2. Suikermetabolisme
Blauwe driehoek= Glucose –(Sleutel-
slotmodel)
Groene vierkant: Glucosetransporters –
glucose kan niet zomaar id cel. Het gaat van
buiten naar binnen gebracht worden
De pancreas produceert insuline en gaat er
voor zorgen dat het teveel aan suiker wordt
verminderd.
Glucagon schiet in actie als het lichaam te
weinig suiker heeft
De lever gaat afgebroken worden: bevat
veel enzymen, wil afbreken, maar het liefst
opslaan
2.1
Inleiding……………………………
………………………………………
…….
Belang van suikers:
- energiebron (tot 50%)
- reservestof (vb glycogeen)
- bron van C-atomen
-> voedsel bevat glucose en wil in de bloedbaan terecht komen via de dunne darm.
Glucose kan niet zomaar door de cel dus we hebben transporters nodig om glucose
op te nemen. glucose komt terecht in de bloedbaan, waar het als energiebron
beschikbaar is voor e cellen van het lichaam. Het hormoon Insuline is cruciaal om
ervoor te zorgen dat de cellen glucose uit het bloed te kunnen opnemen.
Suikers vanuit voedsel in bloedbaan -> Vanuit bloedbaan naar organen die het
nodig hebben
4
Voedsel: Polysachariden: vb zetmeel
1
, amylase
Dunne darm: Oligosacchariden, Disachariden (maltose, saccharose, lactose)
Glycosidasen (maltase, saccharase, lactase) aan oppervlak
aan darmepitheel (glucose, fructose, galactose)
Monosacahriden (glucose, fructose, galactose)
2.2 opname en passage doorheen de enterocyten …………
Fructose:passief transport
=gefaciliteerde diffusie: GLUT 5 en GLUT 2
-> geen ATP nodig
Gefaciliteerde diffusie betekent dat je een transporter nodig hebt, het gebeurt niet
op eigen kracht.
Glucose en galactose/ actief cotransport met Na (Na komt even mee en gaat er dan
uit)=secundair actief transport
-> ATP ➔ Na+/K+- pomp)
Cotransport moet 2 verschillende dingen doen
1. Glucose, galactose en natrium gaan mee SGLT= secundair actief transport
2. Na-Ka pomp: van in de cel terug naar buiten gaan. Pomp heeft E nodig en
zordtgeleverd door ATP
Monosachariden verlaten enterocyt via passief transport
Via bloed: glucose, fructose, galactose naar organen, o.a lever
2.2.1 secundair actief transport
Gradiënt Na+ wordt gebruikt voor andere doeleinden, vb cotransport glucose
2
, 2.3 Het glucosemetabolisme
- Inleiding en situering in het metabolisme
- Glycolyse: afbraak van glucose
- Gluconeogenese: opbouw tot glucose
- Opbouw en afbraak van glycoge (glycogenese en glycogenolyse)
2.3.1 Inleiding en situering in het metabolisme – fysiologie
Men wil een normale bloedglucose. Als je niets gegeten hebt is je glucose-
gehalte heel hoog.
Insuline in de pancreas gaat glucose opnemen zodat bloedglucose gaat
dalen. Glucose wordt omgezet in de lever door glucose tot glycogenese en
glucogenese
Glycemie zorgt voor de regeling van het bloedsuiker
Als de glucose in het bloed stijgt:
- insuline bindt zich op insulinereceptor
- verschillende effecten
Voorbeeld insuline receptor: receptor met kinase activiteit
Insuline bind zich op
een receptor: dimeer
1 molecule insuline
Effect: transcriptie
(betrekking tot genen)
MEER GLUT
TRANSPORTERS,
inactivatie enzymes
via Proteine Kinase
Situering in het metabolisme
3
Blauwe driehoek= Glucose –(Sleutel-
slotmodel)
Groene vierkant: Glucosetransporters –
glucose kan niet zomaar id cel. Het gaat van
buiten naar binnen gebracht worden
De pancreas produceert insuline en gaat er
voor zorgen dat het teveel aan suiker wordt
verminderd.
Glucagon schiet in actie als het lichaam te
weinig suiker heeft
De lever gaat afgebroken worden: bevat
veel enzymen, wil afbreken, maar het liefst
opslaan
2.1
Inleiding……………………………
………………………………………
…….
Belang van suikers:
- energiebron (tot 50%)
- reservestof (vb glycogeen)
- bron van C-atomen
-> voedsel bevat glucose en wil in de bloedbaan terecht komen via de dunne darm.
Glucose kan niet zomaar door de cel dus we hebben transporters nodig om glucose
op te nemen. glucose komt terecht in de bloedbaan, waar het als energiebron
beschikbaar is voor e cellen van het lichaam. Het hormoon Insuline is cruciaal om
ervoor te zorgen dat de cellen glucose uit het bloed te kunnen opnemen.
Suikers vanuit voedsel in bloedbaan -> Vanuit bloedbaan naar organen die het
nodig hebben
4
Voedsel: Polysachariden: vb zetmeel
1
, amylase
Dunne darm: Oligosacchariden, Disachariden (maltose, saccharose, lactose)
Glycosidasen (maltase, saccharase, lactase) aan oppervlak
aan darmepitheel (glucose, fructose, galactose)
Monosacahriden (glucose, fructose, galactose)
2.2 opname en passage doorheen de enterocyten …………
Fructose:passief transport
=gefaciliteerde diffusie: GLUT 5 en GLUT 2
-> geen ATP nodig
Gefaciliteerde diffusie betekent dat je een transporter nodig hebt, het gebeurt niet
op eigen kracht.
Glucose en galactose/ actief cotransport met Na (Na komt even mee en gaat er dan
uit)=secundair actief transport
-> ATP ➔ Na+/K+- pomp)
Cotransport moet 2 verschillende dingen doen
1. Glucose, galactose en natrium gaan mee SGLT= secundair actief transport
2. Na-Ka pomp: van in de cel terug naar buiten gaan. Pomp heeft E nodig en
zordtgeleverd door ATP
Monosachariden verlaten enterocyt via passief transport
Via bloed: glucose, fructose, galactose naar organen, o.a lever
2.2.1 secundair actief transport
Gradiënt Na+ wordt gebruikt voor andere doeleinden, vb cotransport glucose
2
, 2.3 Het glucosemetabolisme
- Inleiding en situering in het metabolisme
- Glycolyse: afbraak van glucose
- Gluconeogenese: opbouw tot glucose
- Opbouw en afbraak van glycoge (glycogenese en glycogenolyse)
2.3.1 Inleiding en situering in het metabolisme – fysiologie
Men wil een normale bloedglucose. Als je niets gegeten hebt is je glucose-
gehalte heel hoog.
Insuline in de pancreas gaat glucose opnemen zodat bloedglucose gaat
dalen. Glucose wordt omgezet in de lever door glucose tot glycogenese en
glucogenese
Glycemie zorgt voor de regeling van het bloedsuiker
Als de glucose in het bloed stijgt:
- insuline bindt zich op insulinereceptor
- verschillende effecten
Voorbeeld insuline receptor: receptor met kinase activiteit
Insuline bind zich op
een receptor: dimeer
1 molecule insuline
Effect: transcriptie
(betrekking tot genen)
MEER GLUT
TRANSPORTERS,
inactivatie enzymes
via Proteine Kinase
Situering in het metabolisme
3