Samenvatting Deontologie en Ethiek
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1: WAT IS EEN ETHISCH DILEMMA? .........................................................................3
DILEMMA’S IN DE TOEGEPASTE PSYCHOLGOGIE .....................................................................................3
MOREEL OF ETHISCH DILEMMA? ........................................................................................................3
MOREEL VERSUS PRAKTISCH DILEMMA ................................................................................................5
DE 3 LUIKEN ..............................................................................................................................6
1) JURIDISCH LUIK ‘PLICHTENLEER’ .................................................................................................6
2) MOREEL LUIK .........................................................................................................................7
3) PSYCHOLOGISCH LUIK.................................................................................................................7
HOOFDSTUK 2: KLACHTEN EN JURIDISERING ..............................................................................8
KAN MEN EEN KLACHT INDIENEN? ......................................................................................................8
PSYCHOLOGENCOMMISSIE THEMA’S ONTVANGEN KLACHTEN ....................................................................9
KLACHTENPROCEDURES VOOR PSYCHOLOGISCHE CONSULENTEN ............................................................ 10
FREQUENTE BEROEPSETHISCHE VRAGEN............................................................................................ 11
JURIDISERING ............................................................................................................................. 11
HOOFDSTUK 3: WAT MOET IK GEHEIMHOUDEN? (BEROEPSGEHEIM EN DISCRETIEPLICHT) .......... 12
1) BEROEPSGEHEIM ≈ ARTIKEL 485 VAN HET STRAFWETBOEK!!! ............................................................ 12
UITZONDERINGEN BEROEPSGEHEIM ................................................................................................. 14
2) DISCRETIEPLICHT .................................................................................................................. 16
HOOFDSTUK 4: HET DOSSIER EN VERSLAG................................................................................ 19
HET DOSSIER.............................................................................................................................. 19
FUNCTIE VAN HET DOSSIER............................................................................................................. 19
RECHTEN VAN DE CLIËNT ............................................................................................................... 20
HET VERSLAG ............................................................................................................................. 21
HOOFDSTUK 5: UITGANGSPUNTEN VOOR DIAGNOSTIEK (DEONTOLOGISCHE ASPECTEN BINNEN
DIAGNOSTIEK)......................................................................................................................... 22
UITGANGSPUNT 1: TEST-FAIRNESS & INVLOED VAN STEREOTYPEN ............................................................ 22
1
,UITGANGSPUNT 2: RESPECT VOOR DE CLIËNT ...................................................................................... 23
UITGANGSPUNT 3: KWALITEIT ......................................................................................................... 23
UITGANSPUNT 4: DOELMATIGHEID VAN DIAGNOSTISCH HANDELEN ........................................................... 24
HOOFDSTUK 6: BEËINDIGEN VAN DE WERKRELATIE .................................................................. 24
NIET WERKZAME THERAPIEËN ......................................................................................................... 24
VOORKOMEN IS BETER DAN GENEZEN ................................................................................................ 26
AFRONDEN VAN BEHANDELINGEN IN ANDERE GEVALLEN ........................................................................ 26
CONCLUSIE ............................................................................................................................... 26
HOOFDSTUK 7: SAMENWERKING MET ANDEREN ....................................................................... 27
WIE DOET ER MEE ≈ DE BETROKKENEN ............................................................................................... 27
DE GEMACHTIGDE DERDE .............................................................................................................. 27
ALGEMENE RICHTLIJNEN ................................................................................................................ 29
DELEN VAN INFORMATIE ................................................................................................................ 31
CONCLUSIE ............................................................................................................................... 32
HOOFDSTUK 8: MINDERJARIGEN EN HUN OUDERS .................................................................... 32
TOESTEMMING VAN KIND, OUDER OF BEIDE OUDERS? ............................................................................ 32
HOOFDSTUK 9: AUTONOMIE EN WILSBEKWAAMHEID IN DE GGZ ................................................ 36
KADER ...................................................................................................................................... 36
UITGANGSPUNTEN (6)................................................................................................................... 37
CRITERIA VAN WILSBEKWAAMHEID ................................................................................................... 38
EUTHANASIE AANVRAGEN .............................................................................................................. 40
INTRODUCTIE.......................................................................................................................... 43
MORAALFILOSOFIE....................................................................................................................... 44
HOOFDSTUK 10: GEVOLGENETHIEK ≈ UTILITARISME= BENTHAM ................................................ 45
UTILITARISME BENTHAM ................................................................................................................ 45
HOOFDSTUK 11: DEONTOLOGISCHE ≈ PLICHTETHIEK = KANT .................................................... 49
VRAAG VAN VELE FILOSOFEN IMMANUEL KANT ..................................................................................... 49
KANT VERTREKT VANUIT HET UTILITARISME .......................................................................................... 49
KANT IN HET KORT........................................................................................................................ 50
2
,BEGRIPPEN ................................................................................................................................ 50
KANT IN HET KORT........................................................................................................................ 53
WAT IS ER MOREEL? ZOEK NAAR DE BEWEEGREDEN .............................................................................. 53
VRAGEN ROND HOE KANT DIT ZIET: ................................................................................................... 55
RECAPITULATIE ........................................................................................................................... 57
Deel 1: theorie beroepscode, deontologie
Hoofdstuk 1: Wat is een ethisch dilemma?
Dilemma’s in de toegepaste psycholgogie
Casus voorbeelden (Moreel of ethisch dilemma?)
*Jurre (♂, 48j) is opgenomen. Zijn echtgenote vraagt om duidelijkheid waarom Jurre hun woonkamer in brand wou
steken. Jurre is nog niet aanspreekbaar.
Echtgenote komt bij ons en vraagt om een beetje duidelijkheid, want het ging al een hele tijd niet goed met
Jurre. Hij heeft al op het einde van zijn thuisverblijf vlak voor hij opgenomen werd, zijn woonkamer in brand
proberen spreken. De echtgenote is dus helemaal overdonderd en vraagt zich af of hij haar wou
vermoorden. Jurre is bij ons in opname en is nog niet aanspreekbaar. Je hebt met je team een vermoede
dat het hier gaat om een psychose, maar je weet niet wat je wel of niet mag zeggen tegen zijn echtgenote,
want je weet niet of Jurre daarmee akkoord zou gaan of niet. Wat ge je doen?
▪ Wel zeggen: vrouw gerustgesteld - mogelijks later Jurre (on)tevreden - tegen de wet (want Jurre mag
zelf beslissen welke informatie gedeeld wordt met derden want hij is volwassen)
▪ Niet zeggen: vrouw mentaal zwaar - mogelijks later Jurre (on)tevreden - wet gevolgd
*Dominique (♀, 32j) solliciteert bij het bedrijf waar jij werkt. Je kent haar en denkt dat ze een goede collega zou zijn.
Doe jij de selectie of niet?
Je kent haar van vroeger maar je denkt wel echt dat ze een goede aanwinst zou zijn voor het team. Zij komt
niet in uw afdeling te werken maar je denkt wel echt dat ze het goed gaat doen. Maar ga jij er dan iets van
zeggen dat je die persoon kent tegen je baas of ga je daar eerder over zwijgen? Ga je denken dat je je
objectief zou moeten halen, ga je haar een stapje voor laten zetten?...
*Stella (♀, 35j) haalt 49/100 voor een test. Ze heeft 50/100 nodig om door te gaan. Ze is gemotiveerd en het zou veel
voor haar zelfvertrouwen betekenen.
Ga je haar dan een puntje meer gunnen of ga je het zo laten?
*Flip (♂, 15j) komt niet op gesprek. De ouders bellen met de vraag of hij altijd komt opdagen. Ben je eerlijk tegen de
ouders?
Ga je eerlijk zijn tegen de ouders dat hij er niet altijd is, of ga je aan de telefoon liegen of het anders verwoorden,
wat gaan we precies doen?
Moreel of ethisch dilemma?
3
, = Situaties waarin een hulpverlener merkt dat hij gebonden is aan persoonlijke waarden of beroepsethische
normen die in dat specifieke geval niet met elkaar te verenigen zijn. (Er botst iets intern bij ons vaak)
• Intuïtief aangevoeld & gewrongen gevoel, men voelt aan dat er iets ‘niet klopt’
• Enkele normen, waarden en/of juridische zaken die niet te verenigen zijn
Note
Wanneer je een gedrag stelt dat in overeenstemming is met de morele normen en waarden, dan stel je moreel
toelaatbaar gedrag. Soms is er verdeeldheid in de samenleving over hoe je moet handelen. Sommigen vinden dat
je op een bepaalde manier moet reageren, terwijl anderen een tegengestelde visie voorschrijven. Bij problemen
waarin het lastig is om te bepalen wat de beste, de betere of de minst slechte keuze is, spreken we van een
moreel dilemma.
In de hulpverlening ondervinden hulpverleners ook dilemma’s. De hulpverlener ervaart dat hij gebonden is aan
persoonlijke of beroepsethische normen, die in dat specifieke geval niet met elkaar te verenigen zijn. Een moreel
(of ethisch) dilemma wordt door een hulpverlener vaak intuïtief aangevoeld en men zit ‘gewrongen’ met de
situatie (Knapp & VandeCreek, 2006). Men voelt aan dat er iets ‘niet klopt’.
In de ethiek worden vragen behandeld rond goed en slecht handelen, rond eigen normen en waarden. Zo kan je je
afvragen of het eten van dieren een goede ethische keuze is. De morele norm schrijft momenteel voor dat het
mag, maar er zijn voorstanders om er een verbod van te maken. Daarnaast pleiten anderen voor een reductie van
het aantal gram vlees op ons bord en moet het vlees van duurzame landbouw komen. Er is dus meer dan een ja-
nee keuze. Op dat moment ontstaat er een discussie over het onderwerp.
Een morele waarde is een zaak waarvan mensen vinden dat ze goed, belangrijk of nastrevenswaardig is.
In onze samenleving, en wijzelf als individu, vinden we een aantal zaken belangrijk en waardevol. Dit duiden we
aan met morele waarden. Enkele belangrijke waarden in de zorg zijn onder andere (Liégeois, 2019):
• Deskundigheid
• Vertrouwen
• Respect
• Veiligheid
• Eerlijkheid
• Gelijkheid
Een morele norm is een gedragsregel met een bepaald draagvlak in de groep.
Om deze waardevolle elementen te beschermen, ontstaan er regels die je gedrag voorschrijven, iets waar je je als
groepslid van de samenleving aan zou moeten houden. Deze gedragsregels duiden we aan met morele normen.
Morele normen kan je onderverdelen in geboden (iets wel doen) of verboden (iets niet doen). Voorbeelden zijn: Je
mag niet van een ander stelen
• Je moet de waarheid spreken
• Je mag geen plagiaat plegen
• Je mag een cliënt niet discrimineren!
4
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1: WAT IS EEN ETHISCH DILEMMA? .........................................................................3
DILEMMA’S IN DE TOEGEPASTE PSYCHOLGOGIE .....................................................................................3
MOREEL OF ETHISCH DILEMMA? ........................................................................................................3
MOREEL VERSUS PRAKTISCH DILEMMA ................................................................................................5
DE 3 LUIKEN ..............................................................................................................................6
1) JURIDISCH LUIK ‘PLICHTENLEER’ .................................................................................................6
2) MOREEL LUIK .........................................................................................................................7
3) PSYCHOLOGISCH LUIK.................................................................................................................7
HOOFDSTUK 2: KLACHTEN EN JURIDISERING ..............................................................................8
KAN MEN EEN KLACHT INDIENEN? ......................................................................................................8
PSYCHOLOGENCOMMISSIE THEMA’S ONTVANGEN KLACHTEN ....................................................................9
KLACHTENPROCEDURES VOOR PSYCHOLOGISCHE CONSULENTEN ............................................................ 10
FREQUENTE BEROEPSETHISCHE VRAGEN............................................................................................ 11
JURIDISERING ............................................................................................................................. 11
HOOFDSTUK 3: WAT MOET IK GEHEIMHOUDEN? (BEROEPSGEHEIM EN DISCRETIEPLICHT) .......... 12
1) BEROEPSGEHEIM ≈ ARTIKEL 485 VAN HET STRAFWETBOEK!!! ............................................................ 12
UITZONDERINGEN BEROEPSGEHEIM ................................................................................................. 14
2) DISCRETIEPLICHT .................................................................................................................. 16
HOOFDSTUK 4: HET DOSSIER EN VERSLAG................................................................................ 19
HET DOSSIER.............................................................................................................................. 19
FUNCTIE VAN HET DOSSIER............................................................................................................. 19
RECHTEN VAN DE CLIËNT ............................................................................................................... 20
HET VERSLAG ............................................................................................................................. 21
HOOFDSTUK 5: UITGANGSPUNTEN VOOR DIAGNOSTIEK (DEONTOLOGISCHE ASPECTEN BINNEN
DIAGNOSTIEK)......................................................................................................................... 22
UITGANGSPUNT 1: TEST-FAIRNESS & INVLOED VAN STEREOTYPEN ............................................................ 22
1
,UITGANGSPUNT 2: RESPECT VOOR DE CLIËNT ...................................................................................... 23
UITGANGSPUNT 3: KWALITEIT ......................................................................................................... 23
UITGANSPUNT 4: DOELMATIGHEID VAN DIAGNOSTISCH HANDELEN ........................................................... 24
HOOFDSTUK 6: BEËINDIGEN VAN DE WERKRELATIE .................................................................. 24
NIET WERKZAME THERAPIEËN ......................................................................................................... 24
VOORKOMEN IS BETER DAN GENEZEN ................................................................................................ 26
AFRONDEN VAN BEHANDELINGEN IN ANDERE GEVALLEN ........................................................................ 26
CONCLUSIE ............................................................................................................................... 26
HOOFDSTUK 7: SAMENWERKING MET ANDEREN ....................................................................... 27
WIE DOET ER MEE ≈ DE BETROKKENEN ............................................................................................... 27
DE GEMACHTIGDE DERDE .............................................................................................................. 27
ALGEMENE RICHTLIJNEN ................................................................................................................ 29
DELEN VAN INFORMATIE ................................................................................................................ 31
CONCLUSIE ............................................................................................................................... 32
HOOFDSTUK 8: MINDERJARIGEN EN HUN OUDERS .................................................................... 32
TOESTEMMING VAN KIND, OUDER OF BEIDE OUDERS? ............................................................................ 32
HOOFDSTUK 9: AUTONOMIE EN WILSBEKWAAMHEID IN DE GGZ ................................................ 36
KADER ...................................................................................................................................... 36
UITGANGSPUNTEN (6)................................................................................................................... 37
CRITERIA VAN WILSBEKWAAMHEID ................................................................................................... 38
EUTHANASIE AANVRAGEN .............................................................................................................. 40
INTRODUCTIE.......................................................................................................................... 43
MORAALFILOSOFIE....................................................................................................................... 44
HOOFDSTUK 10: GEVOLGENETHIEK ≈ UTILITARISME= BENTHAM ................................................ 45
UTILITARISME BENTHAM ................................................................................................................ 45
HOOFDSTUK 11: DEONTOLOGISCHE ≈ PLICHTETHIEK = KANT .................................................... 49
VRAAG VAN VELE FILOSOFEN IMMANUEL KANT ..................................................................................... 49
KANT VERTREKT VANUIT HET UTILITARISME .......................................................................................... 49
KANT IN HET KORT........................................................................................................................ 50
2
,BEGRIPPEN ................................................................................................................................ 50
KANT IN HET KORT........................................................................................................................ 53
WAT IS ER MOREEL? ZOEK NAAR DE BEWEEGREDEN .............................................................................. 53
VRAGEN ROND HOE KANT DIT ZIET: ................................................................................................... 55
RECAPITULATIE ........................................................................................................................... 57
Deel 1: theorie beroepscode, deontologie
Hoofdstuk 1: Wat is een ethisch dilemma?
Dilemma’s in de toegepaste psycholgogie
Casus voorbeelden (Moreel of ethisch dilemma?)
*Jurre (♂, 48j) is opgenomen. Zijn echtgenote vraagt om duidelijkheid waarom Jurre hun woonkamer in brand wou
steken. Jurre is nog niet aanspreekbaar.
Echtgenote komt bij ons en vraagt om een beetje duidelijkheid, want het ging al een hele tijd niet goed met
Jurre. Hij heeft al op het einde van zijn thuisverblijf vlak voor hij opgenomen werd, zijn woonkamer in brand
proberen spreken. De echtgenote is dus helemaal overdonderd en vraagt zich af of hij haar wou
vermoorden. Jurre is bij ons in opname en is nog niet aanspreekbaar. Je hebt met je team een vermoede
dat het hier gaat om een psychose, maar je weet niet wat je wel of niet mag zeggen tegen zijn echtgenote,
want je weet niet of Jurre daarmee akkoord zou gaan of niet. Wat ge je doen?
▪ Wel zeggen: vrouw gerustgesteld - mogelijks later Jurre (on)tevreden - tegen de wet (want Jurre mag
zelf beslissen welke informatie gedeeld wordt met derden want hij is volwassen)
▪ Niet zeggen: vrouw mentaal zwaar - mogelijks later Jurre (on)tevreden - wet gevolgd
*Dominique (♀, 32j) solliciteert bij het bedrijf waar jij werkt. Je kent haar en denkt dat ze een goede collega zou zijn.
Doe jij de selectie of niet?
Je kent haar van vroeger maar je denkt wel echt dat ze een goede aanwinst zou zijn voor het team. Zij komt
niet in uw afdeling te werken maar je denkt wel echt dat ze het goed gaat doen. Maar ga jij er dan iets van
zeggen dat je die persoon kent tegen je baas of ga je daar eerder over zwijgen? Ga je denken dat je je
objectief zou moeten halen, ga je haar een stapje voor laten zetten?...
*Stella (♀, 35j) haalt 49/100 voor een test. Ze heeft 50/100 nodig om door te gaan. Ze is gemotiveerd en het zou veel
voor haar zelfvertrouwen betekenen.
Ga je haar dan een puntje meer gunnen of ga je het zo laten?
*Flip (♂, 15j) komt niet op gesprek. De ouders bellen met de vraag of hij altijd komt opdagen. Ben je eerlijk tegen de
ouders?
Ga je eerlijk zijn tegen de ouders dat hij er niet altijd is, of ga je aan de telefoon liegen of het anders verwoorden,
wat gaan we precies doen?
Moreel of ethisch dilemma?
3
, = Situaties waarin een hulpverlener merkt dat hij gebonden is aan persoonlijke waarden of beroepsethische
normen die in dat specifieke geval niet met elkaar te verenigen zijn. (Er botst iets intern bij ons vaak)
• Intuïtief aangevoeld & gewrongen gevoel, men voelt aan dat er iets ‘niet klopt’
• Enkele normen, waarden en/of juridische zaken die niet te verenigen zijn
Note
Wanneer je een gedrag stelt dat in overeenstemming is met de morele normen en waarden, dan stel je moreel
toelaatbaar gedrag. Soms is er verdeeldheid in de samenleving over hoe je moet handelen. Sommigen vinden dat
je op een bepaalde manier moet reageren, terwijl anderen een tegengestelde visie voorschrijven. Bij problemen
waarin het lastig is om te bepalen wat de beste, de betere of de minst slechte keuze is, spreken we van een
moreel dilemma.
In de hulpverlening ondervinden hulpverleners ook dilemma’s. De hulpverlener ervaart dat hij gebonden is aan
persoonlijke of beroepsethische normen, die in dat specifieke geval niet met elkaar te verenigen zijn. Een moreel
(of ethisch) dilemma wordt door een hulpverlener vaak intuïtief aangevoeld en men zit ‘gewrongen’ met de
situatie (Knapp & VandeCreek, 2006). Men voelt aan dat er iets ‘niet klopt’.
In de ethiek worden vragen behandeld rond goed en slecht handelen, rond eigen normen en waarden. Zo kan je je
afvragen of het eten van dieren een goede ethische keuze is. De morele norm schrijft momenteel voor dat het
mag, maar er zijn voorstanders om er een verbod van te maken. Daarnaast pleiten anderen voor een reductie van
het aantal gram vlees op ons bord en moet het vlees van duurzame landbouw komen. Er is dus meer dan een ja-
nee keuze. Op dat moment ontstaat er een discussie over het onderwerp.
Een morele waarde is een zaak waarvan mensen vinden dat ze goed, belangrijk of nastrevenswaardig is.
In onze samenleving, en wijzelf als individu, vinden we een aantal zaken belangrijk en waardevol. Dit duiden we
aan met morele waarden. Enkele belangrijke waarden in de zorg zijn onder andere (Liégeois, 2019):
• Deskundigheid
• Vertrouwen
• Respect
• Veiligheid
• Eerlijkheid
• Gelijkheid
Een morele norm is een gedragsregel met een bepaald draagvlak in de groep.
Om deze waardevolle elementen te beschermen, ontstaan er regels die je gedrag voorschrijven, iets waar je je als
groepslid van de samenleving aan zou moeten houden. Deze gedragsregels duiden we aan met morele normen.
Morele normen kan je onderverdelen in geboden (iets wel doen) of verboden (iets niet doen). Voorbeelden zijn: Je
mag niet van een ander stelen
• Je moet de waarheid spreken
• Je mag geen plagiaat plegen
• Je mag een cliënt niet discrimineren!
4