Methoden om lichaamssamenstelling, cardiovasculaire
en metabole functie in kinderen en adolescenten in
kaart te brengen
Bij kinderen en adolescenten heel belangrijk om zo laag mogelijk risicoprofiel te hebben! Anders heel
slecht naar de volwassen fase toe.
Lichaamssamenstelling
- In principe zijn dit meestal heel eenvoudige methodes
o BMI
Niet zoals bij volwassenen
Het gaat hier over percentielen en z-scores, groeicurves
Eenvoudige methode, maar heeft ook zijn tekortkomingen
o Waist en huidplooien meten
Waist meten thv de navel
Voor zowel meisjes als jongens de rode draad en de meest
determinerende factor
Bij vrouwen door hyperfactor iets adequater
De component die het meest gecorreleerd is met risicofactoren
Wanneer bij mannen de waist toeneemt, wordt er meer visceraal vet
gezet en dat geeft meer cardiovaculair risico en risico voor
insulineresistentie (minder zo voor vrouwen).
Huidplooimethode
Veel verschillende: 8 punt – 10 punt
Hoe meer je dit kan sommeren, hoe beter je de densiteit kan
bepalen
Je meet en die huidplooimeting geeft je een densiteitscomponent en
vanuit dit kan je de vetmassa gaan berekenen
Hoe meer punten je hebt, hoe betrouwbaarder het wordt
Bij iemand die obesitas heeft, zijn de punten minder betrouwbaar
thv de lenden, doe het dan thv de scapula, de biceps, de triceps…
Pagina 1 van 20
, o de eerste drie methodes vergen niet veel materiaal en tijd
soort screening instrument
- Nog adequater informatie hebben als er bv verhoogd risico gevonden is adhv vorige drie
methodes:
o DEXA en CT
Gebaseerd op radioactieve straling
Zeer gevaarlijk voor kinderen! Wordt bij kinderen zo min mogelijk gedaan!
DEXA goede methode om vetmassa en vetvrije massa in kaart te brengen
Vetvrije massa: onderscheid tussen spiermassa en botdensiteit
(moeilijk om bindweefselcomponenten in kaart te brengen).
Onderhuids vet meten gaat heel goed met de DEXA.
Bij obesen heb je veel vetinfiltratie in de spier en de DEXA kan deze
vervetting niet zien en ziet dit als spier.
CT
Kan wel goed de vervetting zien: kan densiteitsbepaling doen van de
spier zodat je ziet hoeveel spiermateriaal erin zit en hoeveel niet-
spiermateriaal.
Bij obees kind is er grote kans op vervetting
Bij CP is de bindweefselcomponent sterk verdikt, dus densiteit gaat
gewijzigd zijn door vervetting maar ook door gewijzigd bindweefsel.
MRI
Magnetische resonantie: verschillende weefsels die uit organisch
materiaal bestaan met magnetisme op een hogere schil te brengen
magnetisch veld valt weg en die hebben verschillende
karakteristieken. De elektronen gaan terug naar basisschil maar dit is
voor elk materiaal anders en zo kan je een onderscheid in structuren
maken
Duidelijk beeld krijgen van spiermateriaal met bv
vervettingscomponent, onderhuids vet, botmateriaal..
Enige probleem: kan je alleen in klinische setting doen
(onderzoekssetting of in zeer specifieke gevallen)
Gouden standaard: onderwaterweging
Je neemt een bak met water en als je daar welbepaald voorwerp
onder brengt, dan gaat het water overlopen
Hoeveelheid water dat overloopt bepaalt een volume
Vanuit die meting kan men densiteiten afleiden en zo kan je
vetmassa bepalen en vetvrije massa bepalen
Zeer betrouwbare meting
Air body displacement plethyamography
In de respiratoire wereld om te gaan kijken naar longfuncties
Kan je ook gebruiken voor lichaamssamenstelling
o Drukverschillen creëren door in toestel te gaan zitten gaan
een maat van densiteit geven
o Op basis daarvan kan je vetmassa en vetvrije massa meten
o Hoe meer de spier vervet is, hoe lager de kwaliteit van de spier! Dus belangrijk om
dit te verlagen en aan FA te doen!
Pagina 2 van 20
, Fysieke fitheid en risicofactoren
Fysieke fitheid (aerobe capaciteit en kracht)
- Piek VO2
o Kijk naar de absolute, maar ook naar de relatieve piek VO2
o Afgeleid vanuit maximale inspanningstest
Kan je enkel maar goed betrouwbaar afnemen vanaf de leeftijd van 7 jaar,
alles daarvoor kan je enkel maar inschatten op andere manieren
- Relatieve VO2
o Belangrijk om zuurstofgebruik te vergelijken met leeftijdsgenoten
o Makkelijke maat om te kijken hoe het met conditie gaat
o Ruwe vuistregel bij volwassenen:
Alles boven de 25 is goed
Tussen 20 en 25: deconditionering
<20 en zeker onder 18: pathologieën
Pagina 3 van 20