• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 6 van de 86 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Recht en Onderneming 2024/2025 (18/20)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 6 van de 86 pagina's

Samenvatting van alles wat wordt behandeld in het vak Recht en Onderneming van Prof. dr. Hendrik Vanhees tijdens het eerste semester van het academiejaar 2024/2025. Dit document bevat alles wat te kennen is voor het examen in januari, zowel uitgebreide en nauwkeurige notities van tijdens de les als de informatie uit de 2 syllabussen (Inleiding tot het recht deel 1 en deel 2) en het te kennen deel van het boek (Ondernemingsrecht in hoofdlijnen).

Voorbeeld van de inhoud

Inleiding tot het recht, deel 1
DEEL I. INLEIDING
HOOFDSTUK 1. WAT IS RECHT?
1. Definitie van het recht
Recht is het geheel van bindende regels tot ordening van de samenleving in beginsel
opgelegd, minstens bekrachtigd door de maatschappij en als zodanig afdwingbaar
gesteld.
Rechtsregels zijn regels die afdwingbaar zijn met maatschappelijk geweld, ‘met de
sterke arm’, oftewel m.b.v. politionele macht (dit garandeert de effectieve naleving van
de rechtsregel)
 Burgerlijke gevolgen als sanctie bij niet-naleving (bv. schadevergoeding)
 Kleine strafsancties als sanctie bij niet-naleving (bv. geldboetes)
 Typisch juridisch reflex: zich afvragen wat de precieze sanctie is bij overtreding
De moderne staat heeft de monopolie van geweld naar zich toe getrokken.
Wat is recht? Bevat 3 componenten
 Regels die het gedrag van mensen kan ordenen (bv. moeten betalen in de winkel)
 Deze regels kunnen afdwingen (bv. niet betalen => rechtszaak)
 Deze regels kunnen aanpassen of afschaffen (recht evolueert)
Er zijn 2 soorten recht:
 Objectief recht: het geheel van de rechtsregels, het recht zoals het bestaat
 Subjectief recht: de concretisering van het objectief recht, de rechten die je
eraan ontleend
o Het is ‘het beroep doen op’ het objectief recht: je mag foto’s van anderen
niet reproduceren (rechtsregel) => wordt dit wel gedaan, dan kan je naar
de rechtbank stappen (objectief recht; je roept de rechtsregel in)

HOOFDSTUK 2. INDELING VAN HET NATIONAAL RECHT
§ 1. HET ONDERSCHEID PRIVAAT-PUBLIEK RECHT
1. Belang van het onderscheid
Dit onderscheid is de fundamentele basis van de indeling van het recht
 Privaatrecht: relaties tussen burgers onderling; gekenmerkt door traditie en
vrijheid (gelijke contractuele relaties: huurovereenkomst, koop-
verkoop, …)
 Publiekrecht: relaties tussen burgers en de overheid of tussen overheden
onderling; gekenmerkt door eenzijdige dwingende overheidsbeslissingen (de
overheid i.f.v. het algemeen belang: belastingen, regels omtrent conflicten tussen
overheden, …)

2. Het privaatrecht (3)
1. Het burgerlijk recht: het geheel van regels die gelden voor elke burger => bepalen
ons functioneren tot † (familie-, gezin-, erfrecht, huwelijkscontracten, aansprakelijkheid,
…)

, Bron: Burgerlijke Wetboek (BW) (1804 ~ Napoleon) + enkele afzonderlijke
wetten (BW wordt stapsgewijs vernieuwd)
2. Het ondernemingsrecht: het geheel van regels die gelden voor ondernemingen;
deze zijn soepeler dat het burgerlijk recht (bv. koop-verkoop moet niet met een document
gebeuren)
Bron: Wetboek van Economisch Recht (WER) + afzonderlijke wetten +
Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV)
3. Het privaatrechtelijk (proces)recht: het kunnen afdwingen van het burgerlijke en
ondernemingsrecht
Bron: Gerechtelijk Wetboek (Ger. W.)
 Regelt de inrichting en bevoegdheid van de privaatrechtelijke
rechtscolleges (vredegerecht, rechtbank van eerste aanleg, …)
 Regelt het verloop van de procedures
+ afzonderlijke wetten

3. Het publiekrecht (5)
1. Het grondwettelijk recht: fundamentele inrichting van de staat, de basisstructuren
van de machtsuitoefening en de scheiding der machten
(Wie maakt wetten, wie is staatshoofd met welke
bevoegdheden en wie heeft rechtsspraak?)
Bron: Grondwet
 Staatsstructuur
 Fundamentele beginselen : vb. scheiding der machten
 Fundamentele rechten & vrijheden: vrijheid meningsuiting, recht op
onderwijs, …
+ afzonderlijke wetten
2. Het bestuursrecht: geheel van regels voor de uitvoerende macht (regering): statuut
van ambtenaren, werking van ministeries, gemeenten & provincies, stedenbouw &
ruimtelijke ordening, …
3. Het fiscaal recht: regelt de staatsinkomsten (belastingen)
4. Het strafrecht: geheel van normen voor het behoud van de openbare orde &
veiligheid en bepaalt de misdrijven & straffen
Bron: Strafwetboek (Sw.) + afzonderlijke wetten
5. Het straf(proces)recht: stelt de dader tegenover het Openbaar Ministerie (=
gemeenschap)
Bron: Wetboek van Strafvordering (Sv.)

§ 2. HET ONDERSCHEID + RELATIVERING
1. Relevantie van het onderscheid
Eigen aan het privaatrecht (eig. burgerlijk recht): veel regels van aanvullend recht

,Eigen aan publiek recht: veel regels van openbare orde
 Aanvullend of suppletief recht: je mag van deze regels afwijken en andere
regels bepalen
Bv. huwelijksvermogensstelsel: als niet afgeweken van wettelijke regels geldt
automatisch ‘gemeenschap van aanwinsten’, maar je kan afwijken & in een
huwelijkscontract iets anders bepalen zoals bv. ‘scheiding van goederen’
 Regels van het dwingend recht: van deze regels kan je niet afwijken; als er
afwijkingen mogelijk zijn worden deze strikt geïnterpreteerd
Bv. er kan niet afgeweken worden van de vrijheid van echtgenoten om zelf hun
beroep te kiezen, ENKEL in een bepaalde situatie mag het geschil voorgelegd
worden aan de bevoegde rechter
 Regels van openbare orde: van deze regels kan je niet afwijken
Bv. veel regels van het strafrecht, regels inzake het huwelijk, faillissement, …

2. Relativiteit
Onderscheid tussen publiek- en privaatrecht is relatief. Deze relativiteit wordt nog
versterkt door de actieve rol van de overheid & door de meervoudige lagen in het recht
(veel bevatten zowel publiek- als privaatrecht)
 Het economisch recht: regels over hoe je je op de markt moet gedrag
(overheidsinterventie) waardoor het eerder tot publiekrecht behoort, maar
ondernemingsrecht is een onderdeel van economische recht en ik privaatrecht
 Het sociaal recht: bestaat uit drie delen
o Individueel arbeidsrecht: betrekking op relatie tussen wn en wg
(arbeidscontracten) = privaatrecht
o Collectief arbeidsrecht: betrekking op relatie tussen
vertegenwoordigers van wn’s & wg’s (collectieve arbeidsovereenkomsten;
overheid) = publiekrecht
o Sociaalzekerheidsrecht: betrekking op relatie tussen verzekerden en
instellingen van de sociale zekerheid (verplicht voor iedereen; overheid) =
publiekrecht

3. Overlapping in concrete praktische problemen
1. De praktijk: vaak geen indeling van publiek- en privaatrecht (is minder belangrijk
dan bij juridische zaken)
Bijvoorbeeld de werking van een familievennootschap
- Vennootschapsrecht: Welke vennootschap en welke bestuursorganen?
- Fiscaal recht: Hoe worden de inkomsten belast?
- Sociaal recht: Wat zijn de gevolgen voor de jobs en de lonen van de werknemers?
- Erfrecht: Hoe zit het met de aandelen na overlijden van de stichter-familievader?
- Zakenrecht: belangrijk voor financiële waardering van activa en voor kredieten
- Verbintenissen: talrijke overeenkomsten met leveranciers en klanten
2. Het Europees Recht: vaak geen onderscheid van publiek- en privaatrecht (indeling
in de lidstaten loopt niet altijd gelijk)
Voorbeeld: een onderneming in de kan zowel privaatrechtelijke - als
overheidsonderneming zijn

4. Privaatrechtelijke technieken

,De overheid wil de werking van de vrije markt zo weinig mogelijk verstoren. Ze maakt
vaak gebruik van privaatrechtelijke technieken, waar ze afstand doet van haar
machtspositie en zoals andere particulieren contracten gaat afsluiten
- Geen grond onteigenen (fietspad van voortuin), maar koop-verkoop overeenkomst
- Geen overheidsonderneming, maar bv. aandelen in ondernemingen of ze
subsidiëren
- Geen ambtenaren aanstellen, maar beroep doen op werknemers




HOOFDSTUK 3. HET INTERNATIONAAL RECHT (3)
1. Het internationaal privaatrecht (IPR)
IPR: recht dat bepaalt welke nationale wetgeving van toepassing is op een
rechtsverhouding met buitenlandse factoren/elementen (Welk recht is van toepassing?)
=> regels die aangeven welk recht van toepassing is
 IPR = nationaal => ieder land kan er verschillende regels op na houden
 Bron in België: Wetboek IPR
 Eenheid (EU): op Europees vlak verdragen afgesloten zodat landen dezelfde
regels hanteren
 Hinkende rechtsrelaties: ongelijke juridische gevolgen in landen zorgen voor
delicate private en professionele gevolgen voor de betrokkenen
Voorbeeld: Polygamie is voor Belgen verboden, maar het IPR kan het voor inwoners van
België wel toelaten
Toepassing van buitenlands rechts is dus mogelijk, MAAR er zijn grenzen: regel strijdig
met de Belgische internationale openbare orde => toepassing geweigerd

2. Het internationaal publiekrecht of volkerenrecht
>>




Relaties tussen landen worden beheerst door contracten: de verdragen
 Publiek recht: verdragen over defensie, …
 Privaat recht: handelsverdragen, IPR-regeling, …
Sluiting van verdragen:
1. Onderhandelen
2. Onderhandelaars tekenen het verdrag (nog niet bindend)
3. Ratificatie: verdrag moet goedgekeurd worden door de bevoegde nationale
instantie (regering, maar moet dus naar parlement)

3. Het Europees recht
>




De nationale bevoegdheden (27) moeten op diepgaande en blijvende wijze
overgedragen worden aan supra-nationale instellingen, die zelf rechtsregels creëren
naast de oorspronkelijke verdrag over oprichting of bevoegdheidsuitbreiding van de
instellingen
1957: Vedrag van Rome: De Europese Economische Gemeenschap: eco.
integratie tussen de lidstaten

,1992: Verdrag van Maastricht: Europese Unie: groeiende Europese samenwerking
op diverse domeinen
De eigen positie van het Europees recht:
 De primauteit of voorrang van het Europees recht: bij conflict tussen een
regel van nationaal recht en een regel van Europees recht, heeft heut Europees
recht voorrang
Bv. als onze (grond)wet strijdig is met Eu.R. dan moet WIJ ONZE (grond)wet
veranderen
 De rechtstreekse of directe werking (DW) van het Europees recht: onder
bepaalde voorwaarden creëert het Eu.R. rechten en plichten voor burgers => elke
burger kan zich beroepen op deze regels van het Eu.R., zelfs tegen nationale
instanties




DEEL II. PUBLIEK RECHT
HOOFDSTUK 1. GRONDPIRINCIPES VAN DE STAATSORDE
1. Historische achtergrond /
2. De rechtsstaat
= dat de staat er is om de burger te dienen, niet om zichzelf te versterken; de
rechtsregels zijn er om de burgers te beschermen tegen andere burgers, de overheid en
buitenlandse inmenging, de rechtstaat heeft als functie deze fundamentele rechten van
de burger te beschermen
Recht op leven, persoonlijke vrijheid, eigendom, vrijheid van godsdienst, vrijheid van
meningsuiting, …
Na WOII: Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM): maakt de
scheiding tussen de fundamentele rechten van de mens en de staat nóg scherper (heeft
directe zerking!)
 Ze bestaan zelfstanding en vóór elke staat, die ze moet respecteren
 Directe werking!
 Enkel in uitzonderlijke & gewettigde omstandigheden kunnen
uitzonderingen/afwijkingen gebeuren

3. De wetstaat
= wanneer een rechtstaat in verdrukking geraakt door een overvloed aan wetgeving
De vroegere burgerlijke vrijheden golden alleen voor de gegoede burgers (witte mannen
met geld) => wetgeving gaf dus geen bescherming aan iedereen => meer wetgeving
voor:
 meer gelijkheid tussen de burgers
 om zwakke partijen in de maatschappij te beschermen
 om meer democratie te brengen
 door: socialezekerheidsrecht en fiscale subsidiëring van onderwijs en huisvesting
worden sociale risico’s opgevangen en armoede bestreden

,  door: belastingen en sociale bijdrage wordt een groot deel van het nationaal
inkomen herverdeeld
 door: steeds meer regels van dwingen recht uit te vaardigen om de zwakke partij
bij contracten te beschermen
Meer en meer en meer wetgeving = te veel => moeten dereguleren (wetten afschaffen)
(lukt niet in praktijk)

4. De drie staatsmachten
1. Wetgevende macht: maakt de regels (verkozen parlement: Vlaams ‘’,
gemeente-, provincieraad,.)
2. Uitvoerende macht: voert regels uit; zorgt voor dagelijks bestuur van de staat
(koning & regering)
3. Rechterlijke macht: past regels toe; beslecht de geschillen (diverse
rechtscolleges)
Grondwet: scheiding der machten: onafhankelijk van elkaar, maar wel samenwerken en
elkaar controleren (anders dictatuur)(op federaal, gemeenschappelijk en gewestelijk
niveau)
 Regering is afhankelijk van parlement voor de belangrijkste beslissingen: budget,
vertrouwen, … => parlement oefent controle uit op de regering
 Koning benoemt rechters
 Rechters kunnen besluiten van de uitvoerende macht niet toepassen als in strijd
met (grond)wet
"Nieuwe Politieke Cultuur" bereiken door structurele veranderingen => bv. (na Dutroux
zaak) Hoge Raad voor Justitie opgericht: voorstellen & opleiden van rechters, het geven
van adviezen over de werking van de rechterlijke macht, en het behandelen van klachten
en onderzoeken naar de rechtspraak

MACHT INSTELLING BEVOEGDHEID
Wetgevende macht Parlement (en koning) -maken van wetten
-controleren van
uitvoerende macht
-recht van onderzoek
Uitvoerende macht Koning en regering -wetten uitvoeren
-het land leiden
-staatsapparaat beheren
-rechters benoemen
Rechterlijke macht De hoven en rechtbanken -wetgeving toepassen:
geschillen beslechten
-wetgevende en
uitvoerende macht
controleren (kunnen we
nietig verklaren)
<




5. Democratisch beginsel
= dat de wetgevende macht uitgevoerd wordt door rechtsreeks uitgekozenen van het
volk (stemmen)
p alle niveaus: federale parlement, de raden van de gemeenschappen en gewesten, de
provincieraad en de gemeenteraad => hebben dan ook de volheid van bevoegdheid op
hun niveau

Inhoudsopgave

  1. 01 DEEL I. INLEIDING 1
    1. HOOFDSTUK 1. WAT IS RECHT? 1
    2. 1. Definitie van het recht 1
    3. HOOFDSTUK 2. INDELING VAN HET NATIONAAL RECHT 1
    4. § 1. HET ONDERSCHEID PRIVAAT-PUBLIEK RECHT 1
    5. 1. Belang van het onderscheid 1
    6. 2. Het privaatrecht (3) 1
    7. 3. Het publiekrecht (5) 2
    8. § 2. HET ONDERSCHEID + RELATIVERING 2
    9. 1. Relevantie van het onderscheid 2
    10. 2. Relativiteit 3
    11. 3. Overlapping in concrete praktische problemen 3
    12. 4. Privaatrechtelijke technieken 3
    13. HOOFDSTUK 3. HET INTERNATIONAAL RECHT (3) 4
    14. 1. Het internationaal privaatrecht (IPR) 4
    15. 2. Het internationaal publiekrecht of volkerenrecht 4
    16. 3. Het Europees recht 4
  2. 02 DEEL II. PUBLIEK RECHT 5
    1. HOOFDSTUK 1. GRONDPIRINCIPES VAN DE STAATSORDE 5
    2. 1. Historische achtergrond / 5
    3. 2. De rechtsstaat 5
    4. 3. De wetstaat 5
    5. 4. De drie staatsmachten 6
    6. 5. Democratisch beginsel 6
    7. HOOFDSTUK 2. DE SUPRANATIONALE RECHTSORDE 7
    8. § 1. VAN EEG NAAR EUROPESE UNIE 7
    9. § 2. DE POLITIEKE INSTELLINGEN VAN DE EU 7
    10. 1. Het Europees parlement 7
    11. 2. De Raad van de Europese Unie 7
    12. 3. De Europese Raad 8
    13. 4. De Europese Commissie 8
    14. 5. De Hoge Vertegenwoordiger 8
    15. 6. De Europese normen 8
    16. 7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie 9
    17. HOOFDSTUK 3. DE INTERNATIONALE RECHTSORDE 10
    18. 1. De Verenigde Naties 10
    19. 2. De Raad van Europa 10
    20. HOOFDSTUK 4. DE FEDERALE POLITIEKE INSTELLINGEN 11
    21. § 1. DE ZESDE STAATSHERVORMING / 11
    22. § 2. HET FEDERALE PARLEMENT 11
    23. 1. Samenstelling 11
    24. 2. Bevoegdheden 11
    25. 3. Hoe komt een wet tot stand? 12
    26. 4. Controle op de regering (zie hierboven) 13
    27. § 3. DE FEDERALE REGERING 13
    28. 1. Koning en regering 13
    29. 2. Samenstelling 13
    30. 3. Structuur 13
    31. 4. Bevoegdheden van de Koning als tak van de wetgevende macht 13
    32. 5. Bevoegdheden van de Koning als hoofd van de uitvoerende macht / 13
    33. 6. De rechtsnormen 13
    34. § 4. WEDERZIJDSE CONTROLE EN ONAFHANKELIJKHEID / 14
    35. HOOFDSTUK 5. DE GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN 14
    36. § 1. HET FEDERALISME 14
    37. § 2. DE INSTELLINGEN 14
    38. HOOFDSTUK 6. HET LOKAAL NIVEAU 15
    39. § 1. DE PROVINCIES 15
    40. § 2. DE GEMEENTEN 15
    41. § 3. INTERCOMMUNALE SAMENWERKINGSVERBANDEN 16
    42. 1. Definitie 16
    43. 2. Soorten 16
    44. § 4. ADMINISTRATIEF TOEZICHT / 16
  3. 03 DEEL III. BRONNEN VAN HET RECHT 16
    1. HOOFDSTUK 1. DE WET 16
    2. § 1. WETSBEGRIP 16
    3. § 2. DE HIERARCHIE VAN DE WETTEN 16
    4. 1. Noodzaak van hiërarchie en autonomie 16
    5. 2. Schematisch overzicht 17
    6. 3. De hiërarchie 17
    7. HOOFDSTUK 2. DE ANDERE BRONNEN VAN HET RECHT 20
    8. § 1. DE RECHTSPRAAK 20
    9. 1. De rechter als slaaf van de wet 20
    10. 2. Het groeiende belang van de rechterlijke macht 20
    11. § 2. HET GEWOONTERECHT 21
    12. § 3. ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN 21
    13. 1. Wat zijn algemene beginselen 21
    14. 2. Het verbod van rechtsmisbruik 21
    15. § 4. DE RECHTSLEER 21
    16. HOOFDSTUK 3. GRONDWETTELIJKE HOVEN EN CONTROLERENDE INSTELLINGEN 22
    17. § 1. EEN OVERZICHT 22
    18. § 2. HET GRONDWETTELIJK HOF 22
    19. 1. Recente oprichting 22
    20. 2. De samenstelling 22
    21. 3. De bevoegdheid 23
    22. 4. Procedure 23
    23. § 3. DE RAAD VAN STATE 23
    24. 1. Functie 23
    25. 2. Afdeling wetgeving 24
    26. 3. Afdeling bestuursrechtspraak 24
    27. § 4. HET REKENHOF 25
    28. HOOFDSTUK 4. INDELING VAN RECHTEN 25
    29. 1. Subjectief recht 25
    30. 2. Overzicht van de verschillende soorten subjectieve rechten 25
    31. 3. Rechtsfeiten 26
    32. 4. Rechtshandelingen 26
    33. 5. Plechtige of vormelijke rechtshandelingen 26
  4. 04 DEEL IV. GERECHTELIJK RECHT 27
    1. HOOFDSTUK 1. ENKELE ALGEMENE BEGINSELEN 27
    2. § 1. BEVOEGDHEID 27
    3. § 2. TOELAATBAARHEID / 27
    4. § 3. RECHT OP HOGER BEROEP 27
    5. § 4. BEROEPS- EN LEKENRECHTERS 27
    6. § 5. DE EENHEID VAN RECHTSPRAAK 27
    7. 1. Cassatie 27
    8. 2. Andere hoven 28
    9. § 6. DE TAAK VAN DE RECHTER 28
    10. § 7. HET OPENBAAR MINISTERIE OF HET ‘PARKET’ 28
    11. § 8. DE GERECHTELIJKE HERVORMING 29
    12. HOOFDSTUK 2. DE RECHTSCOLLEGES 29
    13. § 1. DE BURGERLIJKE RECHTSCOLLEGES (7) 29
    14. 1. De Vrederechter 29
    15. 2. De politierechtbank 30
    16. 3. Rechtbank van eerste aanleg 30
    17. 4. De ondernemingsrechtbank (of rechtbank van koophandel) 30
    18. 5. De arrondissementsrechtbank 30
    19. 6. Het hof van beroep 30
    20. 7. Het Hof van Cassatie zie boven 30
    21. § 2. SOCIALE ZAKEN 31
    22. 1. De Arbeidsrechtbank 31
    23. 2. Het Arbeidshof (5) 31
    24. 3. Het Hof van Cassatie 31
    25. § 3. MISDRIJVEN 31
    26. 1. De politierechter zie boven 31
    27. 2. De correctionele rechtbank 31
    28. 3. Hof van Beroep 31
    29. 4. Hof van Assisen 31
    30. 5. Hof van Cassatie 32
    31. § 4. FISCALE ZAKEN 32
    32. 1. De fiscale rechtbank 32
    33. 2. Het Hof van Beroep 32
    34. HOOFDSTUK 3. DE GERECHTELIJKE PROCEDURE 32
    35. § 1. VERLOOP VAN DE GERECHTELIJKE PROCEDURE 32
    36. 1. Rechtsingang 32
    37. 2. Inleidende zitting 32
    38. 3. Conclusies 32
    39. 4. Pleidooi 32
    40. 5. Vonnis 33
    41. 6. Medewerkers van het gerecht 33
    42. 7. Kosten en juridische bijstand / 33
    43. 8. Termijnen / 33
    44. § 2. RECHTSMIDDELEN 33
    45. 1. Het gezag van gewijsde 33
    46. 2. Het beroep 33
    47. 3. Het verzet 34
    48. 4. Cassatieberoep 34
    49. § 3. KORT GEDING 34
    50. 1. Wat is kort geding? 34
    51. 2. Bevoegdheid van de rechter in kort geding 34
    52. § 4. ARBITRAGE 34
    53. § 5. DE UITVOERING 35
    54. 1. Uitvoerend beslag 35
    55. 2. Bewarend beslag 35
    56. 3. Kantonnement 35
    57. 4. Dwangsom 36
    58. 5. Belangrijk voor de praktijk / 36
    59. 6. Faillissement zie later 36
    60. 7. Preventiefase en gerechtelijke reorganisatie zie later 36
    61. 8. Collectieve schuldenregeling 36
    62. § 6. DE POSITIE VAN DE BENADEELDE IN HET RECHT 36
    63. 1. Belang in de praktijk / 36
    64. 2. Verschillende rechters 36
    65. 3. De voorrang van de strafprocedure 37
    66. 4. Het initiatief 37
    67. 5. Schematisch overzicht / 37
    68. HOOFDSTUK 4. BEWIJSRECHT 38
    69. § 1. DE BEWIJSLAST 38
    70. 1. Eerste regel: De rechter blijft passief 38
    71. 2. Tweede regel: Wie beweert, moet bewijzen 38
    72. 3. Derde regel: Alleen feiten en rechtshandelingen moeten worden bewezen 38
    73. § 2. HET SCHRIFTELIJK BEWIJS 39
    74. 1. Belang van het schriftelijk bewijs 39
    75. 2. Uitzonderingen zie boven 39
    76. 3. De authentieke akte 39
    77. 4. De onderhandse akte 40
    78. 5. Het begin van schriftelijk bewijs 41
    79. 6. De advocatenakte 41
    80. 7. De niet ondertekende documenten 42
    81. § 3. HET GETUIGENBEWIJS 42
    82. § 4. DE VERMOEDENS 42
    83. 1. Wat zijn vermoedens? 42
    84. 2. Wettelijke vermoedens zie boven 43
    85. 3. Feitelijke vermoedens zie boven 43
    86. § 5. DE BEKENTENIS 43
    87. § 6. HET DESKUNDIGENONDERZOEK 43
    88. § 7. HET VERHOOR VAN DE PARTIJEN 43
    89. § 8. DE PLAATSOPNEMING 43
    90. § 9. BEWIJS IN ONDERNEMINGSZAKEN zie later 44
  5. 05 DEEL V. GOEDEREN- EN ZAKENRECHT 45
    1. HOOFDSTUK 1. INDELING VAN DE GOEDEREN 45
    2. § 1. LICHAMELIJKE EN ONLICHAMELIJKE GOEDEREN 45
    3. § 2. ROERENDE EN ONROERENDE GOEDEREN 45
    4. 1. Een voorbijgestreefd onderscheid? / 45
    5. 2. Onroerende goederen zie onder 45
    6. 3. Roerende goederen zie onder 45
    7. § 3. GEBRUIKS- EN VERBRUIKSGOEDEREN 45
    8. § 4. DOMEINGOEDEREN (OF OVERHEIDSGOEDEREN° 45
    9. § 5. ZELFSTANDIGE ZAKELIJKE RECHTEN EN ZAKELIJKE ZEKERHEIDSRECHTEN 46
    10. HOOFDSTUK 2. ZELFSTANDIGE ZAKELIJKE RECHTEN 46
    11. § 1. DE KENMERKEN VAN HET ZAKELIJK RECHT 46
    12. § 2. HET EIGENDOMSRECHT 46
    13. 1. Begrip en inhoud 46
    14. 2. Verwerven van eigendom 47
    15. 3. Bezit en verjaring 47
    16. 4. Beperkingen van het eigendomsrecht 48
    17. 5. Mede-eigendom 49
    18. § 3. HET VRUCHTGEBRUIK 49
    19. § 4. DE ERFPACHT / 50
    20. § 5. HET RECHT VAN OPSTAL 50
    21. HOOFDSTUK 3. DE ZAKELIJKE ZEKERHEDEN 50
    22. § 1. DE ZEKERHEDEN IN HET ALGEMEEN 50
    23. 1. De functie van zekerheden 50
    24. 2. Soorten zekerheden 50
    25. § 2. DE VOORRECHTEN zie boven 51
    26. § 3. DE HYPOTHEKEN 51
    27. § 4. HET PAND 52
  6. 06 DEEL VII. DE VERBINTENISSEN 52
    1. HOOFDSTUK 1. DE VERBINTENISSEN. ALGEMEEN. 52
    2. § 1. WAT IS EEN VERBINTENIS? 52
    3. § 2. VERBINTENISSENRECHT EN ZAKENRECHT 52
    4. § 3. TUSSEN RECHT EN MORAAL / 52
    5. § 4. DE BRONNEN VAN VERBINTENISSEN 52
    6. § 5. SOORTEN VERBINTENISSEN 53
    7. HOOFDSTUK 2. DE OVEREENKOMST 54
    8. § 1. WAT IS EEN OVEREENKOMST? 54
    9. § 2. SOORTEN OVEREENKOMSTEN 54
    10. HOOFDSTUK 3. DE GRONDBEGINSELEN (3) EN DE INTERPRETATIE VAN OV’EN 55
    11. § 1. DE WILSAUTONOMIE (contractsvrijheid) 55
    12. § 2. DE BINDENDE KRACHT VAN DE OVEREENKOMST 55
    13. § 3. DE GOEDE TROUW 55
    14. § 4. DE INTERPRETATIE VAN DE OVEREENKOMSTEN 56
    15. HOOFDSTUK 4. GELDIGHEIDSVOORWAARDEN VAN DE OVEREENKOMST (4) 56
    16. § 1. DE TOESTEMMING 56
    17. § 2. BEKWAAMHEID 58
    18. § 3. VOORWERP 59
    19. § 4. OORZAAK 59
    20. HOOFDSTUK 5. HET ONTSTAAN VAN DE OVEREENKOMST 59
    21. § 1. HET AANBOD 59
    22. § 2. DE AANVAARDING 60
    23. § 3. DE PRECONTRACTUELE OF BUITENCONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEID 60
    24. HOOFDSTUK 6. DE UITVOERING VAN DE OVEREENKOMST 60
    25. § 1. DE VRIJWILLIGE UITVOERING 60
    26. 1. De contractuele vrijheid primeert 60
    27. 2. Wie moet uitvoeren? 60
    28. 3. Tegenover wie moet worden uitgevoerd? 61
    29. 4. Wat moet worden uitgevoerd? 61
    30. 5. Waar moet worden uitgevoerd? 61
    31. 6. Wanneer moet worden uitgevoerd? 61
    32. § 2. DE VOORWAARDEN VOOR DE CONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEID zie hieronder 61
    33. § 3. GEDWONGEN UITVOERING zie hieronder 61
    34. § 4. DE ONTBINDING VAN DE OVEREENKOMST 62
    35. § 5. DE EXONERATIECLAUSULE OF HET VRIJWARINGSBEDING 63
    36. HOOFDSTUK 7. DERDEN EN DE OVEREENKOMST 63
    37. § 1. DE RELATIVITEIT VAN OVEREENKOMSTEN 63
    38. § 2. UITZONDERINGEN OP DE RELATIVITEIT VAN OVEREENKOMSTEN 63
    39. § 3. DE TEGENWERPELIJKHEID VAN OVEREENKOMSTEN 64
    40. 1. Het principe 64
    41. HOOFDSTUK 8. TENIETGAAN VAN OVEREENKOMSTEN 64
    42. § 1. ALGEMEEN / 64
    43. § 2. NIETIGHEID 64
    44. § 3. ONTBINDING 64
    45. § 4. EENZIJDIGE OPZEGGING 64
    46. § 5. DE UITVOERING 64
    47. § 6. SCHULDVERNIEUWING 65
    48. § 7. SCHULDVERGELIJKING 65
    49. § 8. SCHULDVERMENGING 65
    50. § 9. BEVRIJDENDE VERJARING 65
  7. 07 DEEL VII. DE BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN 65
    1. HOOFDSTUK 1. DE KOOP-VERKOOP 65
    2. § 1. DEFINITIE 65
    3. HOOFDSTUK 2. DE HUUROVEREENKOMST 65
    4. § 1. WAT IS HUUR? 65
    5. HOOFDSTUK 3. DE VOORNAAMSTE ANDERE OVEREENKOMSTEN 66
    6. § 1. HUURKOOP OF LEASING 66
    7. § 2. BEWAARGEVING / 66
    8. § 3. DADING 66
    9. § 4. AANNEMING 66
    10. § 5. LASTGEVING 66
    11. § 6. DE PERSOONLIJKE ZEKERHEDEN 66
  8. 08 DEEL VIII. DE ONRECHTMATIGE DAAD OF FOUTAANSPRAKELIJKHEID 67
    1. HOOFDSTUK 1. BEGRIPPEN EN ALGEMENE REGELEN 68
    2. § 1. ONDERNEMINGSRECHT 68
    3. § 2. HET BEGRIP ‘ONDERNEMING’ 69
    4. § 3. HET BEGRIP ‘HANDELSFONDS’ OF ‘HANDELSZAAK’ 69
    5. § 4. HET VERSCHIL TUSSEN BURGERLIJK RECHT EN ONDERNEMINGSRECHT 70
    6. § 5. DE FACTUUR 71
    7. § 6. DE BOEKHOUDING 72
    8. § 7. DE BEVOEGDE RECHTBANK VOOR ONDERNEMINGEN: DE ONDERNEMINGSRECHTBANK 72
    9. § 8. START VAN EEN ONDERNEMINGSACTIVITEIT 73
    10. § 9. DE ONBESLAGBAARHEID VAN DE GEZINSWONING 75
    11. § 10. ZWARTWERK EN VERBOD OP ZWARTWERK 75
    12. HOOFDSTUK 2. HANDELSOVEREENKOMSTEN 76
    13. § HET FAILLISSEMENTSRECHT OF INSOLVENTIERECHT 79

Documentinformatie

Geüpload op
13 januari 2025
Aantal pagina's
86
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€10,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
laragreco
1,0
(1)
Verkocht
7
Volgers
0
Items
9
Laatst verkocht
2 maanden geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen