Levenslooppsychologie
HOOFDSTUK 5: DE KLEUTERTIJD
5.1 Lichamelijke en motorische groei
o Betere motorische beheersing
• Grove motoriek
• Fijne motoriek
§ Handvoorkeur
• 85 à 90% rechtshandig
o Kindertekeningen
Lichamelijke groei
o Betere motorische beheersing
o Lichaam meer in verhouding met elkaar
Grove motoriek
o Stappen verfijnen -> stappen als een volwassene
o Kunnen zich beter inschatten
o Zwaartepunt gaat zakken -> hoofd minder groot ivm rest v lichaam = makkelijker
om evenwicht te bewaren
o Leert beter gooien, schoppen en fietsen dankzij evenwicht
Fijne motoriek
o Grote vorderingen
o Graag met constructiespel bezig: blokjes stapelen
o Graag met knipbeweging bezig, inkleuren v tekeningen
o Ontwikkeling voor handvoorkeur: links/rechts, dominantie voor ene hand
rechsthandig
o baby/peuter: geen voorkeur
o oog-handcoördinatie wordt steeds beter en beter
5.2 Groei in de cognitie
o Waarneming
o Het geheugen
o Denken
o De fantasie
o De taalontwikkeling
5.2.1 Waarneming
o Oog voor kleinere details, gelijkenissen en verschillen
o Visuele discriminatie: vermogen om verschillen & overeenkomsten tss visuele
stimuli te onderscheiden
,5.2.2 Het geheugen
o Kunnen liedjes sneller onthouden
o Gebeurt puur mechanisch -> zonder bewust over na te denken – herhaaldelijk
o Geheugenprestaties gaan vooruit maar capaciteit wan geheugenwerking nog
beperkt
5.2.3 Denken
Preoperationele denken van kleuter
o Denken nog ongestructureerd en nog niet logsich
o Kunnen wel vragen stellen bij dingen die gebeuren en bedenken zelf antwoorden
maar die antwoorden zijn intuitief, niet doordacht
o Intuïtieve denken: denken niet na, gaan puur over de uiterlijke schijn
o Voorbeeld: ontbreken van klasseninclusie
o = kleuters kunnen moeilijk begrijpen dat een overkoepelende klasse alle
ondergeschikte deelverzamelingen insluit.
Kenmerken van intuïtieve kleuterdenken
o Egocentrisch
o Gecentreerd
o Statisch
o Onomkeerbaar
Egocentrisch
o Vb: driebergenexperiment
o Gaan ervan uit dat andere mensen de dingen op eenzelfde manier zien en
beoordelen als zijzelf
o Hebben moeite om zich te verplaatsen in de andere
Gecentreerd, statisch en onomkeerbaar
o Afleiden uit conservatietaken
o Conservatie: bepaalde eigenschappen van iets wat
iemand te zien krijgt, onveranderd kunnen blijven, zelfs
wanneer de uiterlijke verschijningsvorm verandert
o Vb: 2 gelijke glazen met evenveel inhoud, inhoud van
een glas giet je in een ander gevormde glas, kleuter gaat ervan uit dat in de ene
glas meer inhoud zit dan in de andere
Gecentreerd denken: ze letten enkel op het element dat het meest opvalt. De andere
elementen nemen ze niet mee in hun oordeel
Statisch: alleen de begin- en de eindtoestand van een gebeurtenis nemen ze in
aanmerking met de dingen die tussenin gebeurd kunnen zijn
Onomkeerbaarheid van het denken: moeilijk om gebeurtenissen terug te denken in de
tijd. Niet in staat om in gedachten het omgekeerde traject opnieuw af te leggen
, 5.2.4 De fantasie
o Verwarren tss fantasie en werkelijkheid
o Wereldbeeld geleidelijk realistischer
o Actief veel vragen stellen: waaromvragen
o Ontbrekende kennis met opvullen met fantasie
o Magisch denken: ik mag enkel op het witte zebrapad lopen, als ik aan groen zal
het licht ook groen worden
o Fantasiespel: alles is mogelijk met een kartonnen doos
o Fantasiespel wordt soms rollenspel: mama en papa spelen, winkeltje spelen
Positieve van fantasiespel – rollenspel:
o Plezier beleven
o Oefening in creativiteit
o Inzicht en vaardigheden ontwikkelen
Sprookjes
o Boeiend voor kleuter
o Duidelijk zwart-wit beeld
o Bevatten meestal moraal
o Belangrijk voor de taalontwikkeling
5.2.5 De taalontwikkeling
Diberentiatiefase 2,5 – 5 jaar
o Langere zinnen
o Nieuwe woordcategorieën
o Complexere zinnen
o Werkwoordvervoegingen
o Plots bepaalde fouten (geklimd)
o Uitbreiding woordenschat
5.3 Sociaal-emotionele groei
Sociale groei
o De relatie met leeftijdsgenoten
o Ontluikend zelfconcept
o Ontwikkeling van een genderidentiteit
Emotionele groei
o Ontstaan van een moreel besef
o De mogelijkheid om zich in een ander te verplaatsen
o Het kernconflict van de kleuterperiode
5.3.1 Sociale groei
5.3.1.1 Relatie met leeftijdsgenoten
o Ouders maar ook leeftijdsgenoten belangrijk
o Parallelspel wordt samenspel
HOOFDSTUK 5: DE KLEUTERTIJD
5.1 Lichamelijke en motorische groei
o Betere motorische beheersing
• Grove motoriek
• Fijne motoriek
§ Handvoorkeur
• 85 à 90% rechtshandig
o Kindertekeningen
Lichamelijke groei
o Betere motorische beheersing
o Lichaam meer in verhouding met elkaar
Grove motoriek
o Stappen verfijnen -> stappen als een volwassene
o Kunnen zich beter inschatten
o Zwaartepunt gaat zakken -> hoofd minder groot ivm rest v lichaam = makkelijker
om evenwicht te bewaren
o Leert beter gooien, schoppen en fietsen dankzij evenwicht
Fijne motoriek
o Grote vorderingen
o Graag met constructiespel bezig: blokjes stapelen
o Graag met knipbeweging bezig, inkleuren v tekeningen
o Ontwikkeling voor handvoorkeur: links/rechts, dominantie voor ene hand
rechsthandig
o baby/peuter: geen voorkeur
o oog-handcoördinatie wordt steeds beter en beter
5.2 Groei in de cognitie
o Waarneming
o Het geheugen
o Denken
o De fantasie
o De taalontwikkeling
5.2.1 Waarneming
o Oog voor kleinere details, gelijkenissen en verschillen
o Visuele discriminatie: vermogen om verschillen & overeenkomsten tss visuele
stimuli te onderscheiden
,5.2.2 Het geheugen
o Kunnen liedjes sneller onthouden
o Gebeurt puur mechanisch -> zonder bewust over na te denken – herhaaldelijk
o Geheugenprestaties gaan vooruit maar capaciteit wan geheugenwerking nog
beperkt
5.2.3 Denken
Preoperationele denken van kleuter
o Denken nog ongestructureerd en nog niet logsich
o Kunnen wel vragen stellen bij dingen die gebeuren en bedenken zelf antwoorden
maar die antwoorden zijn intuitief, niet doordacht
o Intuïtieve denken: denken niet na, gaan puur over de uiterlijke schijn
o Voorbeeld: ontbreken van klasseninclusie
o = kleuters kunnen moeilijk begrijpen dat een overkoepelende klasse alle
ondergeschikte deelverzamelingen insluit.
Kenmerken van intuïtieve kleuterdenken
o Egocentrisch
o Gecentreerd
o Statisch
o Onomkeerbaar
Egocentrisch
o Vb: driebergenexperiment
o Gaan ervan uit dat andere mensen de dingen op eenzelfde manier zien en
beoordelen als zijzelf
o Hebben moeite om zich te verplaatsen in de andere
Gecentreerd, statisch en onomkeerbaar
o Afleiden uit conservatietaken
o Conservatie: bepaalde eigenschappen van iets wat
iemand te zien krijgt, onveranderd kunnen blijven, zelfs
wanneer de uiterlijke verschijningsvorm verandert
o Vb: 2 gelijke glazen met evenveel inhoud, inhoud van
een glas giet je in een ander gevormde glas, kleuter gaat ervan uit dat in de ene
glas meer inhoud zit dan in de andere
Gecentreerd denken: ze letten enkel op het element dat het meest opvalt. De andere
elementen nemen ze niet mee in hun oordeel
Statisch: alleen de begin- en de eindtoestand van een gebeurtenis nemen ze in
aanmerking met de dingen die tussenin gebeurd kunnen zijn
Onomkeerbaarheid van het denken: moeilijk om gebeurtenissen terug te denken in de
tijd. Niet in staat om in gedachten het omgekeerde traject opnieuw af te leggen
, 5.2.4 De fantasie
o Verwarren tss fantasie en werkelijkheid
o Wereldbeeld geleidelijk realistischer
o Actief veel vragen stellen: waaromvragen
o Ontbrekende kennis met opvullen met fantasie
o Magisch denken: ik mag enkel op het witte zebrapad lopen, als ik aan groen zal
het licht ook groen worden
o Fantasiespel: alles is mogelijk met een kartonnen doos
o Fantasiespel wordt soms rollenspel: mama en papa spelen, winkeltje spelen
Positieve van fantasiespel – rollenspel:
o Plezier beleven
o Oefening in creativiteit
o Inzicht en vaardigheden ontwikkelen
Sprookjes
o Boeiend voor kleuter
o Duidelijk zwart-wit beeld
o Bevatten meestal moraal
o Belangrijk voor de taalontwikkeling
5.2.5 De taalontwikkeling
Diberentiatiefase 2,5 – 5 jaar
o Langere zinnen
o Nieuwe woordcategorieën
o Complexere zinnen
o Werkwoordvervoegingen
o Plots bepaalde fouten (geklimd)
o Uitbreiding woordenschat
5.3 Sociaal-emotionele groei
Sociale groei
o De relatie met leeftijdsgenoten
o Ontluikend zelfconcept
o Ontwikkeling van een genderidentiteit
Emotionele groei
o Ontstaan van een moreel besef
o De mogelijkheid om zich in een ander te verplaatsen
o Het kernconflict van de kleuterperiode
5.3.1 Sociale groei
5.3.1.1 Relatie met leeftijdsgenoten
o Ouders maar ook leeftijdsgenoten belangrijk
o Parallelspel wordt samenspel