PROBLEEM 8
Leerdoelen:
1. Wat is de verzamelwet Brexit? Wat zijn de staatsrechtelijke aspecten?
2. Hoe gaan andere landen om met de Brexit? Fr + Du
3. Hoe zit het met het primaat van de wetgever in Engeland en Nederland? + verschil
Bronnen:
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht: H5 + H25 (p. 556-558) + H30 (p. 678-
679)
- R. de Lange, Brexit en het Staatsrecht, Rotterdam 2017
- Meerenberg
- Verwijderingsbevel
LEERDOEL 1 WAT IS DE VERZAMELWET BREXIT? WAT ZIJN DE
STAATSRECHTELIJKE ASPECTEN?
Het voorstel voor een Verzamelwet Brexit
Op 16 november 2018 werd bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van een
aantal wetten en tot invoering van een noodbevoegdheid om de mogelijke gevolgen van een no-
deal-Brexit op te vangen.
Dit wetsvoorstel is met enige wijzigingen door de S-G aanvaard.
Het tijdstip van inwerkingtreding werd bepaald bij koninklijk besluit. Het kan voor
verschillende artikelen of artikelonderdelen verschillend zijn.
Terugwerkende kracht is mogelijk tot en met 31 januari 2020 (de aanvankelijk beoogde
datum van uittreding van het VK). Ook besluiten die op deze wet gebaseerd zijn kunnen
eventueel terugwerkende kracht krijgen tot en met 31 januari 2020.
De inhoud van de Verzamelwet Brexit
In het wetsvoorstel Verzamelwet Brexit waren twee verschillende soorten bepalingen aan te treffen
die beide ook in de uiteindelijke wet zijn terechtgekomen, zij het niet ongewijzigd:
1. Aanvullingen van bestaande wetten
o Betreffen de regelingen op bijv. het gebied van de sociale zekerheid, de geldigheid
van rijbewijzen.
o De wetgever treft hier zelf een regeling voor mogelijke nieuwe situaties, om
onvoorziene nadelen te kunnen opvangen
o De formeel-wettelijke voorstellen hebben betrekking op de Wet op de formeel
buitenlandse vennootschappen, de Wegenverkeerswet, de Gaswet etc.
2. Een nieuwe noodbevoegdheid
o Dient ter voorziening van alle andere situaties waarin een no-deal Brexit voor
problemen kan zorgen die door de overheid kunnen worden opgelost.
o Het is met name deze bepaling in het wetsvoorstel die aanleiding heeft gegeven tot
discussie in beide Kamers van de S-G, in het licht van de positie van het parlement
als medewetgever en in het licht van het primaat van de wetgever.
Het advies van de Raad van State
Het advies van de Afdeling advisering van de RvS over het wetsvoorstel was niet onkritisch, maar
ook niet zodanig hard dat de regering er aanleiding in zou hebben moeten zien om het voorste niet,
of niet in deze vorm in te dienen.
De RvS noemde het voorstel ‘onconventioneel’
Ook signaleerde de RvS in zijn advies dat er geen systematische probleemanalyse door het
kabinet is gepresenteerd
1
, Er werd van alle kanten gewaarschuwd dat met vergaande delegatiebepalingen zoals die in
het wetsvoorstel voorkwamen zeer voorzichtig moet worden omgesprongen
Behandeling in de Staten-Generaal
TK
De minister heeft het wetsvoorstel op twee punten gewijzigd voordat de TK er plenair over
debatteerde. Dit bleek echter nog niet voldoende.
Tijdens de behandeling in de TK werd het voorstel op een aantal punten geamendeerd
Met name artikel X, waarin de bevoegdheid was neergelegd om bij AMvB en eventueel zelfs
bij ministeriële regeling af te wijken van de wet, onderging daarbij wijziging.
Een amendement afkomstig van de regeringsfracties van CDA en D66 werd eerst
aangevuld door de indieners en vervolgens door de regering overgenomen. Daarmee werd
artikel X aangevuld tot maar liefst 10 leden.
In de Nota naar aanleiding van het verslag ging de regering uitgebreid in op de kritische
opmerkingen.
Ook gaf zij voorbeelden van andere wetten waarin soortgelijke bepalingen zijn opgenomen
als art. X.
Art. X presenteerde zij als een ‘vangnetbepaling’ die nodig zou zijn omdat een
stelselwijziging nu eenmaal risico’s en onvoorziene situaties met zich meebrengt.
Daarbij is wel van belang dat de mogelijkheid van snelle regelgeving niet alleen dient om
problemen op nationaal niveau te voorkomen of op te lossen waar een eigen bevoegdheid van het
Koninkrijk der Nederlanden in het geding is, maar ook ter uitvoering van besluiten die op EU-niveau
genomen worden om knelpunten rond de brexit op te lossen.
Amendementen
Vier amendementen werd met algemene stemmen aangenomen:
1. Het amendement Omtzigt & Verhoeven nr. 12 → termijn van 6 maanden i.p.v. 1 jaar
2. Amendement 14-18-19 Van der Graaf en Omtzigt → over gebruik van de grondslag van art.
X alleen in geval dat geen enkele andere grondslag voorhanden is
3. Amendement nr. 15 Van der Graaf & Leijten → over niet afwijken van de Gw. De
terminologie van art. 175-176 Gemw is hier overgenomen.
4. Amendement Omtzigt & Verhoeven nr. 11-13 → vastleggen van termijnen en invoering van
een valbijlbepaling is ook met algemene stemmen aangenomen.
Andere amendementen werden verworpen.
Plenair debat
Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de TK ontspon zich een debat tussen Van
Ojik (GL) en Omtzigt (CDA) over het idee van Van Ojik dat in de Verzamelwet Brexit een bepaling
zou moeten worden opgenomen die inhoudt dat een ontwerp-amvb aan de Kamer zou moeten
worden toegezonden, waarbij een minderheid – 1/3 van het grondwettelijk aantal leden – dan die
amvb zou kunnen blokkeren.
Wetsvoorstel aanvaard
Het wetsvoorstel werd op 29 januari 2019 in de TK aangenomen.
Meerenberg → heeft een geringe betekenis want zelfstandige amvb kan nu wel door Brexit.
EK
Extra voorlichting door de RvS
De EK bleek ook kritisch, en vroeg aan de RvS om een voorlichting over het wetsvoorstel, met
bijzondere aandacht voor art. X.
In haar voorlichting legt de Afdeling Advisering de nadruk op de primaat van de wetgever
Dat brengt mee dat met afwijking van de wet bij lagere regeling zeer terughoudend dient te
worden omgegaan
Uiteindelijk oordeelt de Afdeling dat de zeer bijzondere omstandigheden van de brexit met
zich kunnen meebrengen dat met grote spoed gereageerd moet kunnen worden op
2
Leerdoelen:
1. Wat is de verzamelwet Brexit? Wat zijn de staatsrechtelijke aspecten?
2. Hoe gaan andere landen om met de Brexit? Fr + Du
3. Hoe zit het met het primaat van de wetgever in Engeland en Nederland? + verschil
Bronnen:
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht: H5 + H25 (p. 556-558) + H30 (p. 678-
679)
- R. de Lange, Brexit en het Staatsrecht, Rotterdam 2017
- Meerenberg
- Verwijderingsbevel
LEERDOEL 1 WAT IS DE VERZAMELWET BREXIT? WAT ZIJN DE
STAATSRECHTELIJKE ASPECTEN?
Het voorstel voor een Verzamelwet Brexit
Op 16 november 2018 werd bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van een
aantal wetten en tot invoering van een noodbevoegdheid om de mogelijke gevolgen van een no-
deal-Brexit op te vangen.
Dit wetsvoorstel is met enige wijzigingen door de S-G aanvaard.
Het tijdstip van inwerkingtreding werd bepaald bij koninklijk besluit. Het kan voor
verschillende artikelen of artikelonderdelen verschillend zijn.
Terugwerkende kracht is mogelijk tot en met 31 januari 2020 (de aanvankelijk beoogde
datum van uittreding van het VK). Ook besluiten die op deze wet gebaseerd zijn kunnen
eventueel terugwerkende kracht krijgen tot en met 31 januari 2020.
De inhoud van de Verzamelwet Brexit
In het wetsvoorstel Verzamelwet Brexit waren twee verschillende soorten bepalingen aan te treffen
die beide ook in de uiteindelijke wet zijn terechtgekomen, zij het niet ongewijzigd:
1. Aanvullingen van bestaande wetten
o Betreffen de regelingen op bijv. het gebied van de sociale zekerheid, de geldigheid
van rijbewijzen.
o De wetgever treft hier zelf een regeling voor mogelijke nieuwe situaties, om
onvoorziene nadelen te kunnen opvangen
o De formeel-wettelijke voorstellen hebben betrekking op de Wet op de formeel
buitenlandse vennootschappen, de Wegenverkeerswet, de Gaswet etc.
2. Een nieuwe noodbevoegdheid
o Dient ter voorziening van alle andere situaties waarin een no-deal Brexit voor
problemen kan zorgen die door de overheid kunnen worden opgelost.
o Het is met name deze bepaling in het wetsvoorstel die aanleiding heeft gegeven tot
discussie in beide Kamers van de S-G, in het licht van de positie van het parlement
als medewetgever en in het licht van het primaat van de wetgever.
Het advies van de Raad van State
Het advies van de Afdeling advisering van de RvS over het wetsvoorstel was niet onkritisch, maar
ook niet zodanig hard dat de regering er aanleiding in zou hebben moeten zien om het voorste niet,
of niet in deze vorm in te dienen.
De RvS noemde het voorstel ‘onconventioneel’
Ook signaleerde de RvS in zijn advies dat er geen systematische probleemanalyse door het
kabinet is gepresenteerd
1
, Er werd van alle kanten gewaarschuwd dat met vergaande delegatiebepalingen zoals die in
het wetsvoorstel voorkwamen zeer voorzichtig moet worden omgesprongen
Behandeling in de Staten-Generaal
TK
De minister heeft het wetsvoorstel op twee punten gewijzigd voordat de TK er plenair over
debatteerde. Dit bleek echter nog niet voldoende.
Tijdens de behandeling in de TK werd het voorstel op een aantal punten geamendeerd
Met name artikel X, waarin de bevoegdheid was neergelegd om bij AMvB en eventueel zelfs
bij ministeriële regeling af te wijken van de wet, onderging daarbij wijziging.
Een amendement afkomstig van de regeringsfracties van CDA en D66 werd eerst
aangevuld door de indieners en vervolgens door de regering overgenomen. Daarmee werd
artikel X aangevuld tot maar liefst 10 leden.
In de Nota naar aanleiding van het verslag ging de regering uitgebreid in op de kritische
opmerkingen.
Ook gaf zij voorbeelden van andere wetten waarin soortgelijke bepalingen zijn opgenomen
als art. X.
Art. X presenteerde zij als een ‘vangnetbepaling’ die nodig zou zijn omdat een
stelselwijziging nu eenmaal risico’s en onvoorziene situaties met zich meebrengt.
Daarbij is wel van belang dat de mogelijkheid van snelle regelgeving niet alleen dient om
problemen op nationaal niveau te voorkomen of op te lossen waar een eigen bevoegdheid van het
Koninkrijk der Nederlanden in het geding is, maar ook ter uitvoering van besluiten die op EU-niveau
genomen worden om knelpunten rond de brexit op te lossen.
Amendementen
Vier amendementen werd met algemene stemmen aangenomen:
1. Het amendement Omtzigt & Verhoeven nr. 12 → termijn van 6 maanden i.p.v. 1 jaar
2. Amendement 14-18-19 Van der Graaf en Omtzigt → over gebruik van de grondslag van art.
X alleen in geval dat geen enkele andere grondslag voorhanden is
3. Amendement nr. 15 Van der Graaf & Leijten → over niet afwijken van de Gw. De
terminologie van art. 175-176 Gemw is hier overgenomen.
4. Amendement Omtzigt & Verhoeven nr. 11-13 → vastleggen van termijnen en invoering van
een valbijlbepaling is ook met algemene stemmen aangenomen.
Andere amendementen werden verworpen.
Plenair debat
Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de TK ontspon zich een debat tussen Van
Ojik (GL) en Omtzigt (CDA) over het idee van Van Ojik dat in de Verzamelwet Brexit een bepaling
zou moeten worden opgenomen die inhoudt dat een ontwerp-amvb aan de Kamer zou moeten
worden toegezonden, waarbij een minderheid – 1/3 van het grondwettelijk aantal leden – dan die
amvb zou kunnen blokkeren.
Wetsvoorstel aanvaard
Het wetsvoorstel werd op 29 januari 2019 in de TK aangenomen.
Meerenberg → heeft een geringe betekenis want zelfstandige amvb kan nu wel door Brexit.
EK
Extra voorlichting door de RvS
De EK bleek ook kritisch, en vroeg aan de RvS om een voorlichting over het wetsvoorstel, met
bijzondere aandacht voor art. X.
In haar voorlichting legt de Afdeling Advisering de nadruk op de primaat van de wetgever
Dat brengt mee dat met afwijking van de wet bij lagere regeling zeer terughoudend dient te
worden omgegaan
Uiteindelijk oordeelt de Afdeling dat de zeer bijzondere omstandigheden van de brexit met
zich kunnen meebrengen dat met grote spoed gereageerd moet kunnen worden op
2