Algemene Biologie en
Weefselleer
2. De Nucleus
= De plaats waar de info over alle celstructuren en activiteiten gecodeerd
ligt in het DNA van de chromosomen
Functies:
- Geen eiwitproductie, enkel eiwitimport
- DNA replicatie: synthese + verwerking van 3 types RNA: rRNA,
mRNA, tRNA
Vorm: Meestal centrale ligging, rond of uitgerokken => vorm van de
kern verraadt vorm van de cel
Componenten:
- Nucleaire enveloppe (= dubbele membraan)
- Chromatine
- Nucleolus: hier zit de info om ribosomaal RNA te synthetiseren
(rRNA)
- Nucleaire matrix = cytoplasma -> cytosol
Donkere plekken = nucleoli
De nucleaire enveloppe
= Twee membranen gescheiden door nauwe ruimte (de perinucleaire
cisterna)
Kenmerken:
- In contact met het RER
, - Fibreuze lamina aan de binnenzijde
(lamine A, B, C)
- Chromosomen in contact met fibreuze
lamina bij niet-delende cellen
- Nucleaire poriën: fusie van beide
membranen met een 8-hoekig eiwit
Zorgen voor het transport:
Ionen en kleine diameter hebben vrije doorgang
Grote diameter via receptors en ATP-verbruik
Chromatine
= chromosomen in een niet sterk gecondenseerde vorm
- Heterochromatine (HC) vs. Euchromatine (EC)
Hetero = sterker gewonden, euchromatine = minder gewonden
- Histonen: gewonden DNA-streng rond basisch eiwit
- Basisstructuur = nucleosoom
- Ruimtelijke ordening ifv condensatie tot meiose of mitose-
chromosoom
- Veel euchromatine (licht gekleurde kern) => meer DNA
oppervlakte bereikbaar => hogere transcriptie-activiteit
Nucleolus
= Bolvormige structuur, rijk aan eiwitten en rRNA
Regio’s:
- Nucleolair organizer DNA: basen die coderen voor rRNA
- Pars fibrosa: primary transcripts van rRNA genen
- Pars granulosa: rijpende ribosomen, inbouw van eiwitten
(ribosomen worden gevormd in de nucleolus)
Functie:
- Kleine en grote ribosomale subeenheden worden gevormd en
verlaten de kern via de nucleaire poriën
Nucleaire matrix
Weefselleer
2. De Nucleus
= De plaats waar de info over alle celstructuren en activiteiten gecodeerd
ligt in het DNA van de chromosomen
Functies:
- Geen eiwitproductie, enkel eiwitimport
- DNA replicatie: synthese + verwerking van 3 types RNA: rRNA,
mRNA, tRNA
Vorm: Meestal centrale ligging, rond of uitgerokken => vorm van de
kern verraadt vorm van de cel
Componenten:
- Nucleaire enveloppe (= dubbele membraan)
- Chromatine
- Nucleolus: hier zit de info om ribosomaal RNA te synthetiseren
(rRNA)
- Nucleaire matrix = cytoplasma -> cytosol
Donkere plekken = nucleoli
De nucleaire enveloppe
= Twee membranen gescheiden door nauwe ruimte (de perinucleaire
cisterna)
Kenmerken:
- In contact met het RER
, - Fibreuze lamina aan de binnenzijde
(lamine A, B, C)
- Chromosomen in contact met fibreuze
lamina bij niet-delende cellen
- Nucleaire poriën: fusie van beide
membranen met een 8-hoekig eiwit
Zorgen voor het transport:
Ionen en kleine diameter hebben vrije doorgang
Grote diameter via receptors en ATP-verbruik
Chromatine
= chromosomen in een niet sterk gecondenseerde vorm
- Heterochromatine (HC) vs. Euchromatine (EC)
Hetero = sterker gewonden, euchromatine = minder gewonden
- Histonen: gewonden DNA-streng rond basisch eiwit
- Basisstructuur = nucleosoom
- Ruimtelijke ordening ifv condensatie tot meiose of mitose-
chromosoom
- Veel euchromatine (licht gekleurde kern) => meer DNA
oppervlakte bereikbaar => hogere transcriptie-activiteit
Nucleolus
= Bolvormige structuur, rijk aan eiwitten en rRNA
Regio’s:
- Nucleolair organizer DNA: basen die coderen voor rRNA
- Pars fibrosa: primary transcripts van rRNA genen
- Pars granulosa: rijpende ribosomen, inbouw van eiwitten
(ribosomen worden gevormd in de nucleolus)
Functie:
- Kleine en grote ribosomale subeenheden worden gevormd en
verlaten de kern via de nucleaire poriën
Nucleaire matrix