Hoofdstuk 7 – systeemdenken :
Situering :
= 1970
- Vooral geïnspireerd door manier van kijken in de natuurwetenschappen
- Systeemmethode = gezins- en relatietherapie
Vroegere tijden zijn allang voorbij -> oma’s met kanariepietje , als er een gaslek
was in huis viel dat kanariepietje dood dus daardoor wisten ze dat er iets mis
was.
Elk gezin heeft z’n eigen kanariepietje ( elk gezin heeft ieder zijn
problemen )
Definitie systemen :
Een systeem is een samenstel van elementen dat als geheel functioneert door de
onderlinge afhankelijkheid van de elementen en dat voor de betrokken
elementen bepaalde functies vervult.
Systemen :
=Systeem
Wij vallen niet samen met de buitenwereld als
gezinssysteem (niet alles wat er in het gezin wordt
verteld of gebeurd, gaat naar buiten)
Sociale systemen zijn altijd open systemen (invloed
van buiten naar binnen, van binnen naar buiten)
Gezinssysteem is de grote noemer, maar in een
systeem zitten er nog subsystemen (kleine
deeltjes)
=Partnersubsysteem (ouders)
=Kindersubsysteem (broers en zussen)
Generatielijn ( zwarte lijn int miden) :
Vaak zitten er nog grenzen tussen de
subsystemen in.
= Sommige kinderen ‘wippen’ over de generatielijn en
vormt zo een systeem met haar mama
Mama heeft geen controle over de opvoeding meer
, = Watzlawick beschrijft systeem als: ‘Een aantal objecten, samen met relaties
tussen die objecten en hun attributen’.
Objecten:
- elementen van het systeem
- niet individuen maar individuen die communiceren met andere individuen
- Attributen: eigenschappen van die elementen
- Relaties: maken systeem samenhangend
Het systeemdenken gaat ervan uit dat we een mens pas kunnen begrijpen als we
rekening houden met zijn relaties en context.
Minder het verleden bekijken dan andere theorieën
Een samenleving is opgebouwd uit verschillende sociale systemen (gezin, school,
jeugdbeweging, samenleving.
Hier gebruikt de visie duidelijk een paradigmashift=verbreding van onze
horizon, onze blik: ‘Welke factoren kunnen een rol spelen die ons helpen
begrijpen waarom sommige mensen in de knoei raken?'
Vertrekpunt in het systeemdenken:
= ‘Wie (gezin, ouder, hulpverlener, oma,...) komt met wat (welke klacht)
net nu (waarom niet gisteren, waarom niet volgende week, waarom nu?)
Kenmerken:
Totaliteit Gestalt :
Als er 1 deel van het systeem verandert , verandert het ander deel
van het systeem en het systeem in zijn totaliteit
Bvb: je slaat tegen 1 van deze draadjes hierboven , dan begint de
hele mobiel te bewegen.
Een ene beweging heeft een invloed op de andere deel ( zijn
allemaal verboden met elkaar)
Gezin-> bvb: scheiding , ouders die sterven ( of 1 iemand )
Op kot gaan ( de draadjes zijn constant / vollebak aan het bewegen) -> de
beweging is cruciaal ( moet bewegen / moet groeien en evolueren )
Integraal complex:
= Een vorm van holistisch denken (Je gaat met verschillende factoren rekening
houden.)
In deze benadering is er oog voor de context, het kleinste detail krijgt
betekenis.
Alle elementen zijn ‘in netwerken van relaties’ verbonden
Contextueel:
Contextueel -> alles wat op en rond een systeem zit.
Bv: gezin -> het werk dat iemand doet / huisvesting ( iemand die opgroeit in een
aapewoning of een nieuw huis in een rustige stad ) / opleiding die de ouders
hebben gedaan of hun geloof.
Situering :
= 1970
- Vooral geïnspireerd door manier van kijken in de natuurwetenschappen
- Systeemmethode = gezins- en relatietherapie
Vroegere tijden zijn allang voorbij -> oma’s met kanariepietje , als er een gaslek
was in huis viel dat kanariepietje dood dus daardoor wisten ze dat er iets mis
was.
Elk gezin heeft z’n eigen kanariepietje ( elk gezin heeft ieder zijn
problemen )
Definitie systemen :
Een systeem is een samenstel van elementen dat als geheel functioneert door de
onderlinge afhankelijkheid van de elementen en dat voor de betrokken
elementen bepaalde functies vervult.
Systemen :
=Systeem
Wij vallen niet samen met de buitenwereld als
gezinssysteem (niet alles wat er in het gezin wordt
verteld of gebeurd, gaat naar buiten)
Sociale systemen zijn altijd open systemen (invloed
van buiten naar binnen, van binnen naar buiten)
Gezinssysteem is de grote noemer, maar in een
systeem zitten er nog subsystemen (kleine
deeltjes)
=Partnersubsysteem (ouders)
=Kindersubsysteem (broers en zussen)
Generatielijn ( zwarte lijn int miden) :
Vaak zitten er nog grenzen tussen de
subsystemen in.
= Sommige kinderen ‘wippen’ over de generatielijn en
vormt zo een systeem met haar mama
Mama heeft geen controle over de opvoeding meer
, = Watzlawick beschrijft systeem als: ‘Een aantal objecten, samen met relaties
tussen die objecten en hun attributen’.
Objecten:
- elementen van het systeem
- niet individuen maar individuen die communiceren met andere individuen
- Attributen: eigenschappen van die elementen
- Relaties: maken systeem samenhangend
Het systeemdenken gaat ervan uit dat we een mens pas kunnen begrijpen als we
rekening houden met zijn relaties en context.
Minder het verleden bekijken dan andere theorieën
Een samenleving is opgebouwd uit verschillende sociale systemen (gezin, school,
jeugdbeweging, samenleving.
Hier gebruikt de visie duidelijk een paradigmashift=verbreding van onze
horizon, onze blik: ‘Welke factoren kunnen een rol spelen die ons helpen
begrijpen waarom sommige mensen in de knoei raken?'
Vertrekpunt in het systeemdenken:
= ‘Wie (gezin, ouder, hulpverlener, oma,...) komt met wat (welke klacht)
net nu (waarom niet gisteren, waarom niet volgende week, waarom nu?)
Kenmerken:
Totaliteit Gestalt :
Als er 1 deel van het systeem verandert , verandert het ander deel
van het systeem en het systeem in zijn totaliteit
Bvb: je slaat tegen 1 van deze draadjes hierboven , dan begint de
hele mobiel te bewegen.
Een ene beweging heeft een invloed op de andere deel ( zijn
allemaal verboden met elkaar)
Gezin-> bvb: scheiding , ouders die sterven ( of 1 iemand )
Op kot gaan ( de draadjes zijn constant / vollebak aan het bewegen) -> de
beweging is cruciaal ( moet bewegen / moet groeien en evolueren )
Integraal complex:
= Een vorm van holistisch denken (Je gaat met verschillende factoren rekening
houden.)
In deze benadering is er oog voor de context, het kleinste detail krijgt
betekenis.
Alle elementen zijn ‘in netwerken van relaties’ verbonden
Contextueel:
Contextueel -> alles wat op en rond een systeem zit.
Bv: gezin -> het werk dat iemand doet / huisvesting ( iemand die opgroeit in een
aapewoning of een nieuw huis in een rustige stad ) / opleiding die de ouders
hebben gedaan of hun geloof.