Unidad 7: Así es la vida = Dit is het leven
Het dagelijks leven beschrijven Describir la vida diaria
Nationaliteit aangeven Decir la nacionalidad
Frequentie en duur uitdrukken Expresar frecuencia y duración
Over het verleden praten Hablar del pasado
Over plannen praten Hablar de planes
Tegenwoordig is de computer een Hoy en día el ordenador es un elemento
onmisbaar werkelement. de trabajo indispensable.
Sommige mannen delen al het Algunos hombres ya comparten el
huishoudelijk werk. trabajo de casa.
Veel mensen kopen liever verse Mucha gente prefiere comprar los
producten op de markt. productos frescos en el mercado.
In de grote steden zijn er nog steeds En las ciudades grandes existen todavía
schoenschoonmakers. limmpiabotas.
Op zondag gaan mensen chocolade Los domingos gente sale a tomar
drinken met churros, een heerlijke chocolate con churros, una especialidad
specialiteit. deliciosa.
Zowel het lezen van de krant als het Tanto la lectura del periódico como ir a
gaan kopen in de kiosk zijn dagelijkse comprarlo al quiosco son actvidades
activiteiten. cotidianas.
A. Las cosas de todos los días = De dingen van elke dag
Een dag in je leven Un día en su vida
Hoe laat staat het op? ¿A qué hora se levanta?
Voor 7 uur Antes de las 7
Tussen 7 en 8 uur Entre las 7 y las 8
Na 8 uur Después de las 8
Hoe begint de dag? ¿Cómo empieza el día?
Ik douch Me ducho
Ik doe gymnastiek Hago gimnasia
Ik drink koffie Tomo un café
Hoe ga je naar het werk? ¿Cómo va al trabajo?
Met de auto En coche
Met de metro / bus / tram En metro/ autobús/ tranvía
Te voet A pie
Hoe werk je het liefst? ¿Cómo prefiere trabajar?
1
, Allen. Ik concentreer me beter. Solo/-a. Me concentro mejor.
In een groep Als ik alleen werk, verveel En grupo. Si trabajo solo/-a aburro
ik me
Het hangt van het werk af Depende del trabajo
Wat doe je na het werk? ¿Qué hace después del trabajo?
Ik ontmoet mijn vrienden Me encuentro con mis amigos
Ik ga winkelen Salgo a hacer las compras
Ik blijf thuis en ontspan Me quedo en casa y me relajo
Hoe laat ga je naar bed? ¿A qué hora se acuesta?
Werkwoorden op -se
Werkwoorden met -se zijn wederkerige werkwoorden. Vaak kan met ‘se’ met zich
vertalen. Bv. ducharse = zich douchen
Yo me ducho
tú te duchas
él/ella, usted se ducha
nosotros/-as nos duchamos
vosotros/-as os ducháis
ellos, ellas, ustedes se duchan
Primero = eerste Del trabajo
Después = daarna antes = voor De ir al trabajo
Luego = dan después = na Del desayuno
Al final = laatste De desayunar
Opstaan Levantarse
Ontbijten Desayunar
Kennis maken met Reunirse con sus
Gebruiken Emplear
Vervelen Aburrirse
Klanten ontmoeten Encontrarse con clientes
Lunchen Almorzar
Concentreren Concentrarse
Ontspannen Relajarse
Gaan liggen (naar bed) Acostarse
2
Het dagelijks leven beschrijven Describir la vida diaria
Nationaliteit aangeven Decir la nacionalidad
Frequentie en duur uitdrukken Expresar frecuencia y duración
Over het verleden praten Hablar del pasado
Over plannen praten Hablar de planes
Tegenwoordig is de computer een Hoy en día el ordenador es un elemento
onmisbaar werkelement. de trabajo indispensable.
Sommige mannen delen al het Algunos hombres ya comparten el
huishoudelijk werk. trabajo de casa.
Veel mensen kopen liever verse Mucha gente prefiere comprar los
producten op de markt. productos frescos en el mercado.
In de grote steden zijn er nog steeds En las ciudades grandes existen todavía
schoenschoonmakers. limmpiabotas.
Op zondag gaan mensen chocolade Los domingos gente sale a tomar
drinken met churros, een heerlijke chocolate con churros, una especialidad
specialiteit. deliciosa.
Zowel het lezen van de krant als het Tanto la lectura del periódico como ir a
gaan kopen in de kiosk zijn dagelijkse comprarlo al quiosco son actvidades
activiteiten. cotidianas.
A. Las cosas de todos los días = De dingen van elke dag
Een dag in je leven Un día en su vida
Hoe laat staat het op? ¿A qué hora se levanta?
Voor 7 uur Antes de las 7
Tussen 7 en 8 uur Entre las 7 y las 8
Na 8 uur Después de las 8
Hoe begint de dag? ¿Cómo empieza el día?
Ik douch Me ducho
Ik doe gymnastiek Hago gimnasia
Ik drink koffie Tomo un café
Hoe ga je naar het werk? ¿Cómo va al trabajo?
Met de auto En coche
Met de metro / bus / tram En metro/ autobús/ tranvía
Te voet A pie
Hoe werk je het liefst? ¿Cómo prefiere trabajar?
1
, Allen. Ik concentreer me beter. Solo/-a. Me concentro mejor.
In een groep Als ik alleen werk, verveel En grupo. Si trabajo solo/-a aburro
ik me
Het hangt van het werk af Depende del trabajo
Wat doe je na het werk? ¿Qué hace después del trabajo?
Ik ontmoet mijn vrienden Me encuentro con mis amigos
Ik ga winkelen Salgo a hacer las compras
Ik blijf thuis en ontspan Me quedo en casa y me relajo
Hoe laat ga je naar bed? ¿A qué hora se acuesta?
Werkwoorden op -se
Werkwoorden met -se zijn wederkerige werkwoorden. Vaak kan met ‘se’ met zich
vertalen. Bv. ducharse = zich douchen
Yo me ducho
tú te duchas
él/ella, usted se ducha
nosotros/-as nos duchamos
vosotros/-as os ducháis
ellos, ellas, ustedes se duchan
Primero = eerste Del trabajo
Después = daarna antes = voor De ir al trabajo
Luego = dan después = na Del desayuno
Al final = laatste De desayunar
Opstaan Levantarse
Ontbijten Desayunar
Kennis maken met Reunirse con sus
Gebruiken Emplear
Vervelen Aburrirse
Klanten ontmoeten Encontrarse con clientes
Lunchen Almorzar
Concentreren Concentrarse
Ontspannen Relajarse
Gaan liggen (naar bed) Acostarse
2