhankelijk van de uitdoving. 106
    6. Een opschortende termijn is afhankelijk van de uitvoering. 106
    7. Een ontbindende termijn is afhankelijk van de uitdoving. Dit zijn alle contracten bepaalde duur. 106
  102. 102 1. De ontbindende voorwaarde 106
    1. A. Begrip en kenmerken 106
    2. Een ontbindende voorwaarde is een beding waarmee partijen de retroactieve en automatische uitdoving of tenietgaan van een verbintenis laten afhangen van de vervulling van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. (Art. 1168 en 1183 BW) 106
    3. B. Geoorloofdheid 106
    4. In de regel is een ontbindende voorwaarde geldig, tenzij bij de wet verboden, vb. WAO. De uitdoving van een arbeidscontract mag niet afhankelijk zijn van zwangerschap, huwelijk, … 106
    5. ! Een wettelijk verbod uit de WAO mag niet naar analogie toegepast op andere gevallen. 107
    6. ! Een wettelijk verbod op een UOB betekent niet dat een ontbindende voorwaarde verboden is (of andersom) 107
    7. Een voorbeeld hiervan is art. 1762bis BW, waarin een UOB bedoeld wordt. In het kader van de huurcontracten mag er geen UOB worden opgenomen en moet men altijd naar de rechtbank stappen. Maar; een ontbindende voorwaarde mag wel. 107
    8. Verschillen en gelijkenissen met een uitdrukkelijk ontbindend beding zijn: 107
    9. Ontbindende voorwaarde: 107
    10. Geen wanprestatie vereist én moet daarvan losstaan 107
    11. Automatische uitdoving 107
    12. Retroactieve ontbinding 107
    13. Uitdrukkelijk ontbindend beding: 107
    14. Wanprestatie vereist 107
    15. Niet verplicht om beroep te doen op UOB; keuze 107
    16. Retroactieve ontbinding 107
    17. C. Gevolgen 107
  103. 103 2. De opschortende voorwaarde 107
    1. D. Begrip en toepassingen 107
    2. Een opschortende voorwaarde is een beding waarmee de partijen de opeisbaarheid of uitvoering van een verbintenis schorsen tot bij de vervulling van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. (Art. 1181 BW) 107
    3. E. Verbod op de zuiver potestatieve voorwaarde aan de zijde van de schuldenaar 108
    4. F. Gevolgen 108
  104. 104 1. Begrip 108
    1. Een verbintenis onder termijn is een verbintenis waarvan de uitvoering/ opeisbaarheid of de uitdoving/tenietgaan afhankelijk is gemaakt van de vervulling van een toekomstige doch zekere gebeurtenis. 108
  105. 105 3. Opschortende en ontbindende tijdsbepaling 108
    1. Een opschortende tijdsbepaling maakt de opeisbaarheid ervan afhankelijk. 108
    2. Een ontbindende tijdsbepaling maakt de uitdoving ervan afhankelijk. 109
  106. 106 4. Gevolgen 109
    1. G. De uitdovende of ontbindende tijdsbepaling 109
    2. H. De opschortende tijdsbepaling 109
  107. 107 5. Respijttermijnen 109
    1. I. Begrip 109
    2. J. Voorwaarden 109
    3. De voorwaarden voor de rechter om de respijttermijn aan de schuldenaar toe te kennen zijn door de wetgever zéér strikt begrensd. 109
    4. K. Draagwijdte 110
    5. L. Uitzonderingen 110
    6. M. Bijzondere toepassingen 110
    7. A. De cumulatieve (of conjunctieve) verbintenis 110
    8. B. De alternatieve verbintenis 110
    9. C. De facultatieve verbintenis 110
  108. 108 1. Deelbaarheid als regel bij pluraliteit van subjecten 111
    1. N. Probleemstelling: pluraliteit van subjecten 111
    2. O. Deelbaarheid bij pluraliteit 111
    3. P. Uitzonderingen op de deelbaarheid 111
    4. Q. Obligatio versus contributio 111
  109. 109 6. Eerste uitzondering: ondeelbare verbintenissen 112
    1. R. Bronnen van ondeelbaarheid 112
    2. S. Gevolgen van ondeelbaarheid 112
  110. 110 7. Tweede uitzondering: hoofdelijke verbintenissen 113
    1. T. Actieve hoofdelijkheid 113
    2. U. Passieve hoofdelijkheid 113
  111. 111 8. Derde uitzondering: de verbintenis in solidum 116
    1. V. Begripsomschrijving 116
    2. De verbintenis in solidum is de “gehoudenheid tot het geheel”. Het heeft als hoofdgevolg dat, bij pluraliteit van schuldenaars (ingevolge hun contractuele en/of buitencontractuele aansprakelijkheid) de schuldeiser elke schuldenaar, naar keuze, mag aanspreken in betaling van het geheel. 116
    3. W. Toepassingsgevallen 116
    4. Opdat elke dader is in solidum gehouden jegens het slachtoffer van de gehele schade, worden de samenlopende fouten van de verscheidene daders vereist. Er wordt door de onderscheiden fouten van verschillende daders en elke fout noodzakelijk heeft bijgedragen in de schade. De onderscheiden fouten van de onderscheiden daders vloeien samen in één en dezelfde schade. 116
    5. X. Kenmerken en gevolgen 117
  112. 112 1. Het begrip ‘overdracht’ van een verbintenis 118
    1. Cessie of overdracht van schuldvordering: Als aan de actiefzijde de schuldvordering van de schuldeiser wordt overgedragen aan een nieuwe schuldeiser. 118
    2. Overdracht van schuld: Als aan de passiefzijde de schuld van de schuldenaar wordt overgedragen aan een nieuwe schuldenaar. 118
    3. Contractoverdracht: Als bij een wederkerig contract, waarin beide partijen zowel schuldeiser als schuldenaar zijn, er een combinatie is van overdracht van schuld én schuldvordering. 118
  113. 113 9. Overdracht ten algemene titel 118
    1. De overdracht ten algemene titel betreft een geval waarbij het geheel vermogen (of een breukdeel) met alle rechten en plichten van rechtswege overgaat van de rechtsvoorganger op de rechtsopvolger zonder toestemming van de wederpartij van de rechtsvoorganger. 118
    2. Dit kan: 118
    3. Bij fysieke personen door overlijden (art. 1122 BW) 118
    4. Bij rechtspersonen: door fusie of splitsing van vennootschappen 118
  114. 114 10. Overdracht ten bijzondere titel 118
    1. De overdracht ten bijzondere titel betreft het geval waarbij een bijzonder goed overgaat van de rechtsvoorganger op de rechtsopvolger. Dit gebeurt niet van rechtswege, maar ingevolge de overdracht ten bijzondere titel (zoals bij koop en schenking). 118
    2. Of de toestemming hiervoor vereist is, hangt van de vorm af: 118
    3. Actiefzijde: Overdracht van schuldvordering (cessie) én subrogatie 118
    4. Passiefzijde: Overdracht van schuld (voltooid en onvoltooid) én delegatie 118
    5. Actief- en passiezijde: Contractoverdracht 118
  115. 115 1. De overdracht van schuldvordering (cessie) in het algemeen 119
    1. Y. Begrip – Wettelijke regeling – Totstandkoming 119
  116. 116 11. De totstandkoming en de tegenwerpelijkheid van de cessie 119
    1. Z. De vormvrije totstandkoming 119
    2. AA. De tegenwerpelijkheid aan derden 119
  117. 117 12. De gevolgen 120
    1. De gevolgen staan vast in art. 1692 – 1695 BW: 120
    2. De oude schuldvordering blijft bestaan 120
    3. Er is een ongewijzigde overgang van de bestaande schuldvordering met alle accessoria 120
    4. De schuldenaar kan alle verweermiddelen aan de nieuwe SE tegenwerpen 120
  118. 118 1. De uitgangspunten 120
    1. De schuldoverdracht is de overdracht van de rechtspositie van de schuldenaar aan een derde. 120
    2. De schuldoverdracht is niet wettelijk geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Het is problematischer dan de overdracht van schuldvordering omdat een schuldenaar kredietwaardig moet zijn en de schuldeiser dit vaak ook onderzoekt. Zomaar toelaten dat een schuldenaar zijn schuld overdraagt aan een andere SA waarvan zijn krediet niet gecontroleerd is geweest, kan problematisch zijn. 120
    3. In de praktijk is dit echter wel nodig, waardoor in de rechtsleer en rechtspraak figuren zijn ontstaan die schuldoverdracht mogelijk maken. 120
    4. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen drie types van schuldoverdracht: 120
    5. Voltooide schuldoverdracht (mét toestemming van SE) 120
    6. Onvoltooide schuldoverdracht (zonder toestemming van SE) 120
    7. Delegatie 120
  119. 119 13. De voltooide schuldoverdracht 120
    1. BB. Begrip 120
    2. CC. Gevolgen 120
  120. 120 14. De onvoltooide schuldoverdracht 121
    1. DD. Begrip 121
    2. EE. Gevolgen 121
  121. 121 15. Delegatie 121
    1. FF. Begrip 121
  122. 122 1. Begrip en probleemstelling 122
    1. Een contractoverdracht is de ongewijzigde overdracht van de gehele rechtspositie van een schuldeiser/schuldenaar 1 in een wederkerig contract (overdrager) op een schuldeiser/schuldenaar 3 (overnemer) die voortaan jegens de schuldenaar/schuldeiser 2 gerechtigd/gehouden is tot het vooraf bestaande contract. 122
    2. Er is geen algemene regeling omtrent de contractoverdracht in het Burgerlijk Wetboek. Er zijn wel enkele specifieke artikels, bijvoorbeeld in het huurrecht. Als er geen specifieke regeling is, lost men dit op door het te beschouwen als een combinatie van een cessie en een schuldoverdracht en de regels van beiden hierop toe te passen. 122
  123. 123 1. Inleidende begrippen 122
    1. A. Betaling 122
    2. B. Vrijwillige vs. gedwongen betaling 122
    3. Bij een vrijwillige betaling voert de schuldenaar vrijwillig zijn verbintenis uit. 122
    4. Bij een gedwongen betaling wordt de schuldenaar door de schuldeiser tot nakoming gedwongen. 122
    5. Er zijn steeds drie stappen nodig voor de gedwongen uitvoering: 122
    6. Ingebrekestelling van SA door SE (Uitzonderingen: verbintenis uit onrechtmatige daad en handelstransacties). 122
    7. Vonnis bekomen voor de rechtbank met bevel tot nakoming in natura. 123
    8. Vonnis doen uitvoeren met dwangmiddelen (verbod op fysieke dwang op de SA; dwangsom art. 1385bis Ger. W. + vervanging). 123
    9. We gaan het enkel hebben over de vrijwillige betaling. 123
    10. In art. 387ter BW is er een uitzondering op de fysieke dwang. Bij een co-ouderschap kunnen de kinderen fysiek gedwongen worden om naar de andere ouder te gaan. 123
  124. 124 16. De eenvoudige betaling vs. Betaling met subrogatie 123
    1. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de eenvoudige betaling en de betaling met subrogatie. 123
    2. De regels van de eenvoudige betaling zijn vervat in art. 1235 – 1248 BW. Dit is de meest gebruikte vorm van betaling. 123
    3. De regels van betaling met subrogatie zijn vervat in art. 1249 – 1252 BW. Deze vorm heeft complexere regels: 123
    4. Persoonlijke subrogatie houdt in dat een derde de schuld van de schuldenaar aan de oorspronkelijke schuldeiser betaalt (1) waarna deze derde de rechtspositie van de uitbetaalde schuldeiser in de bestaande rechtsband tussen de (oorspronkelijke) schuldeiser en schuldenaar inneemt (2). Een derde betaalt in de plaats van SA, waardoor de derde de nieuwe SE wordt. 123
    5. Er is een ‘wijziging’ van het subject van het recht. 123
    6. Dit komt vaak voor in verzekeringskwesties, zoals in art. 29bis, §4 WAM-wet. Stel dat er een slachtoffer is van een verkeersongeval die een verbintenis heeft met de dader op grond van de onrechtmatige daad of art. 1382 BW; de derde (de verzekeraar) zal de schadevergoeding van de dader betalen met subrogatie, waardoor de verzekeraar nu de schuldeiser is en de kosten kan verhalen op de dader. 123
    7. Bij zakelijke subrogatie wijzigt het object van het recht. 123
    8. Een voorbeeld hiervan is art. 10 Hyp. Wet. Stel dat een huis afbrandt en dat degene die schade heeft geleden daarvoor verzekerd is en een vergoeding krijgt van de verzekeraar, dan zal het hypotheekrecht van de bank overgaan op de vergoeding die door de verzekeraar wordt uitbetaald. 123
    9. B. Voorwaarden voor een geldige (eenvoudige) betaling 123
    10. C. Enkele knelpunten van de betaling van een geldsom 124
  125. 125 1. Begrip 126
  126. 126 17. Voorwaarden 127
    1. GG. Opsomming 127
    2. HH. Animus novandi of het vereiste van een nieuw element 128
  127. 127 18. Gevolgen 129
    1. De gevolgen van de schuldvernieuwing werken enkel voor de toekomst, ex nunc, en kunnen in twee punten worden samengevat: 129
    2. De oude verbintenis verdwijnt met alle gevolgen van dien: 129
    3. De bestaande voorrechten en hypotheken vervallen (art. 1278 BW); de medeschuldenaars en borgen zijn bevrijd (art. 1281 BW). Het verdwijnen van de verbintenis heeft ook tot gevolg dat de excepties van de oude verbintenis door SA niet meer kunnen worden ingeroepen. 129
    4. Een volledig nieuwe verbintenis met eigen kenmerken komt tot stand: 129
    5. Partijen zullen zelf een nieuwe inhoud moeten geven aan de nieuwe verbintenis want deze geniet niet van de zekerheden uit de oude verbintenis. Partijen komen vaak overeen om deze zekerheden te behouden (art. 1278 BW). De zekerheden die door derden of medeschuldenaars werden verstrekt, kunnen slechts met hun toestemming worden behouden (art. 1281, lid 3 BW). 129
    6. https://www.wanted.law/nl/Most-Wanted/Wanted-Wiki/Wiki/Id/23397/Wat-is-schuldvergelijking 129
  128. 128 1. Begrip en soorten 129
    1. Schuldvergelijking zorgt ervoor dat, wanneer twee personen wederzijds schuldenaar en schuldeiser van elkaar zijn én zij dus over en weer schuldvorderingen bezitten, dat beide schulden onder bepaalde voorwaarden tenietgaan ten belope van het laagste bedrag (art. 1289 en 1290 BW). Vordering en tegenvordering gaan elkaar opheffen of ‘compenseren’. 129
    2. De schuldvergelijking heeft als gevolg van het tenietgaan van verbintenissen; maar enkel de kleinste verbintenis dooft uit. De grootste verbintenis houdt stand en wordt slechts gesplitst (art. 1244, lid 1BW). 129
    3. (Stel dat een verhuurder een schuldvordering op de huurder heeft voor 500 euro en de huurder heeft een schuldvordering op de verhuurder voor 100 euro, dan blijft er slechts 400 euro over die de huurder moet betalen.) 129
    4. Schuldvergelijking heeft twee functies: 129
    5. Elke partij bekomt een betaling: vordering en tegenvordering heffen elkaar op en dit vereenvoudigt het betalingsverkeer. 129
    6. De compensatie strekt tot zekerheid: door te compenseren is de schuldeiser zeker dat hij betaald wordt, ten minste van de kleinste verbintenis. 129
    7. Er zijn drie vormen van compensatie of schuldvergelijking: 129
    8. De wettelijke schuldvergelijking (onder voorwaarden bepaald in de wet) 129
    9. De gerechtelijke schuldvergelijking (uitgesproken in een rechterlijke beslissing) 129
    10. De conventionele schuldvergelijking (overeengekomen tussen partijen) 129
  129. 129 19. Wettelijke schuldvergelijking 129
    1. II. Omschrijving 129
    2. De wettelijke schuldvergelijking heeft van rechtswege plaats, krachtens de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars om (art. 1290 BW) van zodra aan bepaalde voorwaarden is voldaan. 130
    3. Door deze automatische compensatie gaan de vorderingen teniet ten belope van het kleinste bedrag en dit met in begrip van de accessoria zoals zekerheden en intresten. Voor de grootste verbintenis blijven echter de zekerheden gelden en de intresten lopen. 130
    4. Wettelijke schuldvergelijking is van aanvullend recht zodat partijen ervan kunnen afwijken (zie conventionele schuldvergelijking). Ze kunnen er ook uitdrukkelijk of stilzwijgend aan verzaken: 130
    5. Art. 1299 BW: Verzaking mag aan derden geen nadeel berokkenen 130
    6. Art. VI.83, 16° WER: Verbod op het compenseren van de schuld tussen een consument en een onderneming 130
    7. JJ. Toepassingsvoorwaarden 130
    8. KK. Uitzonderingen 130
  130. 130 20. Gerechtelijke schuldvergelijking 131
    1. Gerechtelijke schuldvergelijking is de schuldvergelijking die door een rechter in een rechterlijke beslissing wordt uitgesproken. 131
    2. Er gelden dezelfde voorwaarden als voor de wettelijke schuldvergelijking, behalve dat de wederzijdse schulden niet effen moeten zijn. Dit is namelijk wat er in het geschil betwist wordt. 131
    3. De wettelijke schuldvergelijking werkt terug tot op de datum waarop de voorwaarden zijn vervuld, terwijl de gerechtelijke schuldvergelijking terugwerkt op de datum van de uitspraak van het vonnis, zonder terugwerkende kracht. 132
  131. 131 21. Conventionele schuldvergelijking 132
    1. De conventionele schuldvergelijking is een schuldvergelijking die tussen de partijen wordt overeengekomen. 132
    2. Ook wanneer de voorwaarden van wettelijke compensatie niet vervuld zijn mogen partijen overeenkomen dat een compensatie zal kunnen plaatsvinden. De schulden hoeven dus niet effen te zijn, niet opeisbaar of moeten niet noodzakelijk vervangbare zaken betreffen. 132
    3. Partijen mogen: 132
    4. Een compensatiebeding opnemen in het contract 132
    5. Een compensatieverbod opnemen in het contract (behalve art. VI.83, °16 WER) 132
    6. Samenhang of connexiteit bedingen, op voorwaarde dat er geen sprake is van bedrog 132
    7. De partijen mogen niet: 132
    8. Ingaan tegen de openbare orde (bv. fiscale compensatieverbod) 132
    9. Afbreuk doen aan de beperking van art. 1298 BW; afbreuk doen aan de rechten van derden 132
    10. De schuldvermenging veronderstelt dat éénzelfde persoon plots de hoedanigheid van zowel schuldeiser als schuldenaar verkrijgt. Dit impliceert logischerwijze voorafgaand één en dezelfde verbintenis. 132
    11. Dit gebeurt zelden, meestal enkel wanneer twee vermogens versmelten door erfopvolging of bij fusie van vennootschappen. 132
    12. (A heeft een schuld bij B, B erft zijn vermogen – A heeft een schuld bij B, B koopt zijn bedrijf over) 132
  132. 132 1. Voorwaarden en gevolgen 132
    1. Kwijtschelding van de schuld is een consensuele overeenkomst tussen schuldeiser en schuldenaar, waarbij de schuldeiser vrijwillig aan de betaling of de uitvoering verzaakt en waarbij de schuldenaar de kwijtschelding aanvaardt. Het kan gaan om een rechtshandeling om niet of onder bezwarende titel. 132
    2. De kwijtschelding heeft tot gevolg de uitdoving van de kwijtgescholden schuld, samen met haar accessoria zoals de persoonlijke en zakelijke zekerheden. De kwijtschelding en de uitdoving kunnen volledig of gedeeltelijk zijn; bijvoorbeeld enkel kwijtschelding van de intresten en niet de hoofdschuld. 133
  133. 133 22. Bewijs van de bevrijding van de schuldenaar 133
    1. Het bewijs van de kwijtschelding dient te gebeuren in overeenstemming met de artikelen 8.4 en 8.9 BW. De persoon die beweert bevrijd te zijn, draagt de bewijslast. 133
    2. De schuldenaar die beweert bevrijd te zijn kan dit bewijzen door het instellen van een vermoeden van bevrijding door de schuldenaar wanneer de schuldeiser zijn akte vrijwillig teruggeeft aan zijn schuldenaar. 133
    3. Dit vermoeden is weerlegbaar door de schuldeiser met alle bewijsmiddelen, zowel wanneer SE zijn onderhandse titel teruggeeft als wanneer hij de grosse authentieke titel teruggeeft. De teruggave aan SA dient vrijwillig te gebeuren, anders vervalt het vermoeden. 133
    4. Bevrijdende verjaring, zoals in art. 1234 BW bedoeld wordt, is een vorm van verjaring die stelt wie dat gedurende zekere tijd ontkomt aan de uitvoering van verbintenis, door verjaring wordt bevrijd door verloop van een wettelijk bepaalde termijn en onder voorwaarden die de wet bepaalt. 133
    5. De verjaringstermijnen zijn: 133
    6. Voor persoonlijke vorderingen: 10 jaar (art. 2262bis, §1 BW) 133
    7. Voor zakelijke rechtsvorderingen: 30 jaar (art. 2262 BW) 133
    8. Vorderingen tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid: 5 jaar te rekenen vanaf de kennisname van de schade en de identiteit van de dader (art. 2262bis, §1, lid 2) of 20 jaar vanaf de dag na het schadegeval (art. 2262bis, §1, lid 3 BW) 133
  134. 134 1. Afstand van recht 133
  135. 135 2. Afstand van rechtsverwerking 134
    1. De rechtsverwerking steunt op de toetsing van objectieve gedragingen aan objectieve maatstaven en billijkheid. De rechtsverwerking dooft de verbintenis niet uit, maar de titularis van de mogelijkheid tot uitvoering van zijn recht ontzeggen. Er is dus geen wilsuiting van de titularis. 134
    2. De mogelijkheid als titularis om zich te beroepen op een subjectief recht wordt ontzegd wanneer hij, zonder uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand gedaan te hebben: 134
    3. Een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht 134
    4. De wederpartij, bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de titularis van het recht is afgegaan. 134
    5. Het verval kan intreden wanneer een geldig tot stand gekomen rechtshandeling één van haar essentiële bestanddelen verliest (haar voorwerp of oorzaak) door een omstandigheid die zich voordoet na de totstandkoming van de verbintenis en waardoor haar uitvoering in natura onmogelijk wordt. 134
    6. Het verval heeft van rechtswege tenietgaan van de verbintenis voor de toekomst tot gevolg, vanaf de gebeurtenis waarop de verbintenis haar oorzaak of voorwerp verloor. 134
    7. De gehele overeenkomst zal slechts vervallen wanneer het voorwerp (of de oorzaak) van haar kenmerkende verbintenis (of van een verbintenis die ondeelbaar is met de andere verbintenissen van het contract) komt te verdwijnen. 134
    8. Tussen gelijk hebben en gelijk halen. 134
  136. 136 1. Vrij en gereglementeerd bewijsrecht 134
    1. Er is een verschil tussen gelijk hebben en gelijk halen. 135
    2. De objectieve waarheid is de waarheid zoals ze zich werkelijk heeft voorgedaan. 135
    3. Hier geldt er een vrij bewijsstelsel, alle bewijsmiddelen zijn steeds toelaatbaar en er is geen hiërarchie binnen de bewijsmiddelen. 135
    4. Bijvoorbeeld, het ondernemingsbewijsrecht is in belangrijke mate vrij. 135
    5. De juridische waarheid is de waarheid zoals ze (door de wet) mag bewezen worden. 135
    6. Hier geldt een gereglementeerd bewijsstelsel, niet alle bewijsmiddelen zijn steeds toelaatbaar en er is wel een hiërarchie tussen de verschillende bewijsmiddelen. 135
    7. Bijvoorbeeld, het burgerlijk vermogensrechtelijk bewijsrecht is (ten dele) gereglementeerd (art. 8.9 BW). 135
    8. De wettelijke voorschriften voor het burgerlijk vermogensrechtelijk bewijsrecht zijn neergelegd in Boek 8 BW, artikelen 8.1 – 8.39 BW en het Gerechtelijk Wetboek, artikelen 870bis – 1016bis Ger.W. en in bijzondere wetten. 135
    9. Het materieel bewijsrecht is het belangrijkste voor het verbintenissenrecht. Dit zijn de belangrijkste voorschriften inzake het voorwerp van het bewijs, de bewijslastverdeling, de bewijsstandaard, de bewijsmiddelen uit het BW, hun bewijswaarde en hun toelaatbaarheid. 135
  137. 137 23. Burgerlijk bewijsrecht: vrij of gereglementeerd? 135
    1. Het burgerlijk bewijsrecht is een gereglementeerd bewijsstelsel. De wetgever verkiest dus de juridische waarheid over de objectieve waarheid in het verbintenissenrecht, vooral bij meerzijdige rechtshandelingen. 135
    2. Het burgerlijk bewijsrecht geeft de voorkeur aan het ondertekend geschrift (art. 8.9 BW), ten nadele van getuigenissen en vermoedens. 135
    3. Met de invoering van Boek 8 is het gereglementeerd karakter afgenomen. De vereiste van een ondertekend geschrift geldt niet langer voor courante verrichtingen en het vrij bewijsstelsel werd uitgebreid naar alle ondernemingen (art. 8.11 BW; uitzondering op art. 8.9 BW). Bij geschillen tussen of tegen ondernemingen genieten de partijen en de rechter meer vrijheid op vlak van bewijsvoering en er geldt geen voorkeur voor het ondertekend geschrift; behoudens wettelijke uitzondering is het bewijs steeds door alle bewijsmiddelen toegelaten. Er gelden hier ook enkele bijkomende bewijsmiddelen, zoals de factuur en de boekhouding (art. 8.11, §2 en §4 BW). 135
    4. Daarnaast wordt het vrij bewijsstelsel veralgemeend voor alle eenzijdige rechtshandelingen (art. 8.10 BW) en geldt ook voor het bewijs van partijen door en tegen derden (art. 8.14 BW) behalve voor de datum (art. 8.22 BW). 135
  138. 138 24. Wettelijke definities 135
    1. Zie art. 8.1 BW voor alle wettelijke definities. 135
  139. 139 25. Aanvullend karakter 135
    1. Het burgerlijk vermogensrechtelijk bewijsrecht is van aanvullend recht, de partijen mogen hiervan afwijken (art. 8.2 BW). Bewijsovereenkomsten of -bedingen zijn in principe geldig. 136
    2. De partijen in het gemeen recht mogen niet afwijken van: 136
    3. Art. 8.21 BW 136
    4. Art. 8.17, lid 1 BW 136
    5. Art. 8.11 BW 136
    6. Beperkingen in overeenkomsten tussen een onderneming en een consument betreffende het bewijsrecht: 136
    7. Art. VI.83, 22° WER 136
    8. Art. VI.83, 21° WER 136
    9. Art. I.8, 22° WER 136
    10. Wat moet bewezen worden, wat niet? 136
  140. 140 1. Algemeen 136
    1. Wat moet wel bewezen worden: 136
    2. Relevante en betwiste feiten 136
    3. Wat moet niet bewezen worden: 136
    4. Rechtsregels 136
    5. Algemeen bekende feiten 136
    6. Niet-betwiste feiten 136
  141. 141 26. Rechtsregels 136
    1. Volgens art. 8.3, lid 3 BW moet het recht niet bewezen worden. Ook algemene rechtsbeginselen gewoonterechtelijke regels, zoals de passieve hoofdelijkheid tussen onderneming, moeten niet bewezen worden. Ook vreemd recht moet niet bewezen worden. Een algemeen bekend gebruik dat tot de ambtelijke kennis van de rechter behoort moet niet bewezen worden. 136
    2. Conventionele gebruiken worden gezien als feiten en moeten wel bewezen worden. 136
  142. 142 27. Feiten 136
    1. LL. Algemeen bekende feiten 136
    2. MM. Relevante en betwiste feiten 136
  143. 143 1. Regel en rol van de partijen en de rechter 137
    1. Bewijslast staat voor de last die op een partij rust om in een procedure ten aanzien van de rechter het bewijs van welbepaalde feiten en/of rechtshandelingen te leveren. 137
    2. Art. 8.4 BW verdeelt de bewijslast op twee manieren: 137
    3. Hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen 137
    4. Hij die beweert bevrijd te zijn, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen 137
    5. Maar, de partijen zijn hebben door het loyauteitsbeginsel een medewerkingsplicht én een samenwerkingsplicht om bewijsmateriaal aan te leveren. 137
    6. Het is dus eerder een verdeling van het bewijsrisico want, wanneer de rechter blijft twijfelen, zal hij zijn vonnis uitspreken in het nadeel van wie de bewijslast draagt (art. 8.4, lid 4 BW). Deze persoon draagt dus het bewijsrisico. 137
    7. Er komt ook een actievere rol aan de rechter toe; indien de partijen niet vrijwillig loyaal meewerken dan kan hij de partijen verplichten bewijsstukken te leveren die noodzakelijk zijn om over het geschil te oordelen (art. 871 en 877 Ger. W.). Daarnaast kan hij ook onderzoeksmaatregelen opleggen zoals een deskundigenverhoor, een getuigenverhoor, verhoor van partijen, plaatsbezoek, … 137
  144. 144 28. Uitzonderingen 137
    1. Op de bewijslast bestaan talrijke uitzonderingen: 137
    2. De wettelijke uitzonderingen (art. 8.4, lid 5 BW, art. VII.2, §4 WER, wettelijke vermoedens, …) 137
    3. Jurisprudentiële uitzonderingen (resultaats- vs. inspanningsverbintenis) 137
    4. Conventionele uitzonderingen (bedingen tussen partijen) 137
    5. NN. Wettelijke uitzonderingen 137
    6. OO. Jurisprudentiële uitzonderingen 138
    7. PP. Conventionele afwijkingen 138
  145. 145 1. Het bewijs door ondertekend geschrift 139
    1. QQ. Het ondertekend geschrift: algemeen 139
    2. RR. De authentieke akte 139
    3. SS. De onderhandse akte 140
    4. B. Begin van bewijs door geschrift 140
    5. Een begin van bewijs door geschrift is een geschrift dat uitgaat van degene die een rechtshandeling betwist of van degene die hij vertegenwoordigt, en waardoor de aangevoerde rechtshandeling waarschijnlijk wordt gemaakt (art. 8.1, 7° BW). 140
    6. Het moet het betwiste feit waarschijnlijk maken. De rechter moet overtuigd geraken door het geschrift dat het standpunt van degene die zich op het begin van schriftelijk bewijs beroept, de voorkeur geniet. De feitenrechter beoordeelt dit soeverein. 140
    7. C. Andere geschriften 141
    8. Andere geschriften werden niet opgesteld met de bedoeling om als bewijs te dienen, maar die wel als bewijs kunnen dienen. 141
    9. Bijvoorbeeld; de boekhouding (art. 8.11, §2 en §3 BW) of facturen (art. 8.11, §4), briefwisseling, ingevulde formulieren, … 141
  146. 146 29. De getuigenis 141
    1. Een getuigenis is het bewijs dat voortvloeit uit een verklaring van een derde, afgelegd voor de rechter, die de feiten van de rechtshandeling heeft bijgewoond (rechtstreekse getuige) of heeft vernomen van een rechtstreekse getuige (onrechtstreekse getuige) bepaald in art. 8.1, 8° BW. Het kan zowel mondeling als schriftelijk zijn. 141
    2. De wetgever heeft weinig vertrouwen in dit bewijsmiddel in het burgerlijk vermogensrechtelijk bewijsrecht. Dit bewijsmiddel is niet steeds toelaatbaar. 141
    3. Wil een partij zich erop beroepen, moet hij voorgaande machtiging vragen aan de rechter. De rechter oordeelt soeverein of de getuigenis nuttig is voor het leveren van bewijs. Hij kan ook een getuigenis bevelen van een derde. 141
    4. Getuigenissen hebben een vrije bewijswaarde. De rechter oordeelt soeverein of hij enige bewijswaarde toekent aan de getuigenis (art. 8.28, lid 2 BW). Hij mag dus ook geloofwaardige getuigenissen aannemen of ongeloofwaardige getuigenissen verwerpen. 141
  147. 147 30. De vermoedens 141
    1. Een vermoeden is een gevolgnatrekking waarbij de wet of de rechter het bestaan van één of meer onbekende (te bewijzen) feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende (bewezen) feiten. 141
    2. Het gaat hier om een redenering in wiens voordeel het vermoeden geldt, vrijgesteld wordt van de bewijslast. 141
    3. Wettelijke vermoedens zijn vermoedens door de wet ingesteld: 141
    4. Rechter is verplicht om uit een vaststaand feit een ander ongekend en te bewijzen feit af te leiden 141
    5. Weerlegbaar vermoeden: tegenbewijs mogelijk met alle bewijsmiddelen 141
    6. Onweerlegbaar vermoeden: tegenbewijs niet toegelaten zodat het vermoeden een definitieve bevrijding van de bewijslast inhoudt. 141
    7. Wettelijke vermoedens zijn in principe altijd weerlegbaar behalve wanneer de wet anders bepaalt, wanneer dit vermoeden tot de nietigheid van een rechtshandeling leidt en wanneer dit vermoeden tot de onontvankelijkheid van een vordering in rechte leidt (art. 8.7, lid 2 BW). 141
    8. Feitelijke vermoedens zijn vermoedens door de rechter ingesteld. Ze zijn enkel toelaatbaar in de gevallen waarin de wet het bewijs met alle bewijsmiddelen toelaat (art. 8.29, lid 1 BW). Het houdt een omkering van de bewijslast in wanneer de rechter met een redelijke mate van zekerheid uit het bekende feit het onbekende feit kan afleiden. 141
    9. Quasiwettelijke vermoedens zijn vermoedens waaraan de rechtsleer en rechtspraak de gevolgen van de wettelijke vermoedens verbinden zonder dat zij op een wettelijke bepaling berusten. Dit is het geval bij het vermoeden van passieve hoofdelijkheid tussen ondernemingen. 141
  148. 148 31. De bekentenis 142
    1. Een bekentenis is de erkenning door een persoon of een door hem bijzonder gevolmachtigde vertegenwoordiger van een feit dat rechtsgevolgen tegen hem kan hebben (art. 8.1, 10° BW). 142
    2. De partij erkent de juistheid van een materieel feit, rechtsfeit of rechtshandeling, hoewel zij er belang bij heeft dit te ontkennen. 142
    3. De bekentenis is altijd als bewijsmiddel toegelaten, zelfs indien de wet een ondertekend geschrift vereist. 142
    4. Ze kan zowel schriftelijk, uitdrukkelijk als mondeling zijn. De bekentenis moet vrij en bewust gegeven zijn. Artikel 8.32, lid 2 duidt ook aan dat de bekentenis oprecht moet zijn. Er kan ook een bekentenis worden afgeleid uit eerdere verklaringen, afgelegd op een onbewaakt moment. 142
    5. De gerechtelijke bekentenis is de bekentenis afgelegd voor de rechter, in het geding dat betrekking heeft op het punt waarover de bekentenis gaat. 142
    6. De buitengerechtelijke bekentenis wordt buiten het geding afgelegd. 142
    7. Wanneer een bekentenis voorhanden is, is de rechter erdoor gebonden en moet hij het aangevoerde feit of rechtshandeling als bewezen beschouwen. 142
    8. Er gelden voor de bekentenis twee bijzondere regels: 142
    9. De bekentenis is onsplitsbaar (art. 8.32, lid 3 BW) 142
    10. De bekentenis is onherroepelijk (art. 8.32, lid 1) behalve indien de persoon die de bekentenis heeft afgelegd later dwaling of een andere nietigheidsgrond kan bewijzen. 142
  149. 149 32. De eed 142
    1. De eed is een plechtige verklaring van een partij voor de rechter waarbij zij de waarachtigheid van haar beweringen bevestigt (art. 8.1, 12° BW). Zij strekt de eedaflegger tot voordeel. 142
    2. Er zijn twee soorten: 142
    3. De beslissende eed (art. 8.34 – 8.37 BW) 142
    4. De ambtshalve opgelegde eed (art. 8.38 – 8.39 BW) 142
  150. 150 1. Begrippen 142
    1. De bewijswaarde van een bewijselement slaat op de mate waarin dat element de rechter overtuigt en bewijs oplevert van het betwiste feit (art. 8.1, 14° BW). 142
    2. In beginsel is de bewijswaarde vrij en oordeelt de rechter soeverein of een bewijselement hem overtuigt. Aan enkele bewijsmiddelen kent de wetgever een wettelijke bewijswaarde toe. 143
  151. 151 33. De bewijsmiddelen met wettelijke bewijswaarde 143
    1. De volgende bewijsmiddelen hebben wettelijke of bindende bewijswaarde. De rechter kan geen bijkomend bewijs meer eisen en, zodra de toepassingsvoorwaarden van het bewijsmiddel vervuld zijn, moet besluiten dat het betwiste feit of rechtshandeling bewezen is: 143
    2. A. De beslissende eed 143
    3. B. De bekentenis 143
    4. C. Ondertekende geschriften 143
    5. D. Wettelijke vermoedens 143
  152. 152 34. De bewijsmiddelen met vrije bewijswaarde 143
    1. Onderaan in de hiërarchie van bewijsmiddelen staan de bewijsmiddelen met vrije bewijswaarde. De rechter oordeelt soeverein of hij aan het bewijsmiddel waarde toekent en hij mag bewijs en tegenbewijs vrij afwegen: 143
    2. A. Alle andere geschriften die uitgaan van de tegenpartij of die hij zich toegeëigend heeft, zoals het begin van bewijs door geschrift. Wanneer een bewijs door geschrift kan aangevuld worden door een ander bewijsmiddel, kan het een ondertekend geschrift vervangen. 143
    3. B. Getuigenissen en feitelijke vermoedens 143
  153. 153 1. Artikel 8.9 BW: Voorrang van het ondertekend geschrift 143
    1. Artikel 8.9 BW vormt de kernbepaling op het vlak van de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen. De wetgever geeft de voorkeur aan het ondertekend geschrift en toont zijn wantrouwen in de feitelijke vermoedens en de getuigenissen. 143
    2. De feitelijke vermoedens en de getuigenissen zijn énkel toegelaten in de gevallen waar de wet het vrije bewijsstelsel toelaat (art. 8.28 en 8.29, lid 1 BW). 143
    3. Dit artikel bevat een tweevoudige regel: 143
    4. Voor het bewijs van een rechtshandeling waarvan de waarde gelijk is aan of meer dan 3500 euro is een ondertekend geschrift vereist; getuigenissen en (feitelijke) vermoedens zijn niet toegelaten. 143
    5. = Toelaatbaarheid van het bewijs 143
    6. Het bewijs boven of tegen een ondertekend geschrift kan enkel geleverd worden door een ander ondertekend geschrift (ook door bekentenis of eed), maar nooit met getuigenissen en vermoedens, zelfs indien de som of waarde de 3500 niet te boven gaat. 143
    7. = Toelaatbaarheid van het tegenbewijs 144
    8. De draagwijdte van art. 8.9 BW geldt: 144
    9. Enkel voor het bewijs van de meerzijdige rechtshandelingen. Voor het bewijs van alle andere rechtshandelingen en rechtsfeiten is het bewijs door alle bewijsmiddelen wel toegestaan. 144
    10. Voor alle aspecten van de meerzijdige rechtshandeling; het bewijs van de totstandkoming, de schorsing, de uitvoering en de uitdoving van de rechtshandeling 144
    11. Voor zover de partijen er niet van zijn afgeweken want het is een regel van aanvullend recht 144
    12. Voor zover de partijen zich niet op één van de talrijke wettelijke uitzonderingen kan beroepen 144
  154. 154 35. De wettelijke uitzonderingen op artikel 8.9 BW 144
    1. xvi. Bewijs van eenzijdige rechtshandelingen (art. 8.10 BW, maar…) 144
    2. Voor eenzijdige rechtshandelingen geldt het vrije bewijsstelsel ongeacht de waarde van de eenzijdige rechtshandeling. 144
    3. Art. 8.10 BW staat op algemene wijze het vrij bewijs toe zowel voor de steller van de rechtshandeling, de begunstigde als voor elke andere derde. 144
    4. Er zijn enkel twee belangrijke beperkingen: 144
    5. De datum van eenzijdige rechtshandeling staat ten aanzien van derden enkel vast en kan zij naar derden toe slechts bewezen worden indien deze een vaste dagtekening heeft verkregen (art. 8.22 BW) 144
    6. Bij een eenzijdige rechtshandeling tot betaling van een geldsom of de levering van een zekere hoeveelheid vervangbare goederen inhoudt moet de eenzijdige rechtshandeling voldoen aan de bewijsformaliteiten opgelegd door art. 8.21 BW. 144
    7. xvii. Bewijs door en tegen ondernemingen (art. 8.11 BW) 144
    8. Artikel 8.9 BW is niet van toepassing voor het bewijs tussen én tegen ondernemingen. Ook hier geldt een vrij bewijsstelsel. Het bewijs van de rechtshandeling kan, ongeacht de waarde ervan, door alle bewijsmiddelen geleverd worden. 144
    9. Het gereglementeerd bewijsstelsel is wél van toepassing als een onderneming een rechtshandeling moet bewijzen tegen iemand die geen onderneming is. Andersom geldt het vrij bewijsstelsel en ook tussen twee ondernemingen zelf. 144
    10. Dit is bepaald in artikel 8.11 BW. 144
    11. xviii. Onmogelijkheid om te bewijzen (art. 8.12 BW) 144
    12. Wanneer een persoon zich in de onmogelijkheid bevindt om een ondertekend geschrift te verschaffen of indien het gebruikelijk is geen akte op te stellen, geldt het vrij bewijsstelsel. Artikel 8.12, lid 2 BW voegt hier ook nog het vrij bewijs aan toe bij verlies van de akte door overmacht. 144
    13. xix. Andere uitzonderingen: i.h.b. een begin van bewijs door geschrift 145
    14. In afwijking van art. 8.9 BW kan het bewijs van een ondertekend geschrift vervangen worden door een bekentenis en een beslissende eed, aangezien zij steeds als bewijsmiddel zijn toegelaten zelfs als een ondertekend geschrift door de wet vereist is én aangezien art. 8.9 BW enkel het bewijs door vermoedens en getuigenissen uitsluit. 145
    15. Ten tweede kan ook een begin van bewijs van geschrift, indien zij aangevuld is met andere bewijsmiddelen (zoals vermoedens en getuigenissen), het ondertekend geschrift vervangen. Zij krijgt dan dezelfde bewijswaarde als die laatste. 145
    16. xx. Bewijs door en tegen derden (art. 8.14 BW) 145
    17. Het is derden toegestaan om het bewijs van een rechtshandeling met alle bewijsmiddelen te leveren. Ook aan de hand van getuigenissen en vermoedens. 145
    18. Ook de partijen mogen het bewijs van een rechtshandeling ten aanzien van derden met alle bewijsmiddelen leveren. 145
    19. De enige uitzondering is de datum van een akte, die enkel bewezen is ten aanzien van derden indien zij vaststaat zoals bepaald in artikel 8.22 BW. 145

Gekoppeld boek
 image
J. M. van Dunné Verbintenissenrecht
Uitgever: 1997 ISBN: 9789026831027 Druk: Onbekend

Documentinformatie

Studie
Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
2 februari 2025
Aantal pagina's
145
Geschreven in
2023/2024
Type
Samenvatting
€13,16

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
MaraCoenen
4,5
(2)
Verkocht
31
Volgers
1
Items
55
Laatst verkocht
1 maand geleden




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen